Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:448

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
22-000253-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bij drie drugslaboratoria voor productie van crystal meth

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor betrokkenheid bij drie drugslaboratoria in Zoetermeer, Voorburg en Berkel en Rodenrijs. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof acht bewezen dat de verdachte samen met anderen harddrugs heeft bereid, bewerkt en verwerkt in de genoemde laboratoria. Bewijs bestond uit DNA-sporen op gelaatsmaskers en een peuk, historische telefoongegevens, getuigenverklaringen en camerabeelden. De verdachte ontkende aanwezigheid, maar het hof verwierp dit als onlogisch.

De productie van synthetische drugs zoals crystal meth brengt grote maatschappelijke en veiligheidsrisico's met zich mee. De verdachte had geen oog voor deze risico's. Gezien de ernst van de feiten en persoonlijke omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van vijf jaar en negen maanden op, verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.

De verdachte blijft strafbaar en de voorlopige hechtenis wordt geschorst. Inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte en een derde. Het arrest is gewezen door drie rechters van het hof Den Haag op 20 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar en negen maanden gevangenisstraf wegens medeplegen bij drie drugslaboratoria.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000253-23
Parketnummer: 09-305825-20
Datum uitspraak: 20 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven verblijfplaats: [verblijfadres] , [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen op de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals is omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 400 kilo, althans één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth) amfetamine, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk
voorbereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten Nederlands grondgebied brengen althans voorhanden hebben van,
ongeveer 400 kilo, althans één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth) amfetamine, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
chemicaliën en/of
grondstoffen en/of
apparatuur en/of
(meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL althans (meth)amfetamine en/of MDMA, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, zijnde (meth)amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
chemicaliën en/of
grondstoffen en/of
apparatuur en/of
(meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
4.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 december 2018 te Berkel en Rodenrijs, in een pand gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 5,95 liter (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 10 december 2018 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, in een pand gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
ongeveer 5,95 liter (meth)amfetamine HCL, althans (meth)amfetamine en/of MDMA, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, zijnde (meth)amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
- chemicaliën en/of grondstoffen, te weten BMK-glycidezuur en/of BMK en/of PMK-methylglycidaat en/of wijnsteenzuur en/of zoutzuur, in elk geval chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of
- apparatuur en/of
- ( meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en acht maanden met aftrek van voorarrest en dat er op de inbeslaggenomen voorwerpen wordt beslist zoals in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverwegingen

Inleidende opmerkingen
Op 16 september 2020 zijn de brandweer en de politie aanwezig bij een bedrijfspand aan de [adres 1] te Zoetermeer vanwege een klacht over stankoverlast. Op dat moment zijn er geen personen in het pand. De brandweer gaat naar binnen en treft een vermoedelijk drugslaboratorium aan. Het blijkt om een laboratorium voor de productie van crystal meth te gaan.
In het daarop volgende opsporingsonderzoek komt een aantal verdachten in beeld en worden onderzoeksbevindingen gedaan op meerdere adressen.
Op 1 december 2020 wordt de verdachte aangehouden in een woning aan de [adres 2] te Voorburg. In die woning wordt een drugslaboratorium aangetroffen.
De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij deze twee drugslaboratoria.
Daarnaast is er op 10 december 2018, in een ander opsporingsonderzoek, een drugslaboratorium aangetroffen in een bedrijfspand aan de [adres 3] te Berkel en Rodenrijs. De verdachte wordt ook verdacht van betrokkenheid bij dit laboratorium.
De grieven van de verdediging richten zich blijkens het pleidooi in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van betrokkenheid van de verdachte bij de laboratoria aan de [adres 1] en de [adres 3] .
Juridisch kader
Om tot een veroordeling voor medeplegen te komen moet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag of de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde ( [adres 1] in Zoetermeer)
Feiten en omstandigheden
In het onderzoek naar het laboratorium aan de [adres 1] is als getuige gehoord [getuige] die verklaart dat zijn bedrijf eigenaar is van het pand, dat hij de sleutel aan een aannemer heeft gegeven en dat deze aannemer iemand uit Hong Kong is met de naam [aannemer] . Deze [aannemer] gebruikt het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Uit het onderzoek van de historische verkeersgegevens bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode tussen 1 april en 29 september 2020 veelvuldig een zendmast aan het Granietgroen 133 in Zoetermeer had aangestraald. De [adres 1] te Zoetermeer bleek binnen het zendmastgebied en het zendmastsegment van dit basisstation te vallen. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer tot en met 29 november 2020 werd gebruikt in een mobiele telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer] . De verdachte is op basis van historische gegevens vanaf 1 april 2020 als gebruiker van dit telefoonnummer geïdentificeerd en de telefoon met dit IMEI-nummer is gevonden en in beslag genomen tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] .
