ECLI:NL:GHDHA:2026:43

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
22-004022-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bankhelpdeskfraude met meerdere slachtoffers en witwassen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte is beschuldigd van het medeplegen van oplichting, diefstal met valse sleutels en witwassen, in het kader van een omvangrijke bankhelpdeskfraude waarbij voornamelijk oudere slachtoffers zijn benadeeld. De feiten vonden plaats tussen 14 december 2023 en 14 mei 2024 in verschillende Nederlandse steden. De verdachte en zijn mededaders deden zich voor als medewerkers van banken of de politie en overtuigden slachtoffers om waardevolle goederen, zoals bankpassen en sieraden, af te geven. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de oplichtingspraktijken, maar heeft ook partiële vrijspraken uitgesproken voor enkele zaken waar onvoldoende bewijs was. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van voorarrest, en er zijn schadevergoedingen opgelegd aan de benadeelde partijen. Het hof heeft de ernst van de feiten benadrukt, vooral gezien de kwetsbaarheid van de slachtoffers, en heeft de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen bevolen. De uitspraak is gedaan in het openbaar en is geregistreerd onder ECLI:NL:GHDHA:2026:43.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004022-24
Parketnummers: 09-162306-24 en 13-337357-23 (TUL)
Datum uitspraak: 8 januari 2026
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 november 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf en omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2023 tot en met 14 mei 2024 te Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amsterdam, Heemskerk, Leiden, Leiderdorp en/of Oostvoorne, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [ slachtoffer 1] (zaak 1)
- [ slachtoffer 2] (zaak 2)
- [ slachtoffer 3] (zaak 6)
- [ slachtoffer 4] (zaak 7)
- [ slachtoffer 5] (zaak 8)
- [ slachtoffer 6] (zaak 9)
- [ slachtoffer 7] (zaak 10)
- [ slachtoffer 8] (zaak 14)
- [ slachtoffer 9] (zaak 16)
- [ slachtoffer 10] (zaak 19)
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- een of meer sieraden en/of
- een of meer bankpassen en/of creditcards en/of
- een of meer pincodes en/of
- een of meer telefoons en/of
- contant geld
door
- zich telefonisch voor te doen als een medewerker van een bank/financiële instelling en/of de politie en/of de verzekering
- mede te delen dat
o er iets mis was met de bankrekening en/of
o er geld over was gemaakt naar het buitenland en/of
o er geld van de bankrekening was afgehaald en/of
o er door criminelen bankpassen werden aangevraagd en/of
- aan te geven dat het nodig zou zijn om bankpassen en/of creditcards af te geven aan een medewerker van de bank/financiële instelling die aan de deur zou staan en/of
- aan te geven dat aangevers persoonsgegevens en/of adresgegevens bekend waren geworden bij mogelijke inbrekers en dat het verstandig zou zijn waardevolle goederen, zoals bankpassen, sieraden en/of goud, af te geven aan een medewerker van de bank/financiële instelling of medewerker van de politie die aan de deur zou staan en/of worden van gelijke aard of strekking en/of
- aan te geven dat de juwelen moesten worden getaxeerd voor de verzekering en/of
- aan te geven dat er veel werd ingebroken en dat het verstandig zou zijn waardevolle goederen, zoals sieraden en/of geld mee te geven aan een medewerker van de politie.
2.
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2023 tot en met 3 mei 2024 te Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amsterdam, Leiden, Leidschendam en/of Nieuw-Vennep, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geld, dat aan
- [ slachtoffer 3] (zaak 6)
- [ slachtoffer 4] (zaak 7)
- [ slachtoffer 5] (zaak 8)
- [ slachtoffer 7] (zaak 10)
- [ slachtoffer 8] (zaak 14)
- [ slachtoffer 9] (zaak 16)
- [ slachtoffer 10] (zaak 19)
toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruikmaking van middels oplichting verkregen bankpassen en pincodes.
3.
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2023 tot en met 14 mei 2024 te Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amsterdam, ‘s-Gravenhage, Heemskerk, Leiden, Leiderdorp en/of Oostvoorne, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, 36.422,30 euro, althans een groot geldbedrag, en/of een grote hoeveelheid sieraden heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit geldbedrag en/of deze sieraden- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf en hij, verdachte, van het plegen
van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren (met aftrek van voorarrest).
