ECLI:NL:GHDHA:2026:455

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
200.360.483/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 BWArt. 1:432 BWArt. 6 EVRMBesluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag bewindvoerder wegens tekortkomingen en belangenverstrengeling

De voormalige bewindvoerder is door de kantonrechter ambtshalve ontslagen vanwege tekortkomingen in de bewindvoering over meerdere dossiers, waaronder belangenverstrengeling en onrechtmatige transacties. Het hof bevestigt dat het totale functioneren van de bewindvoerder een gewichtige reden vormt voor ontslag, ook al zijn niet alle dossiers problematisch.

De voormalige bewindvoerder voerde aan dat het ontslag onterecht was en dat er onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, maar het hof oordeelt dat deze procedurele gebreken in hoger beroep zijn hersteld. Tevens is het beroep ontvankelijk verklaard ondanks het faillissement van de bewindvoerder.

Uit het faillissementsonderzoek blijkt dat de voormalige bewindvoerder mogelijk onrechtmatig geld heeft onttrokken en voordelen heeft genoten buiten de wettelijke beloning. De administratie was niet op orde en er was onvoldoende verantwoordelijkheid voor correcte dossierbehandeling.

Het hof veroordeelt de voormalige bewindvoerder tot betaling van de proceskosten van de tegenpartij en wijst het beroep af, waarmee het ontslag wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ambtshalve ontslag van de voormalige bewindvoerder wegens tekortkomingen en belangenverstrengeling en veroordeelt haar tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.360.483/01
zaaknummer rechtbank : 11789118 EJ VERZ 25-83254
beschikking van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
inzake
[de voormalige bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [de voormalige bewindvoerder] ,
advocaat mr. D. Tap te Den Haag,
tegen
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. O.D. Nijenhuis te Sittard.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
- [de huidige bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de huidige bewindvoerder,
- [de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
- [de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
- [zus 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [zus 1] .
- [zus 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [zus 2] ,
- [zus 3] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: [zus 3] ,
- [zus 4] ,
wonende te Den Haag,
hierna te noemen: [zus 4] .
Als informant in deze zaak is aangemerkt:
[de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [de voormalige bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. J.J. Roeland te Den Haag.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[de voormalige bewindvoerder] is op 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De rechthebbende heeft op 29 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een brief van de zijde van [de voormalige bewindvoerder] van 17 november 2025 met bijlagen;
  • een brief van de zijde van de curator van 29 december 2025 met bijlagen;
  • een journaalbericht van de zijde van [de voormalige bewindvoerder] van 5 januari 2026 met bijlage.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • [de voormalige bewindvoerder] , vertegenwoordigd door [de bestuurder] (hierna ook: de bestuurder), bijgestaan door haar advocaat;
  • de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de huidige bewindvoerder, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de huidige bewindvoerder 1] en [vertegenwoordiger van de huidige bewindvoerder 2] ;
  • [zus 3] ;
  • de curator, bijgestaan door zijn advocaat.
De vader, de moeder en [zus 4] zijn, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
2.5
De advocaat van [de voormalige bewindvoerder] heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . De rechthebbende is de zoon van [de vader] en [de moeder] .
3.2
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2025 is het faillissement uitgesproken van [de voormalige bewindvoerder] met benoeming van [de curator] tot curator.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:
  • [de voormalige bewindvoerder] met ingang van 21 juli 2025 ontslagen als bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van de rechthebbende;
  • de huidige bewindvoerder met ingang van 21 juli 2025 benoemd tot opvolgend bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van de rechthebbende;
  • bepaald dat [de voormalige bewindvoerder] eindrekening en -verantwoording aflegt aan de huidige bewindvoerder en die vervolgens doet toekomen aan de kantonrechter;
  • bepaald dat het ontslag van [de voormalige bewindvoerder] en de benoeming van de huidige bewindvoerder worden ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister, voor zover het bewind al gepubliceerd was voor de wijziging.
4.2
[de voormalige bewindvoerder] verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de beschikking(en) van de kantonrechter van 14 juli 2025 waarin zij als bewindvoerder is ontslagen te vernietigen en [de voormalige bewindvoerder] toe te laten tot een schadestaatprocedure tegen de Staat der Nederlanden teneinde de door haar geleden schade vast te stellen, met veroordeling van de Staat der Nederlanden in de kosten van beide procedures.
