Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:374

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.355.800/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 BWArt. 7:670b lid 2 BWArt. 7:673 BWArt. 7:900 BWArt. 6:228 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernietigt vaststellingsovereenkomst wegens dwaling en oordeelt over onregelmatig ontslag op staande voet

Werknemer [appellant] werd tijdens arbeidsongeschiktheid op staande voet ontslagen door werkgever Intro Horeca Payrolling B.V. wegens vermeend voorwenden van medische beperkingen. Gelijktijdig werd een vaststellingsovereenkomst aangeboden en ondertekend. Na de wettelijke bedenktijd trok werkgever het ontslag op staande voet in. Later bleek dat werknemer geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering.

In hoger beroep vernietigt het hof de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling, omdat werknemer onvoldoende werd geïnformeerd over de gevolgen voor zijn uitkeringsrechten en geen reële gelegenheid kreeg tot juridische bijstand. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was wegens het ontbreken van een dringende reden, mede gelet op medische rapportages die de arbeidsongeschiktheid bevestigen.

Het hof kent werknemer een billijke vergoeding toe wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en een transitievergoeding. De vaststellingsovereenkomst wordt buiten toepassing verklaard en de bestreden beschikking vernietigd. Tevens wordt werkgever veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof vernietigt de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling, oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en kent een billijke vergoeding en transitievergoeding toe aan de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.355.800/01
zaaknummer rechtbank Rotterdam: 11493837 RP VERZ 25-50044
beschikking van 13 februari 2026
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. J.M. Eerkes te Den Haag,
tegen
Intro Horeca Payrolling B.V.,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: Intro,
advocaat: mr. S.M. Krassenburg te Den Haag.

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellant] is tijdens arbeidsongeschiktheid op staande voet ontslagen omdat hij zijn medische beperkingen zou voorwenden. Gelijktijdig met de aankondiging van het ontslag op staande voet, heeft Intro hem ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vaststellingovereenkomst aangeboden, die hij heeft ondertekend. Na de bedenktijd van veertien dagen heeft Intro het ontslag op staande voet ingetrokken. Nadien bleek dat [appellant], anders dan hem was voorgehouden, geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering.
1.2.
Het hof vernietigt de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling. Intro heeft [appellant], die niet voorzien was van juridische bijstand, onjuist voorgelicht over zijn aanspraken op een uitkering. Ook oordeelt het hof dat Intro het ontslag op staande voet niet heeft kunnen intrekken zonder de instemming van [appellant].
1.3.
Het hof komt vervolgens tot de slotsom dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is wegens het ontbreken van een dringende reden. [appellant] krijgt onder meer een billijke vergoeding toekend.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij beroepschrift tevens houdende wijziging van gronden en eis (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 16 juni 2025, in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking). [appellant] heeft bij het beroepschrift de processtukken in eerste aanleg (inclusief het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak) overgelegd.
2.2.
Intro heeft een verweerschrift in het principaal beroep tevens incidenteel beroepschrift, met producties, ingediend.
2.3.
Van [appellant] is een verweerschrift in incidenteel beroep ontvangen.
2.4.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 12 september 2025 ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Bij die gelegenheid hebben beide genoemde advocaten het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond, verzoek en oordeel van de kantonrechter