Het nummer [telefoonnummer 1] blijkt in deze periode het meest contact te hebben gehad met het nummer [telefoonnummer 2] . Dit nummer behoort toe aan [persoon 1] .
DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op twee gelaatsmaskers en op een peuk die zijn gevonden in de [adres 1] . De gelaatsmaskers zijn aangetroffen in ruimte B, waar diverse chemische producten stonden. De peuk is aangetroffen in een asbak in ruimte Z, het laboratorium. Tevens is aangetroffen een Makro-bon van een pinbetaling van boodschappen. Op de bon staat het klantnummer van het bedrijf [bedrijf] dat is gevestigd aan de [adres 3] te Berkel en Rodenrijs. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat deze bon van hem was.
De medeverdachte [medeverdachte] wijst een foto van de verdachte aan als degene die [medeverdachte] gevraagd heeft om mensen op te halen en te brengen naar het pand aan de [adres 1] . Hij noemde deze man [persoon 2] .
Beoordeling
De verdachte heeft ontkend dat hij in het pand aan de [adres 1] is geweest. De gelaatsmaskers, de sigarettenpeuk en de bon zijn volgens hem door iemand – hij weet niet wie – van de woning aan de [adres 2] naar de [adres 1] meegenomen. Het hof acht dit scenario onlogisch en niet aannemelijk. Niet valt in te zien waarom een ander dergelijke voorwerpen (in het bijzonder de peuk en de bon) zou meenemen van het ene drugslaboratorium naar het andere. Aannemelijk is veeleer dat de verdachte wel zelf in het pand aan de [adres 1] is geweest en daar de bon heeft achtergelaten en dat hij de daar aangetroffen gelaatsmaskers heeft aangeraakt. De historische gegevens van zijn telefoonnummer, eindigend op het nummer [nummer] , bevestigen zijn aanwezigheid aldaar.
Uit de aanwezigheid van het DNA van de verdachte op twee gelaatsmaskers leidt het hof af dat de verdachte die maskers heeft gebruikt. Nu dergelijke gelaatsmaskers worden gebruikt bij het werken met chemicaliën neemt het hof aan dat de verdachte ook iets met de chemicaliën in het laboratorium heeft gedaan. Blijkens de verklaring van [medeverdachte] is de verdachte degene geweest die hem gevraagd heeft mensen te halen en te brengen naar de [adres 1] . Daar aangenomen moet worden dat de eigena(a)r(en) van een dergelijk laboratorium geen willekeurige derden in het laboratorium toelaten, concludeert het hof uit het voorgaande, een en ander in onderling verband bezien, dat de verdachte heeft gewerkt aan en/of in het drugslaboratorium en betrokken was bij de organisatie daarvan, nu hij iemand anders heeft gevraagd mensen te halen en te brengen. Het hof acht het van algemene bekendheid dat de (grootschalige) productie van synthetische drugs een dermate complexe onderneming is, dat deze doorgaans de nauwe en bewuste samenwerking van meerdere personen vergt. Uit het dossier blijkt ook dat bij het aangetroffen laboratorium meerdere personen betrokken waren. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen harddrugs heeft bereid en/of verwerkt en/of bewerkt.
Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde ( [adres 3] in Berkel en Rodenrijs)
Feiten en omstandigheden
In het pand aan de [adres 3] was een restaurant gevestigd met de naam ‘ [restaurant] ’ dat sinds juli 2018 was gesloten. Het restaurant bestond uit de begane vloer, waar ook de keuken was, en een souterrain. In de keuken op de begane grond zijn diverse goederen aangetroffen die worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. In het souterrain is een – niet in werking zijnde – productielocatie van synthetische drugs aangetroffen.
[persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) is bij het pand aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij de eigenaar van het restaurant kent als de heer [verdachte] en dat hij die ochtend een afspraak had met de eigenaar. Later herkent hij op een foto van de verdachte de eigenaar die hij de heer [verdachte] noemt. Sinds de sluiting heeft [persoon 3] nog wel een klein beetje salaris gehad en had hij geen ander werk. [persoon 3] verklaart dat hij één à twee keer per maand met de eigenaar koffie dronk in het restaurant en de post besprak, ook na de sluiting daarvan. [persoon 3] verklaart dat hij op verzoek van de eigenaar (het hof begrijpt: de verdachte) op de ochtend van 10 december 2018 zout had ingekocht, zes balen van 25 kilo. Dergelijke hoeveelheden zout worden gebruikt voor het produceren van verdovende middelen. Ook verklaart [persoon 3] dat de eigenaar (het hof begrijpt: de verdachte), een sleutel had van het pand.
