ECLI:NL:GHDHA:2026:368

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
200.337.551/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 10 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige daad wegens wederzijdse schending eer en goede naam met schadevergoeding en verbod op gebruik beeldmateriaal

In deze civiele zaak stonden wederzijdse vorderingen centraal wegens onrechtmatige uitlatingen die de eer en goede naam van partijen zouden hebben geschaad. Appellante had via TikTok-filmpjes beschuldigingen geuit dat geïntimeerde seksuele relaties met minderjarige meisjes zou hebben, terwijl geïntimeerde in zijn YouTube-programma appellante beledigde en seksuele insinuaties maakte.

De kantonrechter had appellante veroordeeld wegens onrechtmatig handelen, maar niet geïntimeerde. Het hof oordeelde anders en stelde vast dat beide partijen onrechtmatig hadden gehandeld. Appellante had onzorgvuldig en zonder gedegen onderzoek ernstige beschuldigingen geuit, terwijl geïntimeerde in zijn programma op een seksueel getinte wijze appellante had beledigd en haar reputatie had geschaad.

Het hof veroordeelde beide partijen tot betaling van een gelijke schadevergoeding van €7.500,- en legde aan geïntimeerde een verbod op het gebruik van beeldmateriaal van appellante op. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet verwijderen van passages uit uitzendingen die appellante betreffen. De overige vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Beide partijen zijn onrechtmatig jegens elkaar en veroordeeld tot gelijke schadevergoeding; geïntimeerde moet beeldmateriaal verwijderen en mag dit niet meer gebruiken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.337.551/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10631227 CV EXPL 23-2893
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.R. de Kok, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.M. Koppert, kantoorhoudend in Lelystad.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] en [appellante] hebben een kortstondige relatie gehad. [appellante] heeft na afloop daarvan in twee (Tiktok-)filmpjes andere vrouwen willen waarschuwen voor relaties met mannen die ouder zijn dan zijzelf. [geïntimeerde] heeft vervolgens op zijn beurt in zijn Youtube-programma “ [naam programma] ” commentaar gegeven op die filmpjes en op [appellante] .
1.2
Partijen hebben bij de kantonrechter over en weer vorderingen ingesteld omdat zij vinden dat de ander onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] wél, maar [geïntimeerde] niet onrechtmatig heeft gehandeld.
1.3
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [appellante] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door de indruk te wekken dat hij (seksuele) relaties heeft (gehad) met minderjarige vrouwen. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat ook [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door in zijn programma, [appellante] voor “snol” uit te maken, zich beledigend uit te laten over haar uiterlijk en haar lichaam, en de indruk te wekken dat zij betaalde seksuele diensten verricht. Partijen worden over en weer veroordeeld tot betaling van een gelijk bedrag aan schadevergoeding.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 24 januari 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 26 oktober 2023. De grieven zijn in die dagvaarding opgenomen en aan de dagvaarding zijn bijlagen gehecht;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, met bijlagen;
  • de akte overlegging producties van [appellante] , met bijlagen;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] , met producties.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] is verslaggever en maakt sinds 2020 het onlineprogramma “ [naam programma] .” Zijn co-presentator is [co-presentator] (hierna: [co-presentator] ). Het programma wordt onder meer op Youtube uitgezonden en op de website [website] .
3.2
[appellante] is fotomodel. Op 3 november 2020 heeft zij per e-mail [geïntimeerde] benaderd en gevraagd of zij zou kunnen meedoen aan het programma [naam programma] . [geïntimeerde] heeft daarop via Instagram als volgt gereageerd:
“Is het ook een optie om beroemd te worden als mijn vriendin!? Jezus wat ben je knap.”
3.3
[appellante] en [geïntimeerde] hebben in ieder geval in december 2020 een kortstondige affectieve relatie gehad. [appellante] was toen 18 jaar oud.
3.4
Op 9 december 2020 is [appellante] aanwezig geweest bij de opname van een aflevering van [naam programma] . In die aflevering zijn er foto’s van haar vertoond en is haar relatie met [geïntimeerde] besproken. [co-presentator] heeft daarbij seksueel getinte handbewegingen en opmerkingen gemaakt.
3.5
Op 23 juni 2021 heeft [geïntimeerde] een aflevering van [naam programma] gepubliceerd waarin hij onder meer over [appellante] heeft gezegd dat er naaktbeelden van haar staan op OnlyFans. Ook heeft [geïntimeerde] in die aflevering bevestigend geantwoord op de vraag van [co-presentator] of [appellante] in de porno-industrie werkt.
3.6
Op 7 januari 2023 heeft [appellante] een filmpje op Tiktok geplaatst. In dat filmpje heeft zij onder meer de volgende tekst uitgesproken:
“(…)
Mijn relatie met [geïntimeerde] zie ik absoluut niet terug als een leuke periode en in deze TikTok ga ik jullie vertellen waarom.
Toen hij mij voor het eerst een berichtje stuurde via Instagram was hij superaardig en kwam hij echt over als een oprechte leuke jongen. Ik was op dat moment 17 jaar oud en het feit dat iemand die zoveel ouder was oprecht interesse in mij toonde, vond ik op dat moment heel interessant, toen ik ook nog eens te horen kreeg, dat hij reporter was vond ik dat ook wel tof, dus ik besloot op zijn berichtjes in te gaan.
