ECLI:NL:GHDHA:2026:467

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.360.620/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 287 lid 4 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij onbetaald laten huur

De appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat hij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank stelde vast dat de appellant een aanzienlijke huurschuld had opgebouwd terwijl hij in dezelfde periode grote uitgaven deed aan luxe goederen en goksites. De appellant kon dit niet afdoende verklaren. Hoewel hij recent onder beschermingsbewind is gesteld en een arbeidscontract heeft bij Balenciaga, achtte de rechtbank deze omstandigheden onvoldoende bestendig.

In hoger beroep heeft de appellant aangevoerd dat zijn uitgaven voortkwamen uit stress en de noodzaak om zijn baan te behouden, en dat hij zijn leven heeft gebeterd. Het hof oordeelde echter dat de uitgaven niet te rechtvaardigen waren gezien zijn financiële situatie en dat het beschermingsbewind niet naar behoren functioneerde. De hardheidsclausule werd niet toegepast.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot schuldsaneringsregeling af, omdat de appellant niet te goeder trouw was geweest bij het onbetaald laten van de belangrijkste schulden, met name de huurschuld.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.360.620/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/706673 / FT RK 25/1655
Arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. P.A. Loeff kantoorhoudend in Barendrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 23 oktober 2025, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen en de beschikking van die rechtbank van dezelfde datum waarbij zijn verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro is afgewezen. [appellant] verzoekt het hof de beslissingen waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling en bij voorlopige voorziening bij voorraad Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: Aegon) te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024 tot ontruiming van zijn woning, ten uitvoer te leggen. Het hof heeft nog kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ter zitting heeft [appellant] een e-mail van de accountant van Balenciaga van 12 januari 2025 overgelegd.
1.3
Het hof beslist heden in beide zaken afzonderlijk. Dit arrest heeft betrekking op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
[appellant] heeft op 15 september 2025 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 26.904,75.
2.2
De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). Daarbij heeft de rechtbank onder meer meegewogen dat er een huurschuld is aan Aegon (in behandeling bij Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders) die inclusief kosten € 30.312,50 bedraagt, terwijl uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [appellant] in de periode van 19 mei 2025 tot en met 25 mei 2025 meerdere aanzienlijke betalingen heeft gedaan voor luxe goederen en goksites. Het gaat om een bedrag van totaal € 17.238,04 aan onder meer de Apple Store, Louis Vuitton, Prada en Betcity. Op 20 mei 2025 heeft [appellant] een bedrag van € 950,- ontvangen van Betcity en op 25 mei 2025 een bedrag van € 1.471,38. Deze af- en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden in de periode van de (eerste) voorlopige voorziening voor de woning van [appellant]. [appellant] heeft geen afdoende verklaring gegeven waarom hij deze grote uitgaven aan luxe artikelen heeft gedaan in plaats van zijn huur te betalen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] de huurschuld niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten. Van feiten en omstandigheden die ondanks het ontbreken van de goede trouw toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen, is niet gebleken. Dat [appellant] per 15 augustus 2025 onder beschermingsbewind staat is een positieve ontwikkeling evenals de omstandigheid dat [appellant] volgens zijn zeggen fulltime werkt bij Balenciaga en zijn werkgever onlangs zijn contract met anderhalf jaar heeft verlengd. Deze omstandigheden hebben zich echter pas recent voorgedaan en zijn nog onvoldoende bestendig om toelating te rechtvaardigen.
2.3
De grieven van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.
2.4
[appellant] heeft zich in het tweede kwartaal van 2024 tot de gemeente Rotterdam gewend voor hulp in verband met zijn schulden. Zijn dossier is niet overgedragen toen zijn trajectbegeleider bij de gemeente vertrok. Tot juni 2024 heeft [appellant] gewerkt bij de Apple Store. Door loonbeslag hield [appellant] te weinig geld over om zijn vaste lasten, waaronder zijn huur, te betalen en ontstond er een achterstand die uiteindelijk leidde tot het ontruimingsvonnis van 2 augustus 2024. In juni 2024 werd [appellant] aangenomen door Stone Island Amsterdam B.V. (hierna: Stone Island), maar achteraf bleek dat hij niet aan de vereisten voor de baan voldeed en werd hij ontslagen in zijn proeftijd. Vervolgens belandde hij in de WW. Vanwege de inkomensdaling lukte het hem niet om de vaste lasten, waaronder de huur, te betalen. In augustus 2024 werd er bij [appellant] kanker geconstateerd en heeft hij chemotherapie ondergaan. Door de medische behandelingen kreeg het betalen van de huur niet de aandacht die vereist was. Op 14 januari 2025 heeft [appellant] zich tot het kantoor van zijn advocaat gewend om hem bij te staan bij zijn schuldenproblematiek. De schuldhulpverlening is moeizaam op gang gekomen en ook de beschermingsbewindvoerder die inmiddels was benoemd, kreeg geen contact met [appellant]. Achteraf bleek dat [appellant] met enige regelmaat in het ziekenhuis lag omdat de kanker weer was teruggekomen. [appellant] had zijn vader gevraagd zijn financiële zaken te behartigen, maar dat is niet goed gegaan.
2.5
Ten aanzien van de uitgaven aan luxe artikelen en goksites in mei 2025 heeft [appellant] aangevoerd dat hij destijds in een stressvolle periode en onstabiele situatie verkeerde. [appellant] werkte van 1 juni 2025 tot 30 november 2025 fulltime als Sales Associate bij Balenciaga Rotterdam Bijenkorf. Door zijn werk in luxe retail ervaarde hij grote druk om er representatief en verzorgd uit te zien. De uitgaven dienen te worden gezien in een poging om zijn baan te behouden en niet om een onverantwoord luxe te leven. De bedragen via Betcity en Skrill hadden te maken met tijdelijke gokactiviteiten. Ter zitting heeft [appellant] medegedeeld dat hij een van de goederen die hij in mei 2025 heeft gekocht, een tas, heeft verkocht. De opbrengst daarvan heeft hij laten uitbetalen op de rekening van zijn moeder.
2.6
[appellant] doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw Pro. In een periode waarin het slecht ging met