Op beelden van de beveiligingscamera van het restaurant is te zien dat op 1 december (het hof begrijpt: 1 december 2018) spullen uit een auto worden geladen en in het restaurant worden gebracht. [persoon 3] verklaart dat de heer [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en hijzelf dat hebben gedaan.
[voormalig eigenaar van het pand] , de voormalige eigenaar van het pand, heeft op 9 januari 2019 verklaard dat hij zo’n twee jaar daarvoor is benaderd door ene [verdachte] die het pand wilde kopen, dat er een huur-/aflossingsconstructie was bedacht, dat [voormalig eigenaar van het pand] in het begin om de twee maanden in het pand ging kijken, dat hij rond 15 november 2018 voor het laatst in de kelder is geweest en dat hij toen in de kelder niet naar de achterste ruimtes mocht gaan en dat hij een gasleiding in de kelder had gezien die hij daarvoor nooit had gezien. [verdachte] was vaak in Hong Kong.
Beoordeling
Het hof is met de verdediging van oordeel dat met de verklaringen van [persoon 3] behoedzaam moet worden omgegaan nu [persoon 3] zelf verdachte was in het onderzoek naar het laboratorium aan de [adres 3] en dus belang had bij het ‘schoonpraten’ van zichzelf. Omtrent die betrouwbaarheid oordeelt het hof als volgt. De verklaring van [persoon 3] dat de verdachte eigenaar was van het restaurant wordt ondersteund door de verklaring van [voormalig eigenaar van het pand] . [voormalig eigenaar van het pand] spreekt immers over ene [verdachte] die veel in Hong Kong was, hetgeen overeenkomt met de voornaam en verblijfplaats van de verdachte. [persoon 3] belast in zijn verklaring de verdachte door te vertellen dat hij in opdracht van de verdachte een aanzienlijke voorraad zout had gehaald, die ochtend een afspraak had met de verdachte en dat de verdachte met hem op 1 december van dat jaar spullen naar binnen had gebracht en overigens regelmatig met de verdachte koffie dronk in het restaurant. Het hof ziet in die verklaring van [persoon 3] pogingen om diens eigen rol te verkleinen door te draaien over de vragen of hij zelf een sleutel heeft en of hij in het pand slaapt. Met zijn opmerkingen over de verdachte ontlast [persoon 3] echter zichzelf niet. Voorts acht het hof het onwaarschijnlijk dat iemand tegenover de politie onwaarachtige belastende opmerkingen maakt over zijn baas, van wie hij (mede) afhankelijk is voor zijn inkomsten. Tevens acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat iemand een drugslaboratorium inricht en draait in een restaurant van zijn baas zonder dat die baas dat weet. [persoon 3] is na de sluiting ook voor de verdachte blijven werken terwijl er geen werk als chef-kok meer voor hem was. Het hof concludeert dat de verklaring van [persoon 3] , daar waar hij over de eigenaar van het restaurant heeft verklaard, betrouwbaar is.
