ECLI:NL:GHDHA:2026:358

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
22-000610-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling mishandeling met zwaar lichamelijk letsel

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is verdachte primair en subsidiair vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van poging zware mishandeling en opzettelijk zwaar lichamelijk letsel door een kopstoot. Het hof acht echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een blijvend litteken en hangend ooglid.

De verdediging voerde een beroep op putatief noodweer aan, stellende dat verdachte handelde uit vrees voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een derde. Het hof verwierp dit beroep omdat verdachte het initiatief tot het geweld nam en de gedraging aanvallend was, niet verdedigend. Tevens was er geen sprake van een verschoonbare dwaling omtrent noodweer.

De straf is bepaald op een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, rekening houdend met de ernst van het feit, het blijvende letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding is deels toegewezen: €300 materiële schade voor een kapotte bril en €500 immateriële schade wegens het letsel, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 februari 2022. De rest van de vordering is niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging zware mishandeling en veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, met toekenning van een schadevergoeding van €800 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000610-25
Parketnummer: 09-134938-22
Datum uitspraak: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van
11 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 14 februari 2022 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende beschadiging van de spieren en/of zenuwen van de wenkbrauw en/of een blijvend litteken in de wenkbrauw, heeft toegebracht door die [slachtoffer] een kopstoot (tegen diens voorhoofd) te geven;
subsidiair
hij op of omstreeks 14 februari 2022 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] een kopstoot (tegen diens voorhoofd) heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 14 februari 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot (tegen diens voorhoofd) te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende beschadiging van de spieren en/of zenuwen van de wenkbrauw en/of een blijvend litteken in de wenkbrauw ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte voor het meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks14 februari 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot (tegen diens voorhoofd) te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende beschadiging van de spier
en en/of zenuwen van de wenkbrauwen
/ofeen blijvend litteken in de wenkbrauw ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat door de verdachte aan de aangever letsel is toegebracht, te weten een beschadiging aan de spier, een hangend ooglid en een litteken aan de wenkbrauw.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (vgl. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66). De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.
Het uitzicht op herstel geldt tevens als een van de mogelijke gezichtspunten. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel.
In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan (vlg. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1067).
Het hof concludeert dat het letsel van de aangever ook na medisch ingrijpen blijvend van aard is – onder meer in de vorm van een litteken en hangend ooglid – terwijl thans nog geen uitzicht is op (volledig) herstel. Voorts acht het hof het van belang dat het letsel zich bevindt in het aangezicht.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en komt tot een bewezenverklaring van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Putatief noodweer
Door de verdediging is overeenkomstig de overgelegde pleitnota in hoger beroep aangevoerd dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. De raadsvrouw voert daartoe aan dat de verdachte in de veronderstelling was dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding in de richting van mevrouw [persoon] (hierna: [persoon] ) door de aangever. Zo vertoonde de aangever controlerend gedrag richting [persoon] en stond hij eerder die dag – met gebalde vuisten – in de woning van [persoon] . Ook heeft de aangever [persoon] (eerder die dag) meermalen gebeld en geappt, waarin dreigende taal is geuit. De verdachte is die avond naar de woning van [persoon] gegaan, omdat zij zich niet veilig voelde. In die context heeft de verdachte de situatie toen de aangever ’s avonds voor de deur van [persoon] stond, als bedreigend en agressief ingeschat. De verdachte kon en mocht menen dat verdediging geboden was op de wijze zoals hij dit heeft gedaan, waarbij hij verontschuldigbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodzaak tot verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aldus de verdediging.
Bij de beoordeling van een beroep op putatief noodweer dient te worden onderzocht of bij de verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling omtrent het bestaan van een noodweersituatie, in die zin dat hij niet alleen daadwerkelijk heeft gemeend, maar ook redelijkerwijs heeft mogen menen dat verdediging noodzakelijk was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor zichzelf of – in dit geval – een ander.
Blijkens de wettelijke omschrijving is voor een geslaagd beroep op noodweer vereist dat de gedraging van de verdachte kan worden aangemerkt als een verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat een beroep op noodweer, en daarmee ook op putatief noodweer, niet kan slagen indien de gedraging van degene die zich daarop beroept, naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien, niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden aangemerkt, bijvoorbeeld wanneer deze gedraging is gericht op het zoeken of aangaan van een confrontatie. In een dergelijk geval ontbreekt reeds de grondslag voor de strafuitsluitingsgrond.
Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden en overweegt als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de aangever ’s avonds met zijn fiets tussen zijn beide benen bij de woning van [persoon] voor de deur stond en aanbelde. [persoon] heeft toen de voordeur geopend, waarna tussen [persoon] en de aangever een woordenwisseling is ontstaan. De verdachte is vervolgens naar buiten gestapt en heeft de aangever een kopstoot gegeven.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die, door naar buiten te stappen en de aangever plotseling een kopstoot te geven, het initiatief tot het geweld heeft genomen. Deze gedraging moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt. Van een noodweersituatie is alleen al om die reden geen sprake geweest. Het hof is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte kort voorafgaand aan het bewezenverklaarde verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij [persoon] diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging. Immers, niet is gebleken dat de aangever zich op het moment dat hij bij [persoon] voor de deur stond (fysiek) agressief, dan wel aanvallend heeft gedragen richting [persoon] . Tevens betrekt het hof bij het oordeel dat de verdachte niet verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij [persoon] diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging de positie van de aangever, namelijk staand met zijn fiets tussen zijn benen. Dit is een positie van waaruit niet onmiddellijk tot de aanval kan worden overgegaan. Het door de verdachte geschetste eerdere gedrag van de aangever maakt dit niet anders. Hierbij betrekt het hof of nog dat niet is gebleken van eerder daadwerkelijk fysiek geweld jegens [persoon] .
Het beroep op putatief noodweer faalt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft op de bewezen verklaarde wijze het slachtoffer mishandeld, waardoor deze nodeloos pijn en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Aldus handelende heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof zal dit – nu die veroordelingen van lang geleden dateren - niet in het nadeel van de verdachte betrekken.
Hoewel het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen wordt gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, is dit letsel en de aard daarvan naar het oordeel van het hof de ondergrens van zwaar lichamelijk letsel. Het hof houdt hier rekening mee in de oplegging van de straf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.625,00, bestaande uit een bedrag aan materiële schade van in totaal € 625,00 en een bedrag aan immateriële schade van in totaal € 2.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.625,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.050,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.
De gevorderde materiële schade ter zake van schade aan de bril, jas en fiets is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij materiële schade, bestaande uit een kapotte bril, heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De vordering leent zich in zoverre voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 300,00 voor de bril, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij – onder andere - ten grondslag gelegd dat het gepleegde strafbare feit fysiek letsel tot gevolg heeft gehad, te weten een hangend ooglid en een litteken in de wenkbrauw. Het hof is – gelet op de gevolgen van het handelen van de verdachte – eveneens van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 800,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 800,00 (achthonderd euro) bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 februari 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter en mr. E.A. Poppe-Gielesen en mr. F. Pouleijn, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 februari 2026.