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet als medepleger, betrokken is geweest bij een omvangrijke zogeheten bankhelpdeskfraude. Hierbij zijn veel slachtoffers gevallen. Zoals bij dat type criminaliteit steeds blijkt, kan het niet anders dan dat daaraan een geraffineerde criminele samenwerkingsstructuur ten grondslag lag. Kort gezegd was de toegepaste werkwijze namelijk als volgt.
Allereerst werd het beoogde slachtoffer door een ‘professional’ gebeld. Opvallend is dat deze slachtoffers zo goed als allemaal (hoog)bejaard waren, kennelijk geselecteerd in de hoop dat zij meer dan anderen vatbaar zouden zijn voor dit soort criminele praktijken. Het is ook duidelijk dat er persoonlijke gegevens over hen waren vergaard, zoals woonadressen en bankgegevens. Genoemde professional, doorgaans iemand die zich voordeed als een bankmedewerker of een politieambtenaar, fingeerde een acute noodsituatie. Een situatie die vereiste dat het slachtoffer bankpassen, creditcards, pincodes maar ook contant geld en kostbaarheden, zoals sieraden, moest klaarleggen. Er zou vervolgens iemand langskomen om deze spullen op te halen (hierna: ‘de ophaler’) en deze persoon zou zich in enkele gevallen kunnen identificeren aan de hand van een door de beller opgegeven verificatiecode. De beller, vaak nog aan de lijn op het moment dat deze persoon daadwerkelijk verscheen, verzekerde het slachtoffer dat het allemaal goed zou komen. De ophaler belde aan, werd binnengelaten, identificeerde zich in voorkomende gevallen en bleef enige tijd in de bewuste woning, hield een praatje, stelde het slachtoffer gerust en nam vervolgens spullen mee. Dit onderdeel van de bankhelpdeskfraude, de fysieke wegneming middels oplichting, is onder 1 tenlastegelegd en ziet op 10 individuele, bij naam genoemde slachtoffers (“zaken”).
Als er bankpassen/creditcards (inclusief verstrekte pincodes) waren buitgemaakt, ging iemand vervolgens snel met die passen geld opnemen of dure goederen kopen (denk aan elektronica en cadeaukaarten). Dit aldus middels “valse sleutels” (feitelijk) verkrijgen van geld, is onder 2 tenlastegelegd en ziet op zeven van de tien onder 1 genoemde slachtoffers (“zaken”).
Tot slot wordt de verdachte onder 3 verweten het witwassen van de buit, bestaande uit de sieraden en het (middels passen) verkregen geld.
Standpunt Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan al hetgeen hem is tenlastegelegd.
Standpunt verdediging
De verdachte heeft, ter terechtzitting in hoger beroep, zijn actieve betrokkenheid bekend bij vrijwel alle individuele zaken die hem onder 1 en 2 zijn tenlastegelegd. Hij is degene geweest die bij de woningen van die slachtoffers aan de deur is geweest, naar binnen is gegaan, deze woningen weer heeft verlaten met medeneming van sieraden en/of passen van slachtoffers en vervolgens met die passen geld heeft opgenomen/uitgegeven.
Namens de verdachte is uitsluitend vrijspraak bepleit ten aanzien van de zaken 8, 9 en 10. Het gaat dan om de zaken gekoppeld aan achtereenvolgens de slachtoffers [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]), [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6]) en [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7]). Zaak 8 komt zowel in het onder 1 (oplichting) als het onder 2 (diefstal) tenlastegelegde voor. De bepleitte vrijspraak ziet op het onder 1 tenlastegelegde.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde witwassen zijn geen verweren gevoerd.
Partiële vrijspraken van zaken 8, 9 en 10 ([slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]), zoals onder 1 tenlastegelegd
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.
