ECLI:NL:GHDHA:2026:442

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
001041-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:26 SvArt. 36e SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opheffing lijfsdwang en kwijtschelding betalingsverplichting afgewezen en doorverwezen naar rechtbank

Verzoeker, die door het hof was veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel en in lijfsdwang werd gehouden, verzocht het hof om opheffing van de lijfsdwang en kwijtschelding van de betalingsverplichting.

Het hof behandelde het verzoek in raadkamer en concludeerde dat op grond van het overgangsrecht van de Wet USB de bevoegdheid tot opheffing van lijfsdwang bij de Minister ligt en niet bij de rechter. Daarnaast is het hof niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot kwijtschelding; dit behoort tot de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit.

Daarom verklaarde het hof het verzoek tot opheffing niet-ontvankelijk en zich onbevoegd voor het verzoek tot kwijtschelding, waarna de zaak werd verwezen naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing lijfsdwang niet-ontvankelijk verklaard en verzoek tot kwijtschelding doorverwezen naar rechtbank.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF DEN HAAG
zaaknummer: 001041-25
Uitspraak d.d.: 19 februari 2026
Beschikkinggegeven door de meervoudige raadkamer naar aanleiding van een verzoek ex artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak tegen:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
verblijvende te [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
in deze zaak woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn advocaat
[naam advocaat] , [kantooradres] te [vestigingsplaats] .

Procesgang

Bij arrest van 24 december 2013 heeft het hof ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.497.690,-.
Bij beschikking van 19 december 2019 heeft het hof op vordering van het openbaar ministerie verlof verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang en is de duur van de lijfsdwang vastgesteld op 1080 dagen. In de beschikking staat vermeld dat het openstaande bedrag op 27 november 2018 € 3.301.604,69 was.
Verzoeker wordt door de Minister in lijfsdwang gehouden.
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend bij het hof en verzoekt de opgelegde lijfsdwang die thans ten uitvoer wordt gelegd, op te heffen. Voorts verzoekt hij de betalingsverplichting van verzoeker in zijn geheel kwijt te schelden.
Het hof heeft dit verzoekschrift op 15 januari 2026 in raadkamer in het openbaar behandeld.
In raadkamer zijn gehoord verzoeker, raadsman van verzoeker en de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot enerzijds niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in het verzoek en anderzijds onbevoegdheid van het hof in kennisnemen van het verzoek.

Beoordeling van het verzoek

Op 1 januari 2020 is de Wet USB ingevoerd. Op basis van die wet zijn de artikelen 577b en 577c ingetrokken. Het overgangsrecht is geregeld in artikel XLIVa van de Wet USB. Dit artikel luidt als volgt:
1. De wijzigingen van de artikelen 36e en 36f van het Wetboek van Strafrecht hebben geen gevolgen voor de toepassing van een lijfsdwang of vervangende hechtenis die door de rechter is bepaald voor het tijdstip waarop artikel II, onderdelen Wen X, van deze wet in werking treden.
2 Een lijfsdwang of vervangende hechtenis, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de artikelen 6:4:20, vierde lid, tweede volzin en 6:6:25, zevende lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn.
Uit artikel XLIVa, lid twee volgt dat voor het opheffen van de lijfsdwang niet de
rechter, maar de Minister bevoegd is.
Verzoeker is derhalve niet ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van de
lijfsdwang.
Welke rechter bevoegd is, wordt bepaald in Boek 6, hoofdstuk 6, titel 1 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 6:6:1 van Pro het Wetboek van Strafvordering is, indien een rechter een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, tot het nemen van die beslissing bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Deze bepaling van de Wet USB had onmiddellijke werking.
Gelet hierop is niet het hof bevoegd kennis te nemen van het verzoek ingevolge
artikel 577b (oud) Wetboek van Strafvordering, maar de rechtbank.

Beslissing

Het hof:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van de lijfsdwang.
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot kwijtschelding ex artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag ter verdere afdoening.
Deze beschikking is gegeven door
mr. W.M. Limborgh, als voorzitter, mrs. N. Schaar en F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier M. van der Mark, en op 19 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.