Uiteindelijk liepen onze dates uit op een relatie, maar in een klap sloeg de lieve [geïntimeerde] om in een gemeen en toxic vriendje.
Toen wij net twee dagen een relatie hadden nodigde hij mij uit om mee te gaan naar zijn opnames van zijn programma [naam programma] en zonder het te vermelden, begon hij mij hierin op een respectloze manier belachelijk te maken. Ook vond hij het niet erg dat zijn 45-jarige collega seksueel getinte grappen over mij maakte. Ik weet nog dat hij daar helemaal niks over zei en zelfs meelachte, ik voelde me op dat moment daardoor ook echt heel erg onveilig.
(…)
Vrijwel alle meisjes die [geïntimeerde] op dat moment benaderde, waren ook net zoals mij tussen de 17 en 19 jaar oud en graag wil ik tegen aan deze veels te jonge meisjes zeggen: trap niet in zijn spelletjes Het lijkt allemaal leuk, maar wanneer je ouder wordt besef je ook, dat het eigenlijk niet normaal is, dat een 26 jarige man een 17 jarig meisje bericht en ook al zegt hij, dat hij het allemaal serieus bedoelt, gaat hij je waarschijnlijk alsnog bedriegen.
Ik zie mijn relatie met [geïntimeerde] ook terug als een vervelende periode en ik vind het ook best wel lastig om hierover te praten, want ik vind het gewoon jammer dat ik als 17-jarige in zijn spelletjes ben getrapt.
Ik heb deze video dus ook alleen maar gemaakt om jonge meiden te waarschuwen voor dit soort zielige, veels te oude ventjes. Dus meiden van 15, 16, 17, misschien nog wel jonger en natuurlijk ouder: pas op met veel oudere jongens. Veel oudere jongens die benaderen, meestal hele jonge meiden, omdat ze in hun eigen leeftijdscategorie niemand kunnen krijgen of omdat ze gewoon helemaal psycho zijn. Hier leer je gelukkig ook weer van, want ik heb echt een superleuke vriend nu.
Heb jij ook zoiets rots meegemaakt of zit je in deze situatie en wil je erover praten: stuur mij een Instagram bericht en ik ben er voor je, doei, doei.”
3.7
[geïntimeerde] heeft op 7 januari 2023 in een whatsapp bericht aan [geïntimeerde] als volgt gereageerd op het filmpje:
“ [appellante] , ik kan lachen om je tiktok. Maar om zomaar anoniem onzin te delen, kan niet.”
3.8
[appellante] is vervolgens betrokken geweest bij een app-groep waarin ervaringen met [geïntimeerde] werden uitgewisseld. In ieder geval in deze appgroep heeft [appellante] op 8 januari 2023 een tweede filmpje gedeeld, waarin zij de volgende tekst heeft uitgesproken:
“(…)
Veel mensen vinden, dat ik in mijn vorige TikTok alle ouderen mannen, die jongere meisjes berichten over 1 kam scheer en dat is niet mijn bedoeling geweest. Het hele doel van mijn TikTok was om jonge meiden te behoeden voor veel oudere guys, zoals [geïntimeerde] , die de verkeerde bedoelingen hebben. Natuurlijk zijn er ook oudere mannen met goede bedoelingen, die hartstikke gelukkig zijn met een jongere vriendin, maar helaas heb ik binnen mijn vriendengroep veel nare verhalen meegemaakt, van een oudere guy, die gebruik heeft gemaakt van een veel jonger meisje.
Daarom waarschuw ik, dat je als jong meisje goed na moet denken over de intenties van oudere jongens, ondanks dat, dat natuurlijk lastig is als je zo jong bent en door een roze bril kijkt, vooral als de jongen zoveel ouder is.
Ook heb ik meerdere nare verhalen toegestuurd gekregen over [geïntimeerde] van meisjes die toentertijd ver ver onder de 18 waren en die net als ik ook bereid zijn om hun hele verhaal op tafel te gooien. Wij zijn bereid, deze informatie te delen met kanalen, die hier wat mee kunnen en hier wat dieper op in willen gaan, dus als dit het geval is neem dan alsjeblieft contact met mij op. Mijn intentie is nooit geweest om in de belangstelling te staan, want ik heb een goede baan een leuke vriend etc., alleen ik krijg nog steeds berichtjes over [geïntimeerde] van minderjarige meisjes, met de meest verschrikkelijke verhalen en ik wil gewoon, dat hij stopt met slachtoffers maken.”
3.9
Op 11 januari 2023 is een uitzending van [naam programma] online geplaatst. [co-presentator] heeft [appellante] in die uitzending “Zoef de haas” genoemd, daarbij kennelijk doelend op haar voortanden. [co-presentator] heeft in die uitzending gezegd dat [appellante] slecht was in seks, waarop [geïntimeerde] heeft gezegd: “het was verschrikkelijk.” [co-presentator] heeft verder gezegd dat [geïntimeerde] tegen hem heeft gezegd dat [appellante] niet lekker rook. [geïntimeerde] heeft [appellante] drie keer “snol” genoemd.