Aangever [slachtoffer 5] heeft in zijn aangifte verklaard dat op 3 mei 2024 een man aan de deur is geweest die diverse goederen heeft meegenomen. Hij omschrijft de man als volgt: ongeveer 1,8 meter lang, tussen de 30 en 40 jaar oud, een gespierde lichaamsbouw, licht getint, Arabisch uiterlijk en zwart, kort haar. Uit de gegevens van de telefoon van de verdachte komt naar voren dat hij op 3 mei 2024 in de omgeving van het adres van de aangever is geweest.
Aangeefster [slachtoffer 6] heeft in haar aangifte verklaard dat op 5 mei 2024 een man aan de deur is geweest die diverse juwelen heeft meegenomen. Zij omschrijft de man als volgt: ongeveer 1,75 meter lang, ongeveer 35 jaar oud, normaal postuur en blond, kort haar. Uit de gegevens van de telefoon van de verdachte komt naar voren dat hij op 3 mei 2024 in de omgeving van het adres van de aangever is geweest.
Aangever [slachtoffer 7] heeft in zijn aangifte verklaard dat op 2 februari 2024 een man aan de deur is geweest die diverse goederen heeft meegenomen. Hij omschrijft de man als volgt: ongeveer 2 meter lang, tussen de 30 en 35 jaar oud, breed postuur, donker getint en zwart krullend haar. Verder heeft de aangever verklaard dat de man zich heel nerveus gedroeg en dat hij geen woord sprak en direct na overhandiging van de goederen de woning verliet. Uit de gegevens van de telefoon van de verdachte komt naar voren dat hij op 2 februari 2024 in de omgeving van het adres van de aangever is geweest.
Alhoewel op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte op de desbetreffende momenten in de omgeving van de woningen van de aangevers is geweest, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ook steeds de persoon is geweest die daadwerkelijk bij de aangevers aan de deur is geweest en door hen werd binnengelaten. Het valt niet uit te sluiten dat dit een onbekende andere persoon is geweest die deel uitmaakte van het criminele samenwerkingsverband.
Daartoe acht het hof allereerst van belang dat de opgegeven signalementen door de aangevers afwijken van het signalement van de verdachte. In twee zaken sluit het opgegeven signalement de verdachte volstrekt uit: de verdachte heeft echt geen (licht getint) Arabisch uiterlijk en al helemaal geen blond haar. Hij is immers, zo omschrijft de politie hem ook, een negroïde man.
Voor zover de verdachte (enigszins) zou kunnen passen in het door [slachtoffer 7] opgegeven signalement wreekt zich vervolgens het door hem omschreven bijna angstige en vluchtige gedrag/houding van de man. De verdachte was namelijk, zo blijkt uit de andere aangiften, steeds iemand die rustig was en mede door zijn overtuigingskracht het vertrouwen van de slachtoffers wist te winnen. Hij nam daarvoor ook steeds alle tijd die nodig was.
Het bovenstaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat niet buiten gerede twijfel kan worden uitgesloten dat het een ander dan de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichtingszaken genummerd 8, 9 en 10, zoals onder 1 tenlastegelegd. Daarom zal het hof de verdachte van die zaken (partieel) vrijspreken.
Partiële vrijspraak van zaak 10 ([slachtoffer 7]), zoals onder 2 tenlastegelegd
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.
Op 2 februari 2024 om 21:04 uur en 21:05 uur is met de bankpas van aangever [slachtoffer 7] tweemaal gepind bij een geldautomaat in Amsterdam. Op 3 februari 2024 om 00:19 uur is nogmaals met de bankpas van aangever [slachtoffer 7] gepind. Uit het onderzoek van de politie komt naar voren dat op 3 februari 2024 om 00:12 uur de telefoon van de verdachte dichtbij het adres van de pinautomaat is. De camerabeelden van de pintransacties op 2 februari 2024 om 21:04 uur en 21:05 uur zitten in het dossier en daarop zijn twee mannen (hierna: man 1 en man 2) te zien. De camerabeelden van de pintransactie op 3 februari 2024 om 00:19 uur zitten niet in het dossier.
