Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:409

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
22-003066-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 420bis SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen woningfinanciering van 410.000 euro

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens witwassen van een geldbedrag van €410.000 waarmee een woning werd gefinancierd. In hoger beroep oordeelt het hof dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit een strafbaar feit kwam.

Het hof stelt vast dat de verdachte samen met anderen een schijnconstructie heeft opgezet waarbij een hypothecaire lening werd gepretendeerd, terwijl het geld feitelijk afkomstig was van derden. De verdachte heeft geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van het geld en heeft bewust meegewerkt aan de constructie.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep legt het hof een lagere straf op dan de rechtbank: 8 maanden gevangenisstraf geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. De vordering tot verbeurdverklaring van de woning wordt afgewezen vanwege persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf wegens medeplegen witwassen van €410.000; verbeurdverklaring woning afgewezen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003066-18
Parketnummer: 10-750242-16
Datum uitspraak: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
(Onderzoek [zaaksdossier] )
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,- euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
(artikel 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het in beslaggenomen voorwerp, te weten het onroerend registergoed gelegen aan de [adres] , verbeurdverklaard zal worden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt.
Bewijsoverwegingen

Algemeen kader witwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Vervolgens zal de rechter moeten beoordelen of het tenlastegelegde ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ bewezen kan worden verklaard.

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte [verdachte] (verder: de verdachte) heeft op 14 februari 2011 een koopovereenkomst gesloten met [persoon 1] en [persoon 2] (verder: [persoon 1] , [persoon 2] of gezamenlijk aangeduid als: verkopers) ter zake van – verkort weergegeven – een woning gelegen aan de [adres] (verder: de woning) voor een bedrag van € 410.000.
In aanloop naar het sluiten van deze koopovereenkomst heeft de verdachte met medeverdachte [persoon 3] (verder: [persoon 3] ) afgesproken dat [persoon 3] de verdachte zou helpen met de financiering. Omdat de verdachte de overeengekomen koopsom op dat moment niet kon voldoen, werd overeengekomen dat hij met ingang van maart 2011 maandelijks een bedrag van € 1.000 zou betalen aan de verkopers, welk bedrag in mindering zou worden gebracht op de koopsom ten tijde van de overdracht. Voorts heeft de verdachte een huurovereenkomst met verkopers gesloten op grond waarvan hij een bedrag van € 1.200 per maand diende te betalen, de eerste 6 betalingstermijnen in 1 keer te voldoen. Aan deze huurovereenkomst is een proces-verbaal van oplevering van 15 februari 2011 gevoegd. De verdachte heeft de woning in februari 2011 betrokken.
Bij de huur- en koopovereenkomst was [medewerker makelaarskantoor] (verder: [medewerker makelaarskantoor] ), werkzaam bij makelaarskantoor [bedrijf 1] betrokken. [medewerker makelaarskantoor] heeft verklaard dat de verdachte tijdens de onderhandelingen had aangegeven dat hij niet direct kon kopen, maar dat hij zeker wist dat hij na een jaar of 2 wel zou kunnen kopen.
De verdachte heeft verklaard dat [persoon 3] samen met medeverdachten [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) de hypotheek voor de woning heeft geregeld. [persoon 3] had aangegeven de verdachte te willen helpen.
De in Rusland geboren [medeverdachte 2] was in die periode gevolmachtigd om namens een vennootschap genaamd [bedrijf 2] . (verder: [bedrijf 2] ), gevestigd in Panama te handelen. [bedrijf 2] had een bankrekening bij de [naam bank 1] (verder: [naam bank 1] ), van welke rekening [medeverdachte 2] , de
Ultimate Beneficial Ownerin die periode was. [medeverdachte 2] was voorts als enige bevoegd voor die bankrekening.
Ten behoeve van de aankoop van de woning is door [bedrijf 2] via de [naam bank 1] -bankrekening op 18 december 2012 een bedrag van € 41.004,14 – waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,14 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar de rekening van notariskantoor [notariskantoor] (verder: [notariskantoor] ) onder vermelding van dossiernummer [dossiernummer] . Genoemd dossiernummer is blijkens de door de verdediging bij pleidooi overgelegde Eindafrekening van [notariskantoor] (productie 5, verder: de Eindafrekening) het dossiernummer van de levering van de woning aan de verdachte.
Op de betaalrekening van [medeverdachte 2] bij de [naam bank 2] bank is tussen 10 en 14 december 2012 in 12 contante stortingen in totaal een bedrag van € 45.000 ontvangen, tussen 17 en 19 januari 2013 in 17 contante stortingen in totaal een bedrag van € 69.970 en tussen 25 en 29 januari 2013 in totaal een bedrag van € 184.000. Op 18 december 2012 is een bedrag van € 50.000 vanaf die betaalrekening naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] overgemaakt. Op 4 februari 2013 is vanaf de [naam bank 2] betaalrekening van [medeverdachte 2] 4 keer een bedrag van € 50.000 overgemaakt naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] .
Op 29 januari 2013 is op de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 200.000 van het in Dubai gevestigde bedrijf [bedrijf 4] ontvangen en op 5 februari 2013 is vanaf de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 369.004,06 - waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,06 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar [notariskantoor] onder vermelding van ‘hypotheek voor de heer [verdachte] ’.
Uit een analyse van de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] blijkt dat de betaling aan de derdengelden-rekening van [notariskantoor] gezien het saldo niet had kunnen plaatsvinden zonder bovengenoemde ontvangsten van [bedrijf 4] en [medeverdachte 2] .
Op 6 februari 2013 is de woning geleverd aan de verdachte.
Ten behoeve van de financiering van de koopsom is een hypothecaire lening van € 410.000 aan de verdachte verstrekt, waarbij [medeverdachte 2] als schuldeiser is vermeld.
Uit hiervoor genoemde Eindafrekening blijkt dat de verdachte op 8 februari 2013 een bedrag van € 6.894,80, vermeerderd met de reeds gestorte waarborgsom inclusief rente van € 41.061,78, aldus in totaal een bedrag van € 47.956,58 heeft ontvangen van de notaris.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 24 november 2025 verklaard – verkort weergegeven - dat hij [medeverdachte 2] voor het eerst bij de notaris heeft ontmoet, dat hij tot de terechtzitting in hoger beroep niets heeft afgelost en dat hij [medeverdachte 2] niet kan bereiken, omdat hij geen contactgegevens van [medeverdachte 2] heeft.