3.1
[appellante] heeft op 31 januari 2023 aangifte tegen [geïntimeerde] gedaan van smaad/smaadschrift.
3.11
Op 3 maart 2023 is [geïntimeerde] als slachtoffer betrokken geweest bij een steekincident. Hij is daarbij aan zijn gezicht gewond geraakt.
3.12
[geïntimeerde] heeft op 22 maart 2023 aangifte tegen [appellante] gedaan van smaad en laster. Bij vonnis van 21 oktober 2024 is [appellante] door de politierechter veroordeeld tot een geldboete wegens smaad. Zij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
3.13
Na het vonnis in eerste aanleg in deze zaak, heeft [geïntimeerde] in het programma [naam programma] aandacht aan dat vonnis besteed.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard en gevorderd dat zij wordt veroordeeld (vanwege het schaden van zijn eer en goede naam) tot betaling van € 25.000,-, te vermeerderen met rente.
4.2
[appellante] heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie) dat [geïntimeerde] (vanwege onrechtmatig handelen jegens haar) wordt veroordeeld tot betaling van € 7.500,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade. Zij heeft verder gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot verwijdering op zijn accounts van alle informatie over [appellante] , alsmede dat hij een rectificatie plaatst die inhoudt dat [appellante] niets heeft te maken met het steekincident waarvan [geïntimeerde] slachtoffer is geworden, dat zij hem nooit pedofiel heeft genoemd en dat zij er niets mee te maken heeft dat er pedohunters aan zijn deur hebben gestaan. Verder vorderde zij dat het [geïntimeerde] zou worden verboden afbeeldingen van [appellante] te gebruiken en dat [geïntimeerde] wordt bevolen te stoppen met stalken, beschuldigen en zwart maken van [appellante] . Tot slot vorderde zij dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot betaling van een volledige proceskostenveroordeling.
4.3
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] gedeeltelijk toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 7.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellante] is ook veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen. Ook in reconventie is [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellante] is in hoger beroep gekomen. Zij vordert dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. Zij vordert verder (ten aanzien van de vorderingen c-g op straffe van een dwangsom):
a) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig tegenover [appellante] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [appellante] heeft geleden en die wordt begroot op € 25.000,-;
b) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 25.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente;
c) [geïntimeerde] te veroordelen om de uitzendingen van [naam programma] van 9 december 2020, 23 juni 2021, 11 januari 2023, 18 januari 2023, 18 oktober 2023, 1 november 2023 en 17 januari 2024, en alle verwijzingen daarnaar en promotie daarvoor, te verwijderen;
d) [geïntimeerde] te veroordelen al het beeldmateriaal van [appellante] op
[website]en andere mediakanalen te verwijderen;
e) [geïntimeerde] te veroordelen de termen “snol” en “Zoef de Haas” te verwijderen;
f) [geïntimeerde] te veroordelen ermee te stoppen te suggereren dat [geïntimeerde] op 3 maart 2023 is gestoken vanwege uitlatingen van [appellante] in de filmpjes;
g) een rectificatie te plaatsen op
[website]en andere social media;
h) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
5.2
[geïntimeerde] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, en hij vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank deels vernietigt ten aanzien van zijn incidenteel appel en verder bekrachtigt.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

6.1
Partijen maken elkaar over en weer verwijten die er in de kern op neerkomen dat zij elkaars eer en goede naam beschadigen en hebben beschadigd.
6.2
De vraag die moet worden beantwoord is of de uitlatingen van partijen (over en weer) onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze zaak is sprake van twee botsende rechten: het recht op de vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de reputatie van ieder van partijen. Het eerste recht wordt beschermd door artikel 10 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat betrekking heeft op de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. Het recht op bescherming van de eer en goede naam valt onder het recht op privacy van artikel 8 EVRM Pro.
6.3
Het is niet zo dat een van de twee rechten in het algemeen zwaarder weegt dan het andere. De vraag aan welk van beide rechten in een concreet geval meer gewicht toekomt (en dus of al dan niet sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro), moet worden gevonden door een afweging van de omstandigheden van het geval.
6.4
Naast de aard van de uitlatingen zijn in dit geval in ieder geval de volgende omstandigheden (gezichtspunten) van belang:
a) dragen de uitlatingen bij aan een debat over een zaak van algemeen belang?
b) wie doet de uitlatingen?
c) hebben de uitlatingen voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal?
d) de inkleding van de uitlatingen.
e) de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt.
f) over wie gaan de uitlatingen?
g) de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben.
6.5
Het hof zal de stellingen van partijen tegen de achtergrond van dit juridische kader bespreken.
De verwijten die [geïntimeerde] [appellante] maakt
6.6
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding de volgende verwijten aan [appellante] gemaakt:
a) Met de twee filmpjes heeft [appellante] de indruk gewekt dat [geïntimeerde] minderjarige meisjes misbruikt;
b) [appellante] heeft vervolgens vervalst bewijsmateriaal gebruikt om te verspreiden aan derden, waaronder pedohunter-groepen;
c) Zij heeft een telefoongesprek waarin [geïntimeerde] aan een vrouw vraagt om een naaktfoto, op Youtube geplaatst en daarbij gezegd dat het ging om een minderjarige vrouw, terwijl zij meerderjarig was.