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
Intro is een onderneming die zich bezighoudt met het verlenen van payrolldiensten binnen de horecasector.
3.2.
[appellant] heeft van 6 april 2015 tot 19 november 2024 bij Restaurant de Waterreus gewerkt als afwasser, vanaf 1 mei 2021 met Intro als werkgever, eerst voor bepaalde tijd en sinds 1 januari 2023 voor onbepaalde tijd. Zijn gemiddelde arbeidsomvang was 165 uur per maand, en zijn uurloon bedroeg laatstelijk € 13,68 bruto per uur. Volgens de cao Horeca voor 2025 bedraagt het bruto uurloon voor deze functie inmiddels € 14,06 per uur.
3.3.
Op 27 maart 2024 heeft [appellant] zich ziek gemeld wegens onder meer rugklachten. Hij is diverse malen op spreekuur bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts schrijft in de terugkoppeling van 12 april 2024 dat [appellant] een specialistische behandeling krijgt, dat hij zeer forse medische klachten en beperkingen heeft en dat de verwachting is dat de belastbaarheid over een langere periode zal toenemen. Uit de vervolgrapportages (mei tot en met oktober 2024) volgt een vergelijkbaar en ongewijzigd beeld. Desondanks wordt gestart met re-integratie van enkele uren per week. De bedrijfsarts heeft de re-integratie in september 2024 ‘on hold’ gezet in verband met een toename van beperkingen bij [appellant]. Intro heeft in haar reactie op de adviezen van de bedrijfsarts meermalen aangegeven dat zij het niet eens was met de beslissing van de bedrijfsarts en het stagneren van de re-integratie.
3.4.
In de loop van 2024 ontstonden er bij Intro twijfels over de juistheid van de ziekmelding: [appellant] zou tijdens een bezoek aan de bedrijfsarts ‘
nagenoeg kruipend’ met een stok binnen zijn gekomen, terwijl er even later, buiten het zicht, niets aan de hand leek te zijn. Ook zou hij zelfstandig met het openbaar vervoer (OV) reizen terwijl hij van de bedrijfsarts niet meer hoefde te re-integreren in verband met reisproblemen.
3.5.
Intro heeft in oktober 2024 een recherchebureau (Incognito) ingeschakeld, dat op diverse data in 2024 observaties heeft verricht. Intro heeft hiervan video-opnamen en afzonderlijke observatierapporten opgemaakt. Het recherchebureau constateerde – samengevat – dat [appellant] zich op kantoor anders gedroeg dan daarbuiten, dat hij strompelde bij aankomst op kantoor en nauwelijks zonder behulp van een kruk kon lopen. Eenmaal uit het zicht van kantoor liep [appellant] soepel en normaal, zonder behulp van een kruk en zonder te strompelen. Daarnaast werd geconstateerd dat [appellant] alleen met het OV reisde naar kantoor.
3.6.
[appellant] is uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van Intro op 19 november 2024. Daar waren aanwezig: een manager van Intro, een medewerker van het recherchebureau en de advocaat van Intro. [appellant] heeft tijdens het gesprek zijn (-inmiddels- ex)partner gebeld en zij is in het gesprek betrokken, onder meer als tolk omdat [appellant] de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. [appellant] werd geconfronteerd met de bevindingen van het recherchebureau en hem is meegedeeld dat Intro hem op staande voet wilde ontslaan. [appellant] zou zijn klachten en beperkingen stelselmatig overdrijven en een onjuist beeld hebben geschetst van zijn ziekte en daarmee niet alleen de werkgever, maar ook de bedrijfsarts en andere betrokken deskundigen hebben misleid.
3.7.
In hetzelfde gesprek heeft Intro aan [appellant] een reeds opgemaakte vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) aangeboden. [appellant] heeft deze nog tijdens het gesprek ondertekend. De vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)
IN AANMERKING NEMENDE:
(…)
F. dat Werkgever daarop het initiatief heeft genomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen en een beëindigingsvoorstel heeft gedaan;
G. dat aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van Pro het Burgerlijk Wetboek ten grondslag ligt en dat Werknemer ook anderszins van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt;
H. dat Partijen gezien het voorgaande bij elkaar te rade zijn gegaan en zij overeenstemming hebben bereikt over een beëindiging van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst en de daaraan te verbinden gevolgen;
I. dat Partijen de tussen hen overeengekomen voorwaarden wensen vast te leggen in de onderhavige vaststellingsovereenkomst, waarbij Partijen vaststellen dat de gemaakte afspraken na zorgvuldige afwegingen over en weer en door middel van besprekingen tot stand zijn gekomen en aan elkaar zijn bevestigd;
(….)
K. dat partijen goed op de hoogte zijn van de aard, omvang en gevolgen van de gemaakte afspraken en zij beiden in de gelegenheid zijn geweest om ter zake juridische bijstand in te roepen;
L. dat Werknemer op grond van art. 7:670b lid 2 van het Burgerlijk Wetboek het recht heeft om deze vaststellingsovereenkomst binnen veertien dagen na de datum van ondertekening te ontbinden door een schriftelijke, aan Werkgever gerichte, verklaring en Werkgever haar hierop heeft geattendeerd.
VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

1.Beëindiging arbeidsovereenkomst

1.1
De tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 31 december 2024, hierna te noemen: 'de Einddatum' met inachtneming van de opzegtermijn van een maand.
1.2.
Werkgever zal aan Werknemer geen beëindigingsvergoeding (ex artikel 7:673 van Pro het Burgerlijk Wetboek of anderszins) uitkeren.
(...)

