ECLI:NL:GHDHA:2026:359
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking grieven door partijen
In deze strafzaak tegen de verdachte heeft het gerechtshof Den Haag op 18 februari 2026 het hoger beroep behandeld. Tijdens de zitting heeft de verdediging namens de verdachte kenbaar gemaakt dat de grieven tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam niet langer worden gehandhaafd. De verdachte gaf aan dat de lange duur van de procedure en het ontbreken van voldoende perspectief op een minder verstrekkende maatregel hiervoor de reden zijn.
Ook de advocaat-generaal heeft namens het Openbaar Ministerie verklaard de grieven tegen het vonnis niet langer te handhaven en verzocht het hof om zowel de verdachte als het OM niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Het hof heeft, gelet op deze omstandigheden en artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ambtshalve besloten geen inhoudelijke behandeling van de zaak te verrichten.
Het hof verklaart daarom zowel de verdachte als het OM niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. B. Stapert, leden, op 18 februari 2026. Mr. J.W. van den Hurk kon het arrest niet medeondertekenen wegens afwezigheid.
Uitkomst: Verdachte en OM worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, waardoor het vonnis van de rechtbank ongewijzigd blijft.