Ten aanzien van zaak 8 ([slachtoffer 5]) heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf herkend op de beelden van de pinautomaat. Nu de verdachte op die beelden een soortgelijke jas aan heeft als de mannen op de camerabeelden van de pintransacties op 2 februari 2024 om 21:04 uur en 21:05 uur, heeft het hof in raadkamer de camerabeelden van de zaken 8 en 10 nauwkeurig bekeken. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of één van de twee mannen op de camerabeelden van zaak 10 de verdachte betreft en acht daarbij het volgende van belang. Allereerst kan het hof op basis van het zichtbare deel van het gelaat geen herkenning doen. Daartoe zijn de bewuste beelden onvoldoende scherp. Wel is de gedragen jas van belang.
Op de camerabeelden van de pintransacties op 2 februari 2024 om 21:04 uur en 21:05 uur zijn twee mannen te zien die allebei een soortgelijke, donkerkleurige jas dragen. Het onderscheidende kenmerk tussen de jassen is dat op de linker bovenkant van de jas van man 2 een embleem zit. Het hof heeft op de camerabeelden van zaak 8 niet kunnen vaststellen of op de linker bovenkant van de jas van de verdachte ook een embleem zit.
Ten aanzien van de pintransactie op 3 februari 2024 om 00:19 uur overweegt het hof dat, hoewel de telefoon van de verdachte zich enkele minuten voor de pintransactie dichtbij het adres van de pinautomaat bevond, dit onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat de verdachte de persoon is geweest die de pintransactie heeft verricht.
Op grond van het voorgaande acht het hof ten aanzien van feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij zaak 10, zodat de verdachte daarvan partieel wordt vrijgesproken.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Hiertegen zijn overigens ook geen verweren gevoerd. Het hof heeft reeds in de inleiding uiteengezet dat en waarom als het gaat om bankhelpdeskfraude, deze op een criminele samenwerkingsstructuur is gestoeld. Daaraan kan in deze zaak nog het volgende worden toegevoegd.
Het hof hecht betekenis aan de verklaring van de verdachte dat hij deel uitmaakte van een groepje en dat er instructies en informatie werd gedeeld in een Snapchatgroep. Ten aanzien van zaak 1 bevinden zich chatberichten uit een Snapchatgroep in het dossier, waarin instructies werden gegeven en in zaak 8 heeft een ander het adres van de aangeefster in een Snapchatgroep gedeeld. Ook in zaak 6 is op die manier een adres gedeeld, [adres 1]. Het slachtoffer woonde echter op nummer [huisnummer 1], en zij heeft de man/verdachte, waarop zij van de beller moest wachten, binnengelaten. Kennelijk was het doorgegeven nummer [huisnummer 2] een verschrijving, maar wist de verdachte precies bij wie hij moest aanbellen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van 14 december 2023 tot en met 14 mei 2024 te Alphen aan den Rijn, Amersfoort,
Amsterdam, Heemskerk,Leiden
,en/ofLeiderdorp
en/of Oostvoorne, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,
meermalen,
althans eenmaal,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en
/ofeen valse hoedanigheid
en
/ofdoor listige kunstgrepen en
/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
- [ slachtoffer 1] (zaak 1)
en/of
- [ slachtoffer 2] (zaak 2)
en/of
- [ slachtoffer 3] (zaak 6)
en/of
- [ slachtoffer 4] (zaak 7)
en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 8)
- [slachtoffer 6] (zaak 9)
- [slachtoffer 7] (zaak 10)
- [ slachtoffer 8] (zaak 14)
en/of
- [ slachtoffer 9] (zaak 16)
en/of
- [ slachtoffer 10] (zaak 19)
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed
, het verlenen van een dienst,enhet ter beschikking stellen van gegevens
, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,te weten
- een of meer sieraden en/of
- een of meer bankpassen en/of creditcards en/of
- een of meer pincodes en/of
- een of meer telefoons en/of
- contant geld
door
- zich telefonisch voor te doen als een medewerker van een bank/financiële instelling en/of de politie en/of de verzekering
- mede te delen dat
o er iets mis was met de bankrekening en/of
o er geld over was gemaakt naar het buitenland en/of
o er geld van de bankrekening was afgehaald en/of
o er door criminelen bankpassen werden aangevraagd en/of
- aan te geven dat het nodig zou zijn om bankpassen en/of creditcards af te geven aan een medewerker van de bank/financiële instelling die aan de deur zou staan en/of
- aan te geven dat aangevers persoonsgegevens en/of adresgegevens bekend waren geworden bij mogelijke inbrekers en dat het verstandig zou zijn waardevolle goederen, zoals bankpassen, sieraden en/of goud, af te geven aan een medewerker van de bank/financiële instelling of medewerker van de politie die aan de deur zou staan en/of wo
orden van gelijke aard of strekking en/of
- aan te geven dat de juwelen moesten worden getaxeerd voor de verzekering en/of
- aan te geven dat er veel werd ingebroken en dat het verstandig zou zijn waardevolle goederen, zoals sieraden en/of geld mee te geven aan een medewerker van de politie.