5.Arbeidsongeschikt bij/na einde dienstverband

5.1.
Indien Werknemer voor de Einddatum arbeidsongeschikt raakt, leidt dit niet tot wijziging van de gemaakte afspraken in deze overeenkomst.
5.2.
Indien Werknemer op het moment van beëindiging van deze overeenkomst arbeidsongeschikt is wegens ziekte en in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Ziektewet of WIA WGA, dient Werknemer zich strikt te houden aan de voorschriften en richtlijnen die ter zake van ziekte en arbeidsongeschiktheid door of namens het UWV zijn of worden uitgevaardigd.
(…)

7.Uitkering

7.1
Werknemer doet op zo kort mogelijke termijn na ondertekening van deze overeenkomst een aanvraag en voor de Einddatum voor een WW-uitkering bij het UWV en meldt dit schriftelijk aan Werkgever onder overlegging van een kopie van het aanvraagformulier.
7.2
Voor zover dit gebruikelijk is en redelijkerwijs van Werkgever kan worden gevergd, verleent Werkgever medewerking aan de aanvraag en verkrijging van een WW-uitkering door Werknemer. Werkgever kan Werknemer echter niet garanderen dat zij daadwerkelijk een uitkering krijgt (en daarop geen kortingen of sancties worden opgelegd) en kan daarvoor door Werknemer niet verantwoordelijk en/of aansprakelijk worden gesteld.
(...)

10.Slotbepalingen

10.1
Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 van Pro het Burgerlijk Wetboek;
10.2
Werknemer doet hierbij na de veertien dagen als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 van het Burgerlijk Wetboek afstand van haar recht om de ontbinding en/of vernietigbaarheid van deze overeenkomst in te roepen.
10.3
Partijen verbinden zich geen ontbinding, vernietiging of nietigverklaring van deze overeenkomst te zullen vorderen, op grond van enigerlei wanprestatie, dwaling of andere wilsgebreken. (...)
3.8.
Intro heeft [appellant] op 19 november 2024 beter gemeld.
3.9.
Op 20 november 2024 heeft Intro aan [appellant] een schriftelijke bevestiging gestuurd van het ontslag op staande voet waarin onder meer staat:

(…)
De conclusie is dat u uw klachten en beperkingen stelselmatig heeft overdreven en een onjuist beeld heeft geschetst. Hiermee heeft u niet alleen mij als werkgever, maar ook de bedrijfsarts en andere betrokken deskundigen misleid. Het is duidelijk dat u uw re-integratieverplichtingen ernstig heeft verwaarloosd. Uw handelen heeft immers uw herstel en/of genezing belemmerd, doordat u geprobeerd heeft uw re-integratieverplichtingen te ontlopen door de ernst van uw vermeende klachten en/of beperkingen sterk te overdrijven. Uw handelswijze en gedragingen worden dan ook aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten.
Wij hebben u te kennen gegeven dat uw handelwijze in onze visie een dringende reden vormt die ontslag op staande voet, dat u op 19 november 2024 is aangezegd, rechtvaardigt. (…)
3.10.
Intro heeft op 20 november 2024 aan [appellant] een begeleidende brief bij de vaststellingsovereenkomst gestuurd. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...) Zoals besproken op 19 november 2024, heb ik u als alternatief voor het ontslag op staande voet een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangeboden. Deze vaststellingsovereenkomst is door u op 19 november 2024 ondertekend.
Zoals toegelicht in het gesprek kunt u met deze vaststellingsovereenkomst nog aanspraak maken op een WW-uitkering. Indien u de wettelijke bedenktermijn van 14 dagen ongebruikt verstrijkt, zal Intro Horeca Payrolling B.V. het ontslag op staande voet intrekken en worden de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken definitief. Mocht u wel de vaststellingsovereenkomst herroepen, dan blijft het op 19 november 2024 gegeven ontslag op staande voet onverkort in stand. (…)
3.11.
Bij brief van 5 december 2024 heeft Intro, voor zover van belang, het navolgende aan [appellant] geschreven:

(...) Met referte aan ons gesprek op 19 november jl. heb ik vastgesteld dat u geen gebruik hebt gemaakt van de bedenktermijn die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Dit betekent dat de vaststellingsovereenkomst definitief is geworden en dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 31 december 2024 met wederzijds goedvinden eindigt.
Zoals aangekondigd in het gesprek van 19 november jl. wordt het ontslag op staande voet dan ook bij deze ingetrokken. (...)
3.12.
[appellant] heeft bij het UWV een WW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 9 januari 2025 heeft het UWV aan hem meegedeeld dat zijn aanvraag voor een WW-uitkering wordt geweigerd:

(…) U heeft aangegeven dat u ziek bent en hierdoor niet beschikbaar bent voor werk. Daarom kunt u geen WW-uitkering krijgen. (…)
U kunt mogelijk een Ziektewet-uitkering krijgen. U moet zich dan eerst ziek melden. (…)
3.13.
[appellant] heeft een ziektewetuitkering aangevraagd bij het UWV. Hierop is nog niet beslist. [appellant] ontvangt op dit moment een daklozenuitkering.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
In eerste aanleg heeft [appellant] verzocht om vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Volgens [appellant] is de vaststellingsovereenkomst onder invloed van (wederzijdse) dwaling tot stand gekomen. Kern van het betoog van [appellant] is dat Intro heeft nagelaten hem te informeren dat ondertekening van een beëindigingsovereenkomst zou (kunnen) leiden tot het verlies van aanspraak op een WW-uitkering, dan wel een ziektewetuitkering. [appellant] is ziek uit dienst getreden en heeft geconstateerd dat het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, conform de regelgeving van het UWV, wordt aangemerkt als een benadelingshandeling. Hierdoor zal hij (hoogstwaarschijnlijk) geen aanspraak kunnen maken op een ziektewetuitkering en, wegens zijn ziekte, evenmin op een WW-uitkering. De vaststellingsovereenkomst is daarom tot stand gekomen op basis van een onjuiste veronderstelling die rechtstreeks verband houdt met essentiële informatie die Intro hem had moeten verstrekken. Indien [appellant] naar behoren was geïnformeerd over zijn rechten, zou hij de vaststellingsovereenkomst niet hebben ondertekend. Pas na het verstrijken van de wettelijke bedenktermijn is het [appellant] gebleken dat de door Intro verstrekte informatie onjuist (dan wel onvolledig) was. Het verzoek van [appellant] strekt er toe Intro te veroordelen hem te betalen een billijke vergoeding van € 32.782,97, de transitievergoeding, en een gefixeerde schadevergoeding. Hij stelt dat het hem gegeven ontslag op staande voet onterecht is wegens het ontbreken van een dringende reden.
4.2.
Intro heeft gemotiveerd verweer gevoerd, en heeft verzocht [appellant] te veroordelen in de onderzoekskosten van het recherchebureau van € 4.754.65 incl. btw, en de proceskosten. Ook heeft Intro voorwaardelijk de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingeroepen.
4.3.
De kantonrechter heeft alle verzoeken van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Het tegenverzoek van Intro strekkende tot betaling van de onderzoekskosten is afgewezen.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
[appellant] komt tegen deze oordelen op met vijf grieven en hij verzoekt het hof:
I. de vaststellingsovereenkomst te vernietigen, althans te verklaren dat deze niet geldig tot stand is gekomen, althans nietig te verklaren, althans te bepalen dat deze buiten toepassing blijft,
II. (
het hof begrijpt dit als een subsidiair verzoek)de arbeidsovereenkomst van [appellant] te ontbinden,
III. Intro te veroordelen tot betaling van:
( a) een billijke vergoeding van € 32.782,97 bruto,
( b) een transitievergoeding van € 7.427,59 bruto,
( c) een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.315,89,
( d) (
het hof begrijpt dit als een subsidiair verzoek)betaling van het loon vanaf 19 november 2024 tot de dag van ontbinding, inclusief de wettelijke verhoging, vakantiegeld en uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen,
( e) alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente,
( f) de proceskosten in beide instanties.
5.2.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst op 19 november 2024 op onregelmatige en onrechtmatige wijze is beëindigd. Hij wenst het
ontslaguitdrukkelijk niet te vernietigen, maar doet een beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en de rechtsgevolgen van onregelmatige opzegging van het (voorwaardelijke) ontslag op staande voet.
5.3.
Intro heeft zich tegen het beroep verweerd en in het incidentele beroep alsnog veroordeling van [appellant] tot betaling van de onder 4.2 genoemde onderzoekskosten verzocht. [appellant] heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd.
vaststellingsovereenkomst
5.4.