4.3
De rechthebbende voert verweer. Hij verzoekt het hof, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, [de voormalige bewindvoerder] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren met veroordeling van de bestuurder, althans [B.V.] ., in de proceskosten.
4.4
[de voormalige bewindvoerder] heeft bij journaalbericht van 5 januari 2026 haar verzoek tot verwijzing naar een schadestaatprocedure tegen de Staat der Nederlanden ingetrokken. Dit verzoek behoeft daarom geen beoordeling meer.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
De rechthebbende stelt dat [de voormalige bewindvoerder] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep, omdat zij tijdens het instellen hiervan al in staat van faillissement verkeerde. Hierdoor had [de voormalige bewindvoerder] niet de bevoegdheid om zelf hoger beroep in te stellen; dit had door de curator namens [de voormalige bewindvoerder] moeten gebeuren. Ook heeft [de voormalige bewindvoerder] hoger beroep aangetekend door middel van één beroepschrift dat gericht is tegen beschikkingen van de kantonrechter in verschillende zaken tegelijk, wat niet is toegestaan. Voor iedere afzonderlijke beschikking had afzonderlijk hoger beroep moeten worden ingesteld. Ook om die reden zou [de voormalige bewindvoerder] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
5.2
Het hof overweegt als volgt. De curator heeft ingestemd met het instellen van hoger beroep door [de voormalige bewindvoerder] buiten bezwaar van de boedel. Het hof is gelet daarop van oordeel dat [de voormalige bewindvoerder] bevoegd was zelf hoger beroep in te stellen. Ten aanzien van de stelling van de rechthebbende dat [de voormalige bewindvoerder] niet tegen meerdere beschikkingen in één beroepschrift hoger beroep kan instellen geldt het volgende. Tijdens de zitting heeft [de voormalige bewindvoerder] aangegeven dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de beslissing in de bestreden beschikking in onderhavige zaak. Voor zover het verzoek van [de voormalige bewindvoerder] zich (ook) leek te richten op de bestreden beschikking voor zover die ziet op andere zaken waarin [de voormalige bewindvoerder] is ontslagen, behoeft de ontvankelijkheidskwestie dan ook geen bespreking meer. Gelet op dit alles is [de voormalige bewindvoerder] ontvankelijk in haar hoger beroep.
Inhoudelijke beoordeling
Vooraf
5.3
Het hof stelt bij de beoordeling van het hoger beroep het volgende voorop. Het is aan de coördinerend kantonrechter CBM om toezicht te houden op het verloop van zaken met betrekking tot curatele, bewind en mentorschap. Belangrijk element daarvan is het functioneren van de curator, bewindvoerder en/of mentor. Zelfs indien deze aan de formele kwaliteitseisen voldoet, kan het feitelijk functioneren een gewichtige reden vormen om tot ontslag over te gaan. Die bevoegdheid tot ambtshalve ontslag is de kantonrechter niet voor niets gegeven. De betrokkenen op wie deze wettelijke beschermingsmaatregelen van toepassing zijn, vormen doorgaans een kwetsbare groep in de samenleving. Zij zijn in vergaande mate afhankelijk van de deugdelijke uitvoering van de beschermingsmaatregel en moeten erop mogen vertrouwen dat hun belangen goed worden behartigd. Indien een kantonrechter constateert dat in een aantal zaken dat vertrouwen wordt geschaad, kan de conclusie zeer wel zijn dat zulks aanleiding geeft wegens gewichtige redenen over te gaan tot ontslag van de curator, bewindvoerder en/of mentor in alle zaken.
5.4
De kantonrechter heeft in dit geval de beslissing tot ontslag in alle zaken genomen van [de voormalige bewindvoerder] . In een deel van deze dossiers zijn tekortkomingen geconstateerd. In het kader van zulk een (massa)ontslag gaat het om het totale beeld van de wijze waarop de curator, bewindvoerder en/of mentor de wettelijke verplichtingen nakomt in de zaken waarin hij of zij is benoemd. Dat de kantonrechter de beslissing in iedere individuele zaak niet op alle dossiers toespitst maar op een groot aantal dossiers is daaraan inherent. Ook in hoger beroep gaat het om de vraag of het totale beeld van het functioneren van [de voormalige bewindvoerder] een gewichtige reden oplevert op basis waarvan de kantonrechter tot het ontslag is gekomen.