6.7
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] reeds met de filmpjes onrechtmatig heeft gehandeld en dat daarom de overige verwijten onbesproken kunnen blijven. Zoals hierna zal blijken is het hof van oordeel dat de grieven die [appellante] tegen dit oordeel van de kantonrechter aanvoert, niet slagen. Dat betekent dat ook in hoger beroep de overige verwijten die [geïntimeerde] aan [appellante] maakt, onbesproken kunnen blijven. Het incidentele beroep van [geïntimeerde] heeft namelijk alleen betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat het tweede filmpje niet op Tiktok is geplaatst, maar niet op de hoogte van de toegewezen schadevergoeding.
6.8
Met betrekking tot de filmpjes oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het eerste filmpje op Tiktok is geplaatst. Partijen verschillen erover van mening of het tweede filmpje al dan niet op Tiktok is geplaatst. Het hof heeft de indruk dat dit wel het geval is, omdat op het filmpje het “watermerk” Tiktok te zien is (overigens is dit ook de stelling van [appellante] zelf in eerste aanleg, zie 2.30 conclusie van antwoord). Daarmee hoeft het appbericht dat [appellante] in de app-groep heeft geplaatst en waarin zij heeft aangegeven het filmpje niet te zullen plaatsen, niet vervalst te zijn, zoals [geïntimeerde] stelt. Het is ook denkbaar dat [appellante] van mening is veranderd. Doorslaggevend acht het hof dit niet omdat in ieder geval vaststaat dat [appellante] het tweede filmpje in de appgroep heeft verspreid. In die appgroep zaten mensen die stelden dat zij vervelende ervaringen met [geïntimeerde] hadden. Hoe groot die appgroep was, staat in deze procedure niet vast. Uit het feit dat [co-presentator] en [geïntimeerde] kans hebben gezien (met behulp van een stroman) deel uit te maken van de appgroep, volgt wel dat van een daadwerkelijk gesloten groep geen sprake was. Dat volgt ook uit het feit dat iemand van het programma Shownieuws lid was van de appgroep. Het plaatsen van het tweede filmpje in de appgroep beschouwt het hof daarom ook als een vorm van openbaarmaking. [appellante] had bovendien kunnen bedenken – en daarmee dus rekening moeten houden – dat het filmpje vanuit die appgroep breder verspreid zou kunnen worden. Dat er, zoals [appellante] stelt, in strafrechtelijke zin geen sprake is van voorwaardelijk opzet is in deze civiele procedure niet doorslaggevend.
6.9
Ten aanzien van de aspecten die bepalen of een bepaalde uitlating al dan niet onrechtmatig is, oordeelt het hof als volgt. [appellante] heeft aangevoerd dat zij met haar filmpjes een maatschappelijk probleem aan de orde wilde stellen, dat past in het me-too-kader. Het hof is van oordeel dat wanneer daadwerkelijk een me-too-incident aan de kaak wordt gesteld, de melder daarvan een behoorlijke vrijheid heeft om dat te doen. Die vrijheid is echter niet onbegrensd en doet in het bijzonder niet af aan de verplichting om ware feiten naar voren te brengen of in ieder geval zorgvuldig onderzoek te doen naar de incidenten die openbaar worden gemaakt. Juist beschuldigingen omtrent seksueel grensoverschrijdend gedrag mogen vanwege de ernst ervan en de gevolgen die zij voor de beschuldigde kunnen hebben, niet lichtvaardig worden geuit. Dat [geïntimeerde] een bekende Nederlander is, en daarom een dikkere huid moet hebben, is in algemene zin waar, maar niet wanneer het gaat om beschuldigingen van seksueel misbruik. Ook bekende Nederlanders mogen daaraan niet lichtvaardig worden bloot gesteld.
6.1
Het hof is van oordeel dat [appellante] in haar filmpjes onzorgvuldig met de feiten is omgesprongen en dat zij ten onrechte de indruk heeft gewekt dat [geïntimeerde] minderjarige meisjes zou benaderen en/of zou misbruiken. In de eerste plaats heeft [appellante] in haar filmpje naar voren gebracht dat zij zelf 17 jaar oud was toen [geïntimeerde] haar benaderde. Zij heeft zelf echter [geïntimeerde] benaderd in november 2020, toen zij reeds 18 was. Haar opmerking dat zij als 17-jarige “in zijn spelletjes (is) getrapt” is dus misleidend en wekt de indruk dat [geïntimeerde] een relatie heeft aangeknoopt met een minderjarige. In het eerste filmpje zegt [appellante] vervolgens dat [geïntimeerde] meerdere meisjes in de leeftijd van 17 tot 19 jaar benaderde. Dat dit daadwerkelijk het geval is, heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt.