Voor de vraag of de vaststellingsovereenkomst kan worden vernietigd neemt het hof tot uitgangspunt dat de aanvraag van [appellant] voor een WW-uitkering is afgewezen (zie de brief van het UWV in rov. 3.12) en dat de beslissing op het verzoek om een ziektewetuitkering is aangehouden. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de vaststellingsovereenkomst die zij hebben gesloten kan worden vernietigd wegens dwaling. Volgens [appellant] is sprake van dwaling, omdat – zo heeft hij bij grief 2 en in nr. 122 van het beroepschrift toegelicht – Intro in strijd met de norm van goed werkgeverschap [appellant] heeft bewogen tot het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Doordat hij de vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, kan hij – anders dan hij veronderstelde – geen aanspraak maken op een WW-uitkering en evenmin heeft het UWV hem een ziektewetuitkering toegekend. Hij heeft dus in het geheel geen inkomen.
5.5.
Het hof oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd omdat deze onder invloed van dwaling tot stand gekomen is. [appellant] heeft voldoende gemotiveerd dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de vaststellingsovereenkomst niet had gesloten. Dit wordt hierna toegelicht.
5.5.1.
Op grond van art. 6:228 lid 1 aanhef Pro en onder b Burgerlijk Wetboek (BW) kan [appellant] de overeenkomst vernietigen als Intro hem in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten had behoren in te lichten. Kern van de kwestie is dat Intro [appellant], na hem op staande voet te hebben ontslagen, de vaststellingsovereenkomst heeft laten ondertekenen, zonder hem te wijzen op de risico’s die hij liep voor zijn aanspraken op een uitkering gedurende werkloosheid en/of ziekte, en zonder er bij hem op aan te dringen of hem gelegenheid te bieden zich te voorzien van juridische bijstand. Dit terwijl – zo blijkt uit het oordeel van de bedrijfsarts in de diverse rapportages – [appellant] langdurig ziek was en de re-integratie was gestokt. Intro wist, of had – mede gelet op de juridische bijstand van haar advocaat die ook bij de bespreking was die geleid heeft tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst aanwezig – behoren te weten dat geen recht op een WW-uitkering bestaat tijdens ziekte en het sluiten van een vaststellingovereenkomst tijdens ziekte een benadelingshandeling kan opleveren. De enkele betermelding door Intro van [appellant] op 19 november 2024 maakt deze situatie niet anders. Als het UWV daartoe oordeelt, bestaat geen recht op een ziektewetuitkering, terwijl evenmin recht bestaat op een WW-uitkering; Intro had [appellant] hierover moeten inlichten of hem ten minste in de gelegenheid moeten stellen zich van juridische bijstand te voorzien voor advies op dit punt. De enkele verwijzing door Intro naar art. 7.2 van de vaststellingsovereenkomst, waarin is bepaald dat onzekerheid over het verkrijgen van een WW-uitkering voor rekening van de werknemer blijft, volstaat niet.
5.5.2.
In dit verband rekent het hof intro zwaar aan dat [appellant] niet daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld tot een zorgvuldige bezinning en/of beoordeling om de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst te kunnen overzien. De vaststellingsovereenkomst werd aansluitend aan de aanzegging van het ontslag op staande voet voorgelegd in dezelfde bijeenkomst zonder dat er gelegenheid was om juridische bijstand in te roepen (waarbij overigens in de vaststellingsovereenkomst ten onrechte is vermeld dat daarvoor wel gelegenheid is geboden). [appellant] heeft geen reële bedenktijd gekregen tijdens de bespreking; hij werd zonder voorafgaande aankondiging geconfronteerd met de videobeelden van het recherchebureau. Het enkele feit dat de (ex-)partner van [appellant] tijdens de bespreking is gebeld is onvoldoende om te spreken van enige ‘bijstand’ of steun; zij is vooral betrokken geweest als tolk omdat [appellant] de Nederlandse taal niet goed machtig was. [appellant] is verder niet (ook niet kort nadien) bijgestaan of geadviseerd over de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst door een jurist, terwijl in de vaststellingsovereenkomst onder nummer K. (ten onrechte) wél is vermeld dat werknemer in de gelegenheid is geweest om zich juridisch te laten voorlichten. Kennelijk was ook Intro – door wie de vaststellingsovereenkomst is opgesteld – (terecht) van mening dat de inhoud ervan daartoe aanleiding gaf. Het had op haar weg gelegen daar dan ook daadwerkelijk en uitdrukkelijk gelegenheid toe te bieden.
5.5.3.
Dat in de vaststellingsovereenkomst de wettelijke verankerde bedenktermijn van veertien dagen is vermeld leidt niet tot een ander oordeel; [appellant] heeft die periode immers laten verstrijken omdat hij in de (verkeerde) veronderstelling was dat hij aanspraak kon maken op een WW-uitkering. Om die reden heeft hij er ook mee ingestemd dat Intro hem de dag erna heeft beter gemeld.
5.5.4.