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij het aangetroffen drugslaboratorium. Zijn bijdragen hebben bestaan uit het brengen van spullen, het ter beschikking stellen van het pand en het laten halen van een stof die nodig is voor de productie van synthetische drugs. Het hof acht het van algemene bekendheid dat de (grootschalige) productie van synthetische drugs een dermate complexe onderneming is, dat deze doorgaans de nauwe en bewuste samenwerking van meerdere personen vergt. Uit het dossier blijkt ook dat bij het aangetroffen laboratorium in ieder geval één ander was betrokken, namelijk [persoon 3] . Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander harddrugs heeft bereid en/of verwerkt en/of bewerkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van
1 januari 201926 mei 2020tot en met
1 december 202016 september 2020te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 400 kilo, althans één of meerhoeveelhe
(i)d
(en
)van een materiaal bevattende
(met
h)amfetamine,
in elk geval (telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in
of omstreeksde periode van
1 januari 201910 maart 2020tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meerhoeveelhe
(i)d
(en
)van een materiaal bevattende
(met
h)-amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij in
of omstreeksde periode van
1 januari 20181 augustus 2018tot en met 10 december 2018 te Berkel en Rodenrijs, in een pand gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, (telkens)opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 5,95 liter (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meerhoeveelhe
(i)d
(en
)van een materiaal bevattende
(met
h)-amfetamine,
(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde levert telkens op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is betrokken geweest bij drie metamfetaminelaboratoria, waarvan twee in een bedrijfspand en één in een portiekwoning. De verdachte is door zijn handelen medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik en de productie van synthetische drugs veroorzaken. Zoals algemeen bekend is het gebruik van harddrugs – in het bijzonder crystal meth – verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Ook gaan de productie en het gebruik van en de handel in harddrugs veelal gepaard met (andere vormen van) criminaliteit en brengt de productie doorgaans grote schade toe aan het milieu. Feiten als deze brengen dan ook onrust in de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ook brengt de productie van synthetische drugs grote veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar, wat ook een risico vormt voor omwonenden, in het bijzonder als het gaat om een drugslab gevestigd in een portiekwoning. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte – afgezien van een aantal andersoortige feiten gepleegd in 1999 – in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies d.d. 24 juni 2024, betreffende een detentie- en re-integratieplan.
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, zoals hiervoor beschreven, maken naar het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof acht – alles afwegende en gelijk de rechtbank heeft opgelegd – in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden.
In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 1 december 2020. Het eindvonnis is op 17 januari 2023 gewezen. Gelet op het feit dat de verdachte in eerste aanleg 16 maanden en 15 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof uitgaan van een redelijke termijn van 16 maanden waarbinnen het eindvonnis moet zijn gewezen, nu de duur van de voorlopige hechtenis meer dan 16 maanden bedraagt. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve met 9 maanden en 17 dagen overschreden.
In hoger beroep is de termijn aangevangen op 30 januari 2023 en het eindarrest is gewezen op 20 maart 2026. De verdachte is op 17 januari 2023 opnieuw in voorlopige hechtenis genomen en de voorlopige hechtenis is per 27 juni 2025 geschorst. Gelet op het feit dat de verdachte op het moment van het wijzen van het eindarrest in hoger beroep 29 maanden en 11 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal het hof eveneens uitgaan van een redelijke termijn van 16 maanden. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met 21 maanden en 21 dagen overschreden.
Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijdingen van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren zou hebben opgelegd, wordt nu een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Het hof ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen, nu de gronden voor voorlopige hechtenis nog aanwezig zijn. Het hof zal overigens de schorsing van de voorlopige hechtenis niet bij arrest opheffen, waardoor de schorsing, nu deze voor onbepaalde tijd is gegeven, na het wijzen van dit arrest zal voortduren.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Uit het dossier leidt het hof af dat [persoon 4] als kentekenhouder kan worden aangemerkt als redelijkerwijs rechthebbende van de personenauto (merk Mercedes-Benz, kenteken: [kenteken] ), vermeld onder 1 op de beslaglijst). Dit voertuig zal derhalve worden teruggegeven aan [persoon 4] . De overige voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren en 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 4 STK briefpost (omschrijving: Chinese poststukken), genoemd onder 8 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK bankpas (omschrijving: 2514390, Mac Macau Pass), genoemd onder 9 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK creditcard (omschrijving: 2514396, Union Pay), genoemd onder 10 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK creditcard (omschrijving: 2514399, Union Unio Pay), genoemd onder 11 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK creditcard (omschrijving: 2514403, Union Union Pay), genoemd onder 12 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK creditcard (omschrijving: 2514408, Quick Quick Pass), genoemd onder 13 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK creditcard (omschrijving: 2514410, Quick Quick Pass), genoemd onder 14 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: 2517936, Bg Aquaris X2), genoemd onder 18 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: 2514232, zwart, merk: Samsung), genoemd onder 19 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: 2514233, zwart, merk: Apple Iphone), genoemd onder 20 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: Apple iphone A1688), genoemd onder 21 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: 2514229, blauw, merk: Huawei P30), genoemd onder 22 op de aangehechte beslaglijst;
- 1 STK telefoontoestel (omschrijving: 2514242, Apple Iphone 6s), genoemd onder 23 op de aangehechte beslaglijst.
Gelast de
teruggaveaan [persoon 4] (geboren 4 november 1982) van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK personenauto [kenteken] (omschrijving: G2514842, zwart, merk: Mercedes Benz, chassisnummer: [chassisnummer] , bouwjaar 2020), genoemd onder 1 op de aangehechte beslaglijst.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2026.