Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
Nijlandia Holding N.V.,
Mitasco Corporation N.V.,
Malone Ltd.,
[naam],
[naam],
Spin Loop B.V.,
Malone Investments SARL,
Sparrhorn Ltd,
Belalp Ltd.,
Delta Tango B.V.,
1.de Staat der Nederlanden, het ministerie van Veiligheid en Justitie,
de Kansspelautoriteit,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 16 april 2024, waarmee appellanten in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2024;
- de memorie van grieven van appellanten, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van de Staat c.s.;
- de bijlagen M tot en met DD die appellanten ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid
geschiktis om de verwezenlijking van één of meer van de door de lidstaat nagestreefde doelen te waarborgen en of zij niet verder gaat dan ter bereiking daarvan
noodzakelijkis.
aanboddoor middel van een verbod. Niet gebleken is dat dit kansspelbeleid inconsistent was doordat de Staat c.s. (bijvoorbeeld) aan de vraagzijde Nederlandse consumenten stimuleerde om aan online kansspelen deel te nemen. Dit laatste volgt ook niet uit het door appellanten als productie H overgelegde bericht.
verdachtworden van overtreding van de wet op de kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, dat ten aanzien van het witwassen sprake is van een
vermoedenen dat zij
vermoedelijkonline casino kansspelen hebben aangeboden op de Nederlandse markt (curs. hof). Tegen deze achtergrond is ook voldoende duidelijk dat de mededeling dat verdachten hun uitvlucht zochten naar een buitenlandse structuur nog steeds is gedaan in het kader van de als zodanig benoemde verdenking. Tot slot hebben de door appellanten aangehaalde passages uit het persbericht over de prioriteit van de aanpak van witwassen voor het OM en de risico’s van online kansspelen een algemeen karakter en leveren (dus) geen schending van de onschuldpresumptie en/of recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van appellanten 1 tot en met 6 op. De grief faalt derhalve.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2024;
- veroordeelt appellanten in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat c.s. begroot op € 3.567,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als appellanten deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als appellanten niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, appellanten de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als appellanten deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.