6.11
In het tweede filmpje zegt [appellante] dat zij meerdere “nare verhalen” toegestuurd heeft gekregen over [geïntimeerde] met meisjes die “ver ver” onder de 18 jaar waren. En daarna zegt zij dat zij “de meest verschrikkelijke verhalen” heeft ontvangen over [geïntimeerde] “van minderjarige meisjes.” Ook hiermee wekt zij de indruk dat [geïntimeerde] (seksuele) relaties aangaat met minderjarige meisjes, zonder dat is gebleken dat [appellante] enig onderzoek heeft gedaan naar het waarheidsgehalte van de meldingen. Juist gelet op de ernst van de beschuldigingen die zij uit, had van haar verwacht mogen worden zich te onthouden van dergelijke uitlatingen zonder gedegen onderzoek naar het waarheidsgehalte ervan.
6.12
Het hof passeert het betoog van [appellante] dat haar beschuldigingen steun vinden in het door haar verzamelde feitenmateriaal. In de appeldagvaarding heeft zij zich in dat verband beroepen (randnummer 88 e.v.) op een aantal berichten dat zij van jonge vrouwen heeft ontvangen. Zoals hiervoor al is overwogen is niet gebleken dat [appellante] enig onderzoek naar de juistheid ervan (of naar de identiteit van de melders) heeft gedaan. Daar komt bij dat de citaten die zij heeft opgenomen juist niet kenbaar betrekking hebben op de belangrijkste beschuldiging, namelijk dat [geïntimeerde] seks zou hebben gehad met minderjarigen. Alle citaten hebben betrekking op vervelende ervaringen in de omgang met [geïntimeerde] , maar dat is niet de kern van de beschuldiging in de filmpjes, en zeker niet het ernstigste aspect ervan. Het hof wijst er in dit verband op dat niet blijkt dat “ [naam 1] ” minderjarig was tijdens haar contact met [geïntimeerde] , terwijl de overige berichten niet duidelijk over seksuele ervaringen gaan. Dat is slechts anders voor “ [naam 2] ”, maar gebleken is dat dit het fake-account was van [co-presentator] en [geïntimeerde] , althans van een door hen ingeschakelde stroman.
6.13
[appellante] heeft het eerste filmpje op Tiktok geplaatst en het tweede filmpje in ieder geval in een appgroep. Daarmee heeft zij haar beschuldigingen feitelijk in de openbaarheid van het internet gedaan en dus gewenst of in ieder geval voor lief genomen dat een grote groep mensen daarvan kennis zou kunnen nemen. Aangezien [geïntimeerde] een zekere bekendheid genoot had zij ermee rekening moeten houden dat haar filmpjes de nodige aandacht zouden krijgen.
6.14
De beschuldiging van misbruik met minderjarige meisjes is ernstig en beschadigend voor de (ten onrechte) beschuldigde. [geïntimeerde] heeft onderbouwd gesteld – en [appellante] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist – dat hij bedreigingen heeft ontvangen na het verschijnen van de filmpjes. [appellante] had zich moeten realiseren dat juist de ernst van de beschuldigingen dit gevolg zou kunnen hebben.
6.15
Per saldo is het hof van oordeel dat [appellante] , door in de feitelijke openbaarheid van het internet ernstige beschuldigingen te uiten zonder gedegen onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte ervan, onrechtmatig heeft gehandeld. In dit geding is niet komen vast te staan dat de beschuldigingen ook maar in enige mate op waarheid berusten.
6.16
Het hof onderschrijft de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de schade en maakt die tot de zijne. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] in belangrijke mate zelf heeft bijgedragen aan de publiciteit rondom het filmpje door in de uitzending van 11 januari 2023 uitgebreid aandacht daaraan te besteden. Het door de kantonrechter begrote bedrag van € 7.500,- past bij de wederzijdse mate van schuld aan de bekendheid die het filmpje heeft gekregen.
6.17
[geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld ten aanzien van de hoogte van de schade. Dat betekent dat zijn verdere verwijten aan [appellante] , die de kantonrechter onbesproken heeft gelaten, ook in hoger beroep onbesproken kunnen blijven, omdat die hoe dan ook niet tot een hogere schadevergoeding kunnen leiden.
6.18
Tegen de achtergrond van het voorgaande falen de grieven van [appellante] , voor zover die zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over haar eigen handelen.
De verwijten die [appellante] [geïntimeerde] maakt
6.19
De verwijten die [appellante] [geïntimeerde] maakt, komen er in het kort op neer dat hij haar in verschillende uitzendingen van [naam programma] heeft beledigd, haar belachelijk heeft gemaakt en seksuele toespelingen heeft gemaakt. Bovendien heeft hij geïnsinueerd dat [appellante] tegen betaling seksuele diensten verricht.
6.2
Bij beoordeling van die verwijten stelt het hof het volgende voorop. Het programma [naam programma] is kennelijk een satirisch programma waarin harde en platte grappen worden gemaakt. De makers van een satirisch programma hebben een zekere vrijheid om anderen op de hak te nemen. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Ook de makers van een satirisch programma past terughoudendheid wanneer het intieme leven van (een van de makers met) een ander wordt besproken, in het bijzonder als die ander geen bekendheid geniet bij een groot publiek. Ook hebben de makers van een satirisch programma niet de vrijheid zonder enige onderbouwing te insinueren dat een ander tegen betaling seksuele diensten verricht. Die terughoudendheid past in het bijzonder tegen de achtergrond van het feit dat het programma [naam programma] kennelijk grote groepen kijkers trekt. Tot slot hebben ook de makers van een satirisch programma niet de vrijheid om hun podium te gebruiken voor het uitvechten van een persoonlijke vete.