Recht op een eerlijk proces
5.5
[de voormalige bewindvoerder] stelt dat de kantonrechter in strijd heeft gehandeld met het recht op een eerlijk proces zoals bedoelt in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Zij voert daartoe aan dat er sprake is van een gebrekkige en ondeugdelijk gemotiveerde beslissing van de kantonrechter, wat een schending oplevert van de motiveringsplicht. In de onderhavige zaak is een drastische maatregel genomen en zijn de belangen groot. Zo heeft het ontslag van [de voormalige bewindvoerder] geleid tot het faillissement van [de voormalige bewindvoerder] en ook moesten 350 cliënten overstappen naar een andere curator of bewindvoerder en/of mentor. Door deze vergaande gevolgen lag er op de kantonrechter een zwaardere motiveringsplicht dan in reguliere zaken. Doordat de kantonrechter ambtshalve is overgegaan tot ontslag van [de voormalige bewindvoerder] heeft er geen partijdebat plaatsgevonden. Daarnaast was het voor [de voormalige bewindvoerder] onduidelijk op welke informatie de kantonrechter haar beslissing had gebaseerd waardoor [de voormalige bewindvoerder] ook niet goed kon reageren. Concluderend heeft er onvoldoende hoor- en wederhoor plaatsgevonden.
5.6
Het hof stelt voorop dat de herstelfunctie van het hoger beroep met zich brengt dat gebreken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep kunnen worden gerepareerd. Dit geldt nadrukkelijk ook voor herstel van verzuim met betrekking tot procedurele eisen. Het hof is van oordeel dat, indien en voor zover ervan uit moet worden gegaan dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals [de voormalige bewindvoerder] stelt, dit gebrek in hoger beroep is hersteld, nu [de voormalige bewindvoerder] in hoger beroep alsnog in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt ter zitting toe te lichten, van welke gelegenheid [de voormalige bewindvoerder] ook gebruik heeft gemaakt. Indien en voor zover er al sprake zou zijn van een motiveringsgebrek in de bestreden beschikking, dan zal dit bij de inhoudelijke beoordeling door het hof worden hersteld. Het hof is dan ook van oordeel dat deze grief van [de voormalige bewindvoerder] faalt.
Gewichtige redenen
5.7
[de voormalige bewindvoerder] voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte is overgegaan tot ontslag van [de voormalige bewindvoerder] in de onderhavige zaak. [de voormalige bewindvoerder] erkent dat verscheidene fouten zijn gemaakt bij de uitoefening van het bewind in verschillende zaken, maar dit had niet mogen leiden tot ontslag in alle zaken in beheer van [de voormalige bewindvoerder] . In heel veel zaken, net als in de onderhavige zaak, ging de uitvoering van het bewind en/of mentorschap wel goed. Sinds de bestreden beschikking zijn er nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht gekomen, maar het hof dient zich enkel te baseren op de beschikbare informatie ten tijde van de bestreden beschikking. Er was toen onvoldoende aanleiding voor de kantonrechter om [de voormalige bewindvoerder] te ontslaan op grond van gewichtige redenen.
5.8
De rechthebbende stelt dat de kantonrechter verschillende signalen heeft ontvangen dat er niet is voldaan aan de kwaliteitseisen en daardoor terecht is gekomen tot ontslag van [de voormalige bewindvoerder] in alle zaken. Sinds de bestreden beschikking zijn er nog meer fouten naar boven gekomen waaruit blijkt dat de bewindvoerder niet goed haar taken heeft uitgevoerd. Naast de fouten die in andere zaken naar boven zijn gekomen, heeft de bewindvoerder ook in onderhavige zaak onvoldoende in het belang van de rechthebbende gehandeld. Zo was de communicatie erg slecht en werden schulden niet afgehandeld.
5.9
De huidige bewindvoerder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij de constateringen van de kantonrechter in eerste aanleg eveneens heeft ervaren na overname van 160 dossiers van [de voormalige bewindvoerder] . Uit die dossiers blijkt dat [de voormalige bewindvoerder] heel veel fouten heeft gemaakt bij de uitoefening van de bewindvoering. Hij is geschrokken van de staat van de dossiers en cliënten zijn tekort gedaan, financieel en qua zorg. Er is sprake van verregaande gevolgen voor zijn huidige cliënten.
5.1
De curator heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij bij zijn onderzoek in het faillissement van [de voormalige bewindvoerder] grote misstanden heeft ontdekt. Uit zijn onderzoek volgt dat [de voormalige bewindvoerder] vele bedragen heeft onttrokken van cliënten zonder machtiging van de kantonrechter. [de voormalige bewindvoerder] heeft volgens hem andere voordelen genoten uit haar positie als bewindvoerder naast de wettelijke beloning die zij daarvoor ontvangt. De curator zal overgaan tot aansprakelijkstelling van de bestuurder van [de voormalige bewindvoerder] .