2.
hij in
of omstreeksde periode van 14 december 2023 tot en met 3 mei 2024 te
Alphen aan den Rijn,Amersfoort, Amsterdam, Leiden, Leidschendam en/of Nieuw-Vennep, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geld, dat aan
- [ slachtoffer 3] (zaak 6)
en
- [ slachtoffer 4] (zaak 7)
en
- [ slachtoffer 5] (zaak 8)
en
- [slachtoffer 7] (zaak 10)
- [ slachtoffer 8] (zaak 14)
en
- [ slachtoffer 9] (zaak 16)
en
- [ slachtoffer 10] (zaak 19)
toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruikmaking van middels oplichting verkregen
(bank
)passen en pincodes.
3.
hij in
of omstreeksde periode van 14 december 2023 tot en met 14 mei 2024 te Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amsterdam,
‘s-Gravenhage, Heemskerk,Leiden
,enLeiderdorp
en/of Oostvoorne, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
36.422,30 euro, althanseen
grootgeldbedrag
,en
/ofeen
grotehoeveelheid sieraden heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit geldbedrag en
/ofdeze sieraden - onmiddellijk of middellijk - afkomstig
warenuit enig
(eigen
)misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van eenvoudig witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting, diefstal van geld en witwassen van geld en sieraden. Door middel van babbeltrucs, zogenaamde bankhelpdeskfraude, zijn van meerdere slachtoffers op leeftijd geld, sieraden en bankpassen/creditcards met de bijbehorende pincodes bemachtigd, waarna met de bankpassen en/of creditcards bedragen van de bankrekeningen van die slachtoffers zijn opgenomen.
Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Ook is het vertrouwen van de slachtoffers hiermee ernstig misbruikt. Het is extra kwalijk dat juist oudere mensen
doelbewust tot slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Het hof rekent het verdachte ook aan dat de slachtoffers in de meeste
gevallen werd voorgehouden dat zij met de politie van doen hadden. Het grote vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in de politie wordt daarmee schade toegebracht.
Witwassen heeft voorts een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en levert aantasting op van de legale economie.
Oplichting door babbeltrucs is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit die voor de verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. De verdachte heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich niet bekommerd om de gevolgen van de strafbare feiten voor de slachtoffers. Dat het plegen van strafbare feiten is gestopt, is niet te danken aan het handelen van de verdachte, maar aan het kordate handelen van een kleinzoon van een van de slachtoffers en de politie.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd liep van een veroordeling voor het medeplegen van een poging tot oplichting.
Het hof gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij onder druk en dreiging de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. Dit nog los van de vraag of, en zo ja in hoeverre, dit een factor van betekenis zou moeten zijn bij de strafoplegging.
Alhoewel uit de beelden kan blijken dat de verdachte tijdens het pinnen instructies kreeg via zijn telefoon, is de verklaring van de verdachte niet geconcretiseerd en aldus niet aannemelijk gemaakt. Uit de aangiftes van de slachtoffers in combinatie met de beelden blijkt juist het tegendeel: de verdachte heeft met een bepaalde rust en overtuigingskracht zijn rol vervuld. Wel heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de verdachte een zekere openheid van zaken heeft gegeven en dat hij spijt heeft betuigd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder 1, 2 en 3 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met behulp van deze voorwerpen de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde (zaak 1), tot een bedrag van € 350,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 350,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 9]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 9] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde (steeds zaak 16), tot een bedrag van € 41.699,00. Hierop is reeds een verzekeringsuitkering van
€ 2.450,00 in mindering gebracht.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist voor zover dit ziet op de schadepost “ontvreemde lijfsieraden en horloges” van in totaal
€ 39.250,00.