6.21
Bij het voorgaande is voor deze zaak van belang dat [naam programma] twee presentatoren kent, maar dat alleen [geïntimeerde] partij is in dit geding. Hij is in beginsel niet aansprakelijk voor het handelen van [co-presentator] . Het (instemmend) reageren op opmerkingen van [co-presentator] kan echter een eigen onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] zijn.
6.22
Tegen de achtergrond van het voorgaande oordeelt het hof als volgt. De verwijten van [appellante] hebben in de eerste plaats betrekking op de uitzending van 9 december 2020. Het hof is van oordeel dat die verwijten geen doel treffen. Het hof acht de behandeling die [appellante] daar ten deel is gevallen weinig subtiel en tot op zekere hoogte ongepast ten opzichte van een jonge vrouw. Daar staat tegenover dat het vooral [co-presentator] is die de seksueel getinte opmerkingen maakt (en de daarop duidende armgebaren maakt). Er staat verder tegenover dat [appellante] zelf [geïntimeerde] heeft benaderd omdat zij bekend wilde worden en vrijwillig aanwezig was bij de opname van de uitzending. Het hof gaat ervan uit dat zij op dat moment het karakter van het programma kende, zodat zij wist, althans had moeten weten, wat zij kon verwachten. Dat tijdens het programma foto’s van [appellante] zijn gebruikt zonder haar toestemming is tegenover de betwisting door [geïntimeerde] niet voldoende onderbouwd.
6.23
Op 23 juni 2021 is er ook een aflevering van [naam programma] gepubliceerd. Volgens [appellante] is ook in die aflevering onrechtmatig jegens haar gehandeld. Zij heeft onbetwist gesteld dat [geïntimeerde] in die aflevering onder meer heeft gezegd dat [appellante] op Onlyfans werkzaam is en daar naaktfilmpjes heeft staan. Ook zou [appellante] hem een trio hebben aangeboden met een andere “bekende Nederlander” die op Onlyfans werkzaam is. Tot slot zou [geïntimeerde] hebben bevestigd dat [appellante] werkzaam is in de porno-industrie. Het hof is van oordeel dat dit uitlatingen zijn die [appellante] als (mens en in het bijzonder als) model hebben kunnen beschadigen en dat [geïntimeerde] zich dit heeft moeten realiseren. Dat deze uitlatingen enig waarheidsgehalte hebben, heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Voor die uitlatingen was, met andere woorden, geen aanleiding en geen rechtvaardiging, terwijl zij voor [appellante] beschadigend zijn. Daarmee heeft [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld.
6.24
Ook ten aanzien van de uitzendingen die zijn verschenen na de Tiktok-filmpjes is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. In de uitzending van 11 januari 2023 heeft [geïntimeerde] uitgebreid aandacht besteed aan het Tiktok-filmpje van [appellante] . Op zichzelf stond hem dat vrij, ook om zich te verweren tegen de aantijgingen van [appellante] . Wat in het programma gebeurt, gaat echter veel verder dan enkel verweer te voeren tegen die aantijgingen, maar krijgt eerder het karakter van een persoonlijke afrekening met [appellante] . Voor dat verweer was het immers niet nodig haar uit te maken voor “snol” en evenmin was het nodig in het programma op te merken dat de seks met [appellante] “verschrikkelijk” was of dat zij niet lekker rook en een schimmelinfectie had. Feitelijk wordt [appellante] in deze uitzending op een seksueel getinte wijze afgebrand. De uitzending heeft daarmee eerder het karakter van een afrekening dan van een verweer en is daarmee onrechtmatig. Dat geldt temeer daar [geïntimeerde] zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij met zijn programma een groot bereik heeft van, naar hijzelf stelt, soms 1,5 miljoen kijkers.
6.25
[appellante] heeft verder gesteld dat in de uitzending van 18 januari 2023 onrechtmatig is gehandeld omdat zij in die uitzending een leugenaar is genoemd. Het hof acht dat niet onrechtmatig, omdat het past in de vrijheid die [geïntimeerde] had om zich te verweren tegen de aantijgingen die [appellante] heeft gedaan én omdat hiervoor is geoordeeld dat zij in haar filmpjes uitlatingen over [geïntimeerde] heeft gedaan die niet op de feiten zijn gebaseerd. Uit de transcriptie van de uitzending (productie 1 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg) volgt niet dat [geïntimeerde] in die uitzending seksuele toespelingen heeft gemaakt.
6.26
In de uitzending van 17 mei 2023 is [appellante] afgebeeld met grote tanden, een grote neus en konijnenoren. Net als het gebruik van de naam “Zoef de haas” is het allemaal buitengewoon flauw, maar gelet op het karakter van het programma niet onrechtmatig. Ten aanzien van de in het petitum ook genoemde uitzending van 18 oktober 2023 heeft [appellante] niet voldoende onderbouwd dat daarin jegens haar onrechtmatig is gehandeld.