Toepasselijke wet- en regelgeving
5.11
Op grond van artikel 1:448 lid 1 aanhef Pro en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder door de rechter ontslag worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
5.12
Artikel 8 van Pro het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (verder: Besluit) luidt:
1. De curator heeft een beschrijving van:
a. de aanmelding en intakeprocedure,
b. de uitvoering van de curatele, daaronder begrepen de communicatie met de onder curatele gestelde,
c. de beëindiging van het curatorschap, daaronder begrepen de overdracht van het curatorschap aan de opvolger, en de beëindiging van de curatele,
d. de financiële en administratieve organisatie, en, in voorkomend geval,
e. de ondersteuning,
en werkt in overeenstemming met de beschreven processen.
2. De curator heeft waarborgen ingebouwd voor:
a. de juistheid van de boedelbeschrijving,
b. de vastlegging en uitvoering van de gemaakte afspraken en opdrachten ten behoeve van de onder curatele gestelde,
c. de juistheid van de rechten en verplichtingen van vermogensrechtelijke aard van de onder curatele gestelde,
d. de betrouwbaarheid en continuïteit van de gegevensverwerking,
e. de continuïteit van de werkzaamheden in geval van ziekte of uitval van de curator, en
f. het voldoen aan de in artikel 9 gestelde Pro eisen,
en werkt in overeenstemming met deze waarborgen.
3. De curator heeft een beschrijving van de verschillende functies, waarin de taken en bevoegdheden voor iedere functie zijn vastgesteld, en werkt in overeenstemming met de beschreven functies, tenzij de curator geen andere persoon of personen heeft door wie hij zijn taken uitoefent.
4. De functies van het geven van opdracht tot betaling zijn gescheiden van de functie van uitbetaling en boekhouding, tenzij de curator geen andere persoon of personen heeft door wie hij zijn taken uitoefent.
5. De curator zorgt ervoor dat hij voldoende in staat is om eventuele door hem of door een persoon door wie hij zijn taken uitoefent veroorzaakte schade van de onder curatele gestelde te vergoeden, bijvoorbeeld door het hebben afgesloten van een verzekering tegen beroepsaansprakelijkheid die een voldoende jaarlijkse dekking biedt tegen schadegevallen.
6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders.
7. Het eerste lid, het tweede lid, onderdelen b, d, e en f, en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren.
5.13
Op grond van artikel 9 lid Pro 1, 2 en 3 van het Besluit geniet de curator, direct of indirect, geen ander voordeel uit zijn positie als curator dan de beloning die hij voor zijn curatorschap ontvangt. In het bijzonder:
aanvaardt hij geen giften van de onder curatele gestelde,
koopt hij geen goederen van de onder curatele gestelde,
geniet hij geen voordeel uit de uiterste wilsbeschikking die de onder curatele gestelde gedurende de curatele heeft gemaakt, en
geniet hij geen voordeel van enige opdracht die hij aan zichzelf of een derde verstrekt in het kader van zijn curatorschap.
Als een indirect voordeel voor de curator wordt beschouwd een voordeel, bedoeld in het eerste lid, genoten door:
personen door wie de curator zijn taak uitoefent,
de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, en een ouder, kind, broer of zuster van de curator,
voor zover de curator een rechtspersoon is, de bestuurder, commissaris of aandeelhouder van de curator,
rechtspersonen verbonden met curator, doordat:
i. de curator meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de rechtspersoon kan uitoefenen, dan wel meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen van de rechtspersoon kan benoemen of ontslaan,
ii. de rechtspersoon en de curator deel uitmaken van een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2, of
iii. de curator bestuurder of commissaris is van de rechtspersoon.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren.