Tegelijkertijd lijkt bij [appellant] sprake te zijn geweest van zware druk en een disbalans. Tijdens de bespreking heeft Intro zich laten vertegenwoordigen door drie personen van (enige) status, namelijk de manager, de advocaat van Intro en een medewerker van het recherchebureau, tegenover [appellant] alleen. Ook heeft Intro in de brief van 20 november 2024 (rov. 3.10) onvoorwaardelijk vermeld dat [appellant] met deze vaststellingsovereenkomst aanspraak kan maken op een WW-uitkering waarmee [appellant], ook na het ingaan van de bedenktermijn, nog een keer op het verkeerde been is gezet.
5.6.
Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat Intro ook geen beroep kan doen op de uitsluiting van vernietiging op grond van dwaling. Dit vloeit mede voort uit art. 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en goed werkgeverschap. Dit alles leidt ertoe dat de vaststellingsovereenkomst van 19 november 2024 niet in stand kan blijven, en het hof deze zal vernietigen.
status ontslag op staande voet
5.7.
Vervolgens is de vraag aan de orde of Intro het ontslag op staande voet kon intrekken. Het ontslag op staande voet kan slechts met instemming van [appellant] als werknemer worden ingetrokken. Van een instemming door [appellant] is geen sprake. Die instemming ligt ook niet besloten in de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Omdat de vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht, dus tot het moment waarop de vaststellingsovereenkomst is ondertekend (art. 3:53 BW Pro), moet het er voor gehouden worden dat Intro het ontslag op staande voet op 5 december 2024 (rov 3.11) zonder toestemming van [appellant] heeft ingetrokken. Dat betekent dus dat vaststaat dat Intro [appellant] op staande voet heeft ontslagen en dat het hof toekomt aan de beoordeling van de rechtsgeldigheid daarvan.
rechtsgeldig ontslag op staande voet?
5.8.
Voorop staat dat Intro de stelplicht en bewijslast draagt van de feiten en omstandigheden zie zij ten grondslag legt aan het ontslag op staande voet. Het hof acht het door Intro aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven wegens het ontbreken van een geldige dringende reden. Intro heeft als dringende reden in haar brief van 19 november 2024 vermeld (zie hiervoor in rov. 3.9) dat [appellant] zijn klachten en beperkingen stelselmatig heeft overdreven en een onjuist beeld heeft geschetst ten aanzien van zijn gezondheid, daarmee Intro en de bedrijfsarts heeft misleid en zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft verwaarloosd. In de rapportages van de bedrijfsarts staat echter duidelijk beschreven dat [appellant] medische beperkingen heeft die hem (grotendeels) arbeidsongeschikt maken. De vraag of een werknemer arbeidsongeschikt is of niet, staat ter beoordeling van een (bedrijfs)arts en niet ter separate eigen beoordeling van Intro als werkgever. De bevindingen van het recherchebureau doen hieraan niet af – zij geven naar het oordeel van het hof geen eenduidig beeld – en gaven ook geen grond tot het ultimum remedium van het ontslag op staande voet, zonder daartoe eerst de geëigende wegen te bewandelen om (meer) helderheid te krijgen over de medische situatie van [appellant], zoals een (her)beoordeling van [appellant] of het inwinnen van een onafhankelijk advies bij het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid. Bovendien had Intro minder ingrijpende arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen treffen, zoals opschorting van het salaris. Dat Intro desondanks is overgegaan tot het geven van een ontslag op staande voet, komt voor haar rekening en risico. Uit de overgelegde informatie door [appellant] volgt, ten slotte, over diens medische situatie een ander beeld dan door Intro geschetst, namelijk dat hij voor zijn rugklachten en zenuwpijn in handen en nek onder behandeling stond van een neuroloog, dat hij meerdere behandelingen heeft gehad bij de pijnpoli en (zware) medicijnen gebruikte tegen de pijn. Intro heeft deze informatie niet gemotiveerd betwist.
vergoedingen
5.9.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2, 3 en 5 slagen. De overige grieven hoeven niet behandeld te worden.
5.10.