6.27
Ten aanzien van de uitzendingen die na het bestreden vonnis zijn gemaakt (op 1 november 2023 en 17 januari 2024) en waarin aandacht is besteed aan deze kwestie, is het hof van oordeel dat die ook niet onrechtmatig zijn. Weliswaar kan ook ten aanzien van die uitzendingen getwist worden over de goede smaak ervan (ook hier wordt [appellante] met hazentanden afgebeeld), maar het stond [geïntimeerde] op zichzelf vrij in zijn programma aandacht te besteden aan de uitkomst van deze procedure in eerste aanleg. Dat [appellante] daarbij is genoemd, is logisch en onvermijdelijk.
6.28
[appellante] heeft een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 25.000,-. Deze bestaat voor € 17.500,- uit gederfde inkomsten en voor € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade.
6.29
Ten aanzien van de immateriële schade begroot het hof deze op hetzelfde bedrag als de schade die [geïntimeerde] heeft geleden, dus op € 7.500,-. Dat bedrag past bij de ernst van de uitlatingen die over [appellante] zijn gedaan. Dat partijen tot dezelfde schadevergoeding worden veroordeeld past ook bij het gegeven dat zij zich ieder schuldig hebben gemaakt aan het gedrag dat zij de ander verwijten.
6.3
Ten aanzien van de materiële schade is het hof van oordeel dat [appellante] deze niet voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar inkomsten tot 2023 en in het verloop van haar inkomsten daarna. De schriftelijke verklaring van haar agent [naam 3] acht het hof niet voldoende concreet. Hij verklaart slechts in algemene zin dat het schadelijk voor een modellencarrière kan zijn om in verband te worden gebracht met een schandaal. Maar voorbeelden waaruit blijkt dat juist de uitlatingen van [geïntimeerde] schadelijk zijn geweest voor de carrière van [appellante] , ontbreken.
6.31
Uit de verklaring van sportpsycholoog [naam 4] van 22 december 2023 volgt evenmin dat [appellante] in haar carrière last heeft gehad van deze kwestie. Met de mogelijke psychische gevolgen van het handelen van [geïntimeerde] is rekening gehouden bij de hoogte van de immateriële schadevergoeding.
Verwijdering beeldmateriaal?
6.32
Het hof heeft hiervoor overwogen dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld in de uitzendingen van 23 juni 2021 en 11 januari 2023. Daarbij past dat het beeldmateriaal over [appellante] in die uitzendingen wordt verwijderd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen het beeldmateriaal binnen twee weken na betekening van dit arrest te verwijderen en verwijderd te houden. Het hof ziet aanleiding om, zoals gevorderd, aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden van € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Voor het overige is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] op onrechtmatige wijze beeldmateriaal van [appellante] heeft gebruikt.
6.33
[appellante] heeft onder meer gesteld dat in de uitzending van 9 december 2020 beeldmateriaal van haar is gebruikt zonder dat zij daarvoor toestemming heeft gegeven. Die stelling is in strijd met de schriftelijke verklaring van [co-presentator] van 11 september 2023, waarin onder meer is opgenomen dat [appellante] zelf foto’s heeft aangeleverd. Ook in de schriftelijke verklaring van [naam 5] van 11 september 2023 is opgenomen dat [appellante] heeft ingestemd met het gebruik van haar foto’s. Gelet op de (goede) verhouding die op dat moment tussen partijen bestond en het feit dat [appellante] met [geïntimeerde] contact had gezocht omdat zij via een van zijn programma’s beroemd wilde worden, acht het hof het aannemelijk dat [appellante] toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar foto’s, terwijl de verklaringen van [co-presentator] en [naam 5] door [appellante] niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken.
6.34
In grief 12 heeft [appellante] opgenomen dat zij wil dat [geïntimeerde] geen beeldmateriaal van haar meer gebruikt. Die vordering is echter niet terug te vinden in het petitum van de appeldagvaarding. Gelet op de reactie van [geïntimeerde] op grief 12 heeft hij de stellingen van [appellante] zo begrepen dat inderdaad ook in hoger beroep wordt gevorderd in de toekomst geen beeldmateriaal van haar meer te gebruiken. [geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep toegezegd dat niet meer te zullen doen (91 memorie van antwoord). Het hof zal daarom deze vordering toewijzen. Het komt het hof ook veruit het beste voor dat [geïntimeerde] en [appellante] elkaar voortaan met rust laten. Gelet op de toezegging van [geïntimeerde] , acht het hof de oplegging van een dwangsom niet nodig.
6.35
De vordering die ertoe strekt dat [geïntimeerde] al het beeldmateriaal verwijdert waarin de termen “snol” en “Zoef de haas” zijn gebruikt is te onbepaald omdat niet in algemene zin kan worden aangenomen dat het gebruik van die termen steeds onrechtmatig is.