Het hof gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de taxatie van de sieraden en horloges ondeugdelijk zou zijn. Deze totale schadepost is gebaseerd op een gedetailleerde taxatie door een juwelier, waarin per object een waarde is gespecifieerd. Gelet op die concrete onderbouwing kan niet worden volstaan met een dergelijke generieke betwisting.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 41.699,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 6]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde (zaak 9), tot een bedrag van € 27.078,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde partieel wordt vrijgesproken van de oplichting van [slachtoffer 6], dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 10]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 10] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.480,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 8.480,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde (steeds zaak 7), tot een bedrag van € 18.530,00, bestaande uit € 16.030,00 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De gevorderde materiële schade (voor zover betrekking hebbende op de getaxeerde sieraden en horloges) en immateriële schade is betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 16.030,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.
Het hof gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de taxatie van de sieraden en horloges ondeugdelijk zou zijn. Deze schadepost van in totaal € 13.480,00 is gebaseerd op een taxatie van een juwelier, waarbij ieder gestolen object aan de hand van een foto is beoordeeld. Gelet op die concrete onderbouwing kan niet worden volstaan met een generieke betwisting.
De materiele schadevordering van de benadeelde partij (in totaal € 16.030,00) zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Verder neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij de gevolgen daarvan met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. De benadeelde partij was tijdens de oplichting en diefstal zeer angstig en hevig overstuur. Toen de verdachte in haar huis was, lag haar echtgenoot in het ziekenhuis in verband met een hartoperatie en het werd de benadeelde partij niet toegestaan om de oproepen van haar man te beantwoorden. De benadeelde partij is enkele dagen na de gebeurtenissen naar de huisarts gegaan en de huisarts heeft haar oxazepam voorgeschreven tegen haar paniekklachten. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij aangevoerd dat de klachten nog steeds niet zijn afgenomen en dat de huisarts een doorverwijzing naar een specialistische GGZ heeft afgegeven. Tegen deze specifieke achtergrond komt de benadeelde partij een recht op toekenning van schadevergoeding toe. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van
€ 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 17.030,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 502,80.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 502,80 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].
Ten aanzien van alle vorderingen
In aanvulling op alle hiervoor genoemde beslissingen op de vorderingen geldt nog het volgende.
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met tenminste één mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betaling.
De aan de op te leggen schadevergoedingsmaatregelen verbonden betalingsverplichtingen zullen eveneens hoofdelijk zijn.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 onder parketnummer 13-337357-23 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, met bevel dat die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
In eerste aanleg heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van de geldboete gelast.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 311, 326 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: PL1500-2024152108 Goednr: 3125257, Grijs, merk: Volkswagen, bouwjaar 2004);
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-2024152108-G3142260, Apple iPhone 13);
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-2024152108-G3142261, Zwart, merk: Apple iPhone X (8)).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 mei 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 41.699,00 (eenenveertigduizend zeshonderdnegenennegentig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 9], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 41.699,00 (eenenveertigduizend zeshonderdnegenennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 188 (honderdachtentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 april 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 10] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.480,00 (achtduizend vierhonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 10], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.480,00 (achtduizend vierhonderdtachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 december 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.030,00 (zeventienduizend dertig euro) bestaande uit € 16.030,00 (zestienduizend dertig euro) materiële schade en€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.030,00 (zeventienduizend dertig euro) bestaande uit € 16.030,00 (zestienduizend dertig euro) materiële schade en
€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 99 (negenennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 mei 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 502,80 (vijfhonderdtwee euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 502,80 (vijfhonderdtwee euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 mei 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 maart 2024, parketnummer 13-337357-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:
een
geldboetevan
€ 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, als voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. F.W. van Lottum, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 januari 2026.
Mr. Chr.A. Baardman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.