[appellant] heeft zich nadrukkelijk neergelegd bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst en vraagt geen herstel. Het hof ziet aanleiding om de gevraagde billijke vergoeding aan [appellant] toe te kennen wegens ernstig verwijtbaar handelen van Intro als werkgever. Er bestond geen redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden; deze is dan ook niet op rechtsgeldige wijze geëindigd zodat Intro gehouden is een billijke vergoeding te betalen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de verstrekkende gevolgen van het onrechtmatige ontslag ([appellant] had geen aanspraak op enige uitkering en heeft uit nood een daklozenuitkering moeten aanvragen en gekregen) die aan Intro kunnen worden toegerekend, wijst het hof de navolgende billijke vergoeding toe. Het hof gaat ervan uit dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] zou hebben voortgeduurd gedurende twee jaar na de eerste ziekmelding tot aan 27 maart 2026 en dat [appellant] gedurende die periode in dienst was gebleven bij Intro. Het hof volgt het verweer van Intro niet dat [appellant] binnen enkele maanden zijn werkzaamheden weer volledig zou hebben hervat; het tegendeel volgt uit de analyses van de bedrijfsarts. Intro heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen die tot een ander inzicht leiden. [appellant] heeft dan recht op een billijke vergoeding ter hoogte van zijn loon inclusief vakantiegeld en de waarde van de vakantiedagen vanaf 19 november 2024 tot en 27 maart 2026. Het loon over november 2024 en december 2024 is reeds voldaan door Intro (zoals [appellant] in nr. 47 van het verzoekschrift in eerste aanleg heeft toegelicht), zodat het hof daarmee rekening houdt. Verder houdt het hof rekening met een loondoorbetaling van 75% van het loon na 52 ziekteweken zoals is bepaald in art. 7.2 van de cao-Horeca (en waarmee [appellant] in zijn berekening in nrs. 50-52 en 59 ook heeft gerekend). Dit komt op een totaalbedrag van € 32.782,97, bestaande uit:
€ 6.833,53 bruto (januari tot en met 27 maart 2025)
€ 22.549,44 bruto (27 maart 2025 tot en met 27 maart 2026), en
€ 3.400 bruto (vakantiedagen).
5.11.
Bovendien heeft [appellant] – anders dan Intro betoogt – daarnaast recht op een transitievergoeding ten bedrage van € 7.427,59 bruto. De transitievergoeding is immers naar haar aard een andere vergoeding dan de billijke vergoeding wegens onregelmatig ontslag. Een bedrag gelijk aan de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging is – zoals Intro terecht heeft betoogd – al uitbetaald op grond van de vaststellingsovereenkomst en het verzoek dat er toe strekt dit nogmaals uit te betalen wordt afgewezen.
slot
5.12.
De uitkomst van dit hoger beroep is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Bij deze stand van zaken wordt ook het incidenteel hoger beroep afgewezen. Intro zal worden veroordeeld in de kosten in beide instanties.
5.13.
Het hof begroot de proceskosten bij de kantonrechter aan de zijde van [appellant] op € 677,- aan salaris van de gemachtigde (plus nakosten). Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [appellant] op totaal € 3.131,-, waarvan € 362,- aan griffierecht (na vermindering), € 2.580,- (2 punten x Tarief II à € 1.290,-) aan kosten advocaat en € 189,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), te vermeerderen met de wettelijke rente als verzocht.
5.14.
Intro wordt veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op 645,- (1 punt x 0,5 x Tarief II à € 1.290,-).

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de bestreden beschikking;
en opnieuw rechtdoende:
6.2.
vernietigt de vaststellingsovereenkomst van 19 november 2024 en bepaalt dat deze buiten toepassing blijft;
6.3.
veroordeelt Intro tot betaling aan [appellant] van (a) een billijke vergoeding van € 32.782,97 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf deze uitspraak tot aan de dag van betaling, en (b) een transitievergoeding van € 7.427,59 bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid (te weten, een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd) tot aan de dag van betaling,
6.4.
veroordeelt Intro in de kosten van de eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op in totaal € 677,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze beschikking;
6.5.
veroordeelt Intro in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op in totaal € 3.131,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze beschikking;
6.6.
veroordeelt Intro in de kosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op in totaal € 645,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze beschikking;
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
bepaalt dat als Intro niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze beschikking heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Intro de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Intro deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
6.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, M.T. Nijhuis en J.S. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.