Rectificatie
6.36
[appellante] vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld een rectificatie te plaatsen die – kort gezegd – inhoudt dat [appellante] niets te maken heeft met het steekincident. Aan die vordering legt [appellante] in hoger beroep ten grondslag dat [geïntimeerde] in de uitzending van 5 april 2023 heeft gezegd te weten wie er verantwoordelijk is voor het steekincident. Daarom, zo stelt [appellante] , staan de uitlatingen van [geïntimeerde] in die uitzending haaks op zijn stellingen in deze procedure.
6.37
Zo bezien heeft [appellante] geen belang bij haar vordering. Immers, in het openbaar heeft [geïntimeerde] volgens de eigen stellingen van [appellante] uitlatingen gedaan die er juist niet op wijzen dat [appellante] verantwoordelijk is voor het steekincident. Het ligt niet erg voor de hand dat in brede kring bekend wordt dat in deze procedure een andere stelling door [geïntimeerde] is ingenomen. Als [appellante] bedoelt te stellen dat [geïntimeerde] ook overigens op social media uitlatingen heeft gedaan die in dit verband onrechtmatig zijn, heeft te gelden dat zij in hoger beroep niet voldoende specifiek heeft aangegeven welke uitlatingen dat zijn. Overigens komt het het hof voor dat iedere vorm van aandacht die partijen in het openbaar nog aan elkaar besteden, onwenselijk is en juist tot meer onwenselijke aandacht leidt, zodat ook zo bezien een rectificatie beter achterwege kan blijven.
6.38
[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] haar in de toekomst weer in verband zal brengen met het steekincident. De vordering die ertoe strekt dat het hem wordt verboden dat te doen, is daarom niet toewijsbaar.
Bewijsaanbod
6.39
[appellante] heeft bewijs aangeboden door het horen van een groot aantal getuigen die kunnen verklaren over “het gedrag van [geïntimeerde] tegenover vrouwen.” Dat aanbod is te onbepaald, mede tegen de achtergrond van het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, [appellante] haar stellingen over het gedrag van [geïntimeerde] , en meer specifiek haar stelling dat hij (seksuele) relaties zou aanknopen met minderjarigen, niet van een voldoende onderbouwing heeft voorzien.
6.4
Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt gepasseerd omdat het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst leiden. Het heeft bovendien betrekking op getuigen die schriftelijk hebben verklaard en [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat die getuigen (waaronder hijzelf) meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
Het voorwaardelijk incidenteel appel
6.41
Het is het hof niet duidelijk geworden wat [geïntimeerde] met het voorwaardelijk incidenteel appel wil bereiken, en evenmin is duidelijk onder welke voorwaarde het is ingesteld. In ieder geval heeft hij niet duidelijk naar voren gebracht dat hij een ander dictum nastreeft. In zoverre is het incidenteel appel onnodig ingesteld en behoeft het geen verdere bespreking. Ook overigens is het incidenteel appel onnodig ingesteld. De devolutieve werking van het appel brengt immers mee dat de verworpen of onbesproken stellingen van [geïntimeerde] bij het slagen van een of meer grieven van [appellante] , weer aan de orde komen (voor zover relevant). Een kostenveroordeling voor dit onnodig ingestelde incidenteel appel blijft achterwege.
Conclusie en proceskosten
6.42
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] gedeeltelijk slaagt. Daarom zal het hof het vonnis gedeeltelijk vernietigen en de hierna volgende veroordeling uitspreken. Bij de gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [appellante] geen belang. De wettelijke rente over de schadevergoeding zal worden toegewezen vanaf 11 januari 2023, zoals gevorderd en niet weersproken. Het is niet noodzakelijk dat de volledige uitzendingen van [naam programma] waarmee onrechtmatig jegens [appellante] is gehandeld, worden verwijderd. Voldoende is dat de passages die over [appellante] gaan, worden verwijderd. Wanneer die passages zijn verwijderd, bestaat er geen belang meer bij de vordering om alle verwijzingen daarnaar en promotie daarvoor, te verwijderen.
6.43
Partijen zijn in hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten in die zin zullen worden gecompenseerd dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. In eerste aanleg is [appellante] terecht veroordeeld in de kosten in conventie. In reconventie heeft te gelden dat partijen over en weer in het ongelijk hadden moeten worden gesteld, zodat de proceskosten hadden moeten worden gecompenseerd. Het hof zal dat alsnog doen. [appellante] heeft niet gevorderd dat de door haar reeds betaalde proceskosten uit eerste aanleg aan haar worden terugbetaald, zodat een daartoe strekkende veroordeling achterwege blijft (dat laat onverlet dat met de vernietiging van het vonnis de grondslag voor die betaling wegvalt).

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2023 voor zover in reconventie gewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 7.500,- aan [appellante] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 januari 2023;
  • gebiedt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit arrest alle passages die betrekking hebben op [appellante] te verwijderen (en verwijderd te houden) uit de uitzendingen van [naam programma] (op alle media waar die uitzendingen zijn gepubliceerd en nog zichtbaar zijn) van 9 december 2020, 23 juni 2021 en 11 januari 2023, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-;
  • verbiedt [geïntimeerde] om in de toekomst nog beeldmateriaal van [appellante] te gebruiken;
  • compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. M.P.J. Ruijpers en mr. T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.