Oordeel van het hof
5.14
Het hof heeft geconstateerd dat de kantonrechter [de voormalige bewindvoerder] in deze zaak ambtshalve als bewindvoerder heeft ontslagen in het kader van een massaontslag nu de bewindvoerder naar diens oordeel -kort gezegd- niet aan de kwaliteitseisen in het Besluit voldeed. Anders dan [de voormalige bewindvoerder] betoogt, dient het hof ex nunc te beoordelen of het ontslag van de bewindvoerder op goede gronden is uitgesproken. Het hof kan hierbij dus feiten en omstandigheden in aanmerking nemen die bekend zijn geworden na de bestreden beschikking en heeft dat ook gedaan. Naast de ten tijde van de bestreden beschikking aanwezige informatie blijkt uit de nieuwe feiten en omstandigheden, zoals naar voren gebracht door de huidige bewindvoerder en de curator, dat in een groot aantal zaken onder beheer van [de voormalige bewindvoerder] onder meer sprake is geweest van belangenverstrengeling, transacties die hebben plaatsgevonden zonder de toestemming van de kantonrechter dan wel van achteraf gebleken onjuistheden in de informatieverstrekking als die toestemming wel was verkregen. In een groot aantal zaken zijn geldbedragen van onderbewindgestelden verdwenen, waarbij inmiddels wordt onderzocht of deze bedragen wederrechtelijk door de bestuurder van [de voormalige bewindvoerder] zijn toegeëigend. In hoger beroep heeft [de voormalige bewindvoerder] een aantal onjuistheden in de overgedragen dossiers ook erkend. Dat [de voormalige bewindvoerder] die onjuistheden toeschrijft aan verkeerd handelen van de werknemers van [de voormalige bewindvoerder] doet aan de verwijtbaarheid van [de voormalige bewindvoerder] in dat verband niet af. Verder volgt uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken duidelijk dat in ieder geval de administratie van [de voormalige bewindvoerder] niet op orde was, hetgeen strijdig is met het Besluit en juist bij uitstek van een professionele bewindvoerder mag worden verwacht en dat [de voormalige bewindvoerder] onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor de correcte behandeling van haar dossiers. Het hof concludeert daarbij dat uit hetgeen door de curator ter zitting naar voren is gebracht bovendien volgt dat er sterke aanwijzingen zijn dat [de voormalige bewindvoerder] ander voordeel heeft gehaald uit de positie van bewindvoerder dan de beloning die zij als bewindvoerder ontving, waardoor zij ook op die gronden niet meer aan de in het Besluit opgenomen kwaliteitseisen voldoet.
5.15
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat [de voormalige bewindvoerder] op goede gronden is ontslagen. Het totale beeld van het functioneren van [de voormalige bewindvoerder] levert een gewichtige reden op op basis waarvan de kantonrechter ook in de onderhavige zaak tot ontslag kon komen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en de verzoeken van [de voormalige bewindvoerder] afwijzen.
Proceskosten
5.16
De rechthebbende heeft het hof verzocht om [de voormalige bewindvoerder] te veroordelen in zijn proceskosten. [de voormalige bewindvoerder] is in hoger beroep gegaan tegen het (massa)ontslag en heeft de onderhavige zaak willekeurig gekozen om haar standpunten naar voren te brengen. Dit heeft ertoe geleid dat de rechthebbende zich genoodzaakt zag om verweer te voeren en daarbij kosten te maken. [de voormalige bewindvoerder] voert verweer tegen dit verzoek. Zij vindt het zelf ook vervelend dat de rechthebbende in deze procedure is betrokken, maar zag deze procedure als de enige mogelijkheid om in hoger beroep te komen tegen het oordeel van de kantonrechter.
5.17
Het hof acht het redelijk om [de voormalige bewindvoerder] in de proceskosten van de rechthebbende te veroordelen. [de voormalige bewindvoerder] heeft onderhavige zaak willekeurig gekozen waardoor de rechthebbende betrokken is in deze procedure. Gelet op de kwetsbare positie van de rechthebbende ziet het hof aanleiding om [de voormalige bewindvoerder] te veroordelen in de proceskosten van de rechthebbende.
5.18
Het hof zal voor de vaststelling van wat [de voormalige bewindvoerder] aan de rechthebbende is verschuldigd aansluiten bij het toepasselijke liquidatietarief. Op grond daarvan worden de proceskosten van de rechthebbende begroot op € 373,-, griffierecht en € 2.580,- voor salaris van zijn advocaat (tarief II in hoger beroep, één punt voor het verweerschrift en één punt voor de mondelinge behandeling). In totaal begroot het hof de proceskosten dus op € 2.953,-.
5.19
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [de voormalige bewindvoerder] tot betaling van de proceskosten van de rechthebbende in het hoger beroep, door het hof begroot op € 2.953,- (€ 373,- griffierecht en € 2.580,- voor salaris van zijn advocaat);
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.J. van Elden, H.J.M. Smid-Verhage en
C.M. van der Kleijn, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 11 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.