Beoordeling door het hof

Witwasvermoeden gerechtvaardigd?

Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd dat het bedrag van € 410.000 uit enig misdrijf afkomstig is.
Daarvoor zijn met name van belang de geldstroom en de hypotheekconstructie. Het geld is volgens de verdachte afkomstig van [persoon 3] . Het is deels via contante stortingen op de [naam bank 2] rekening van [medeverdachte 2] naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] en deels via [bedrijf 4] naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] overgeboekt. Vervolgens is dit geld vanaf de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] naar [notariskantoor] overgemaakt. Voor deze ongebruikelijke geldstroom is geen zakelijke verklaring. Daar komt bij dat op papier en bij de notaris [medeverdachte 2] in persoon is opgetreden als hypotheeknemer en geldverstrekker terwijl het bedrag van € 410.000 niet van [medeverdachte 2] afkomstig was maar van [persoon 3] .
Voorts is gebleken dat noch [persoon 3] noch [medeverdachte 2] sinds het verstrekken van genoemd bedrag tot de terechtzitting in hoger beroep aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van deze geldsom of betaling daarvan in termijnen. De hypothecaire geldleenovereenkomst blijkt dus feitelijk geen geldleenovereenkomst te zijn. De geldlening en hypotheekverstrekking vormen, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het hof een schijnconstructie.
Heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd?
De verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen verklaring kan afleggen over de herkomst van het bedrag van € 410.000 omdat hij de herkomst ervan niet kent en evenmin betrokken was bij de geldstromen die hier betrekking op hebben. De verdediging heeft voorts verwezen naar de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] van 1 juni 2018 (het hof stelt vast: 31 mei 2018) (verder: de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] ), die ter terechtzitting in hoger beroep in het geding is gebracht. De verdediging heeft in dat kader opgemerkt dat de contante stortingen die [medeverdachte 2] heeft gedaan, uit diens bedrijven in Rusland afkomstig
kunnen(cursivering van het hof) zijn en dat dit in ieder geval niet is uitgesloten, en, stelt de verdediging, ‘ [bedrijf 4] (…) zou de € 200.000 aan [medeverdachte 2] hebben betaald voor de aankoop van appartementen in Sint Petersburg. Dit sluit de legale herkomst van het geld niet uit en bevestigt dat [medeverdachte 2] zaken deed in Rusland’.
Het hof
Het hof is van oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd omtrent de herkomst van het tenlastegelegde geldbedrag van € 410.000. De verdachte heeft verklaard dat het geld van [persoon 3] afkomstig was en dat hij [medeverdachte 2] voor het eerst bij de notaris heeft ontmoet voor het passeren van de hypotheekakte. De verwijzing door de verdediging naar een tweetal passages uit de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] voldoet evenmin aan het voornoemde criterium. De door de verdachte gegeven verklaring biedt onvoldoende tegenwicht aan het gerechtvaardigde vermoeden dat het bedrag van € 410.000 afkomstig is uit enig misdrijf en geeft geen aanleiding voor het (laten) instellen van een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Het hof concludeert dat het geldbedrag van € 410.000 uit enig misdrijf afkomstig is.

Weet of redelijkerwijs moet vermoeden?

Het hof zal vervolgens de vraag beantwoorden of ten aanzien van de verdachte een van de bestanddelen ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ bewezen kan worden verklaard.
De verdediging
De verdediging heeft in dat verband aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de herkomst van het bedrag van € 410.000, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte zou [medeverdachte 1] ‘bij herhaling hebben gevraagd of de opgetuigde constructie legaal was’, er was een notaris betrokken bij de transactie, de verdachte is ter zake verder niet deskundig en hij heeft een diepgewortelde wil om buiten de criminaliteit te blijven, aldus de verdediging.
Het hof
Het hof oordeelt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat het [persoon 3] en niet [medeverdachte 2] was die voor hem het geldbedrag van € 410.000 zou regelen voor de aankoop van de woning wegens een in het verleden aan [persoon 3] verleende dienst naar aanleiding van een conflict tussen [persoon 3] en (een) zakenpartner(s). Kort voor de afspraak bij de notaris hoorde de verdachte dat er een Russische tolk bij de afspraak aanwezig zou zijn, hetgeen de verdachte bevreemdde. Vervolgens heeft de verdachte [medeverdachte 2] eerst bij de notaris ontmoet. De verdachte heeft voor de totstandkoming van de hypotheek niet met [medeverdachte 2] gesproken, laat staan aan hem gevraagd waarom [medeverdachte 2] en niet [persoon 3] de hypothecaire geldlening aan hem verstrekte. Omtrent de afbetalingen zou [medeverdachte 2] de verdachte naderhand hebben verzekerd ‘dat dat wel goed zou komen’. Evenmin zijn er gegevens uitgewisseld ten behoeve van de termijnbetaling door de verdachte aan [medeverdachte 2] of anderszins gegevens uitgewisseld. Er is wat betreft de tenlastegelegde periode tot 28 februari 2013 en ook nadien noch door [medeverdachte 2] , noch door [persoon 3] om betaling verzocht laat staan enige betaling ontvangen die – samengevat – duidt op betaling in het kader van rente- en/of aflossing van de hypotheek. Er zijn geen afspraken over de aflossing gemaakt. Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden opgemaakt dat in de toekomst betaling werd verwacht danwel zou worden opgeëist. Tevens staat vast dat de verdachte blijkens de Eindafrekening enkele dagen na de hypotheekverstrekking door [medeverdachte 2] een bedrag van € 47.956,58 heeft ontvangen van [notariskantoor] . Dit betekent dat de verdachte het deel van de koopprijs dat hij vóór de levering aan de verkopers had voldaan, heeft teruggekregen en dat dit aan hem is betaald uit de gelden die via de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 2] op de derdenrekening van [notariskantoor] zijn overgemaakt.
Het hof concludeert dat de verdachte aldus bewust heeft meegewerkt aan een constructie die inhield dat een hypotheekakte is opgemaakt waarin vermeld stond dat [medeverdachte 2] een hypotheek aan de verdachte verstrekte, terwijl de verdachte wist dat het geld van een ander afkomstig was. Voorts concludeert het hof dat er geen aflossing van de geldlening heeft plaatsgevonden en dat daarover voor de toekomst geen afspraken zijn gemaakt. Dat impliceert dat de verdachte feitelijk een schijnhandeling heeft verricht, in die zin dat hij naar buiten de schijn heeft gewekt van een normale financiering op basis van een hypothecaire lening, terwijl in werkelijkheid daarvan geen sprake was.
Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat hij op basis van een hypothecaire lening via [medeverdachte 2] ontving, uit misdrijf afkomstig was.
Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(onderzoek [zaaksdossier] )
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te
Barendrecht en/of Rotterdam en/of[plaats] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen
, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althanszich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader
(s
)van voorwerp
(en
), te weten van enig
(e
)geldbedrag
(en
)van
(in
hettotaal
ongeveer)410.000,- euro
, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/ofde herkomst
en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/ofverhuld
en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende isen/of enig
(e
)geldbedrag
(en
)verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of gebruik gemaaktterwijl hij, verdachte, wist
, althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat
dit/deze geldbedrag
(en
)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was/waren uit enig misdrijf;
(artikel 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen witwassen van een geldbedrag van € 410.000. Dit geldbedrag is aangewend voor de aankoop van zijn woning en is via een verhullingsconstructie door een van zijn mededaders aan de verdachte ter beschikking gesteld.
Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten en in het legale circuit wordt gebracht kan daarop een ontwrichtende werking hebben. Witwassen draagt er aan bij dat misdaad loont; het (mede)plegen van witwassen is daarom een zeer ernstig feit.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 11 november 2025.
Redelijke termijn
Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als volgt.
De redelijke termijn is aangevangen op 3 maart 2017. In eerste aanleg heeft de rechtbank vonnis gewezen op 13 juli 2018. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren.
De verdachte is op 27 juli 2018 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 17 maart 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 5,5 jaren.
Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden – conform de door de rechtbank opgelegde straf - passend en geboden. Het hof zal met de geconstateerde overschrijding zoals hiervoor weergegeven rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken. Het hof komt aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Voorts zal het hof een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het inbeslaggenomen voorwerp
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten het onroerend registergoed gelegen aan de [adres] , zal worden verbeurdverklaard.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp op het standpunt gesteld dat de vordering tot verbeurdverklaring dient te worden afgewezen.
Het hof zal de vordering tot verbeurdverklaring afwijzen gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
het onroerend registergoed gelegen aan de [adres] .
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. M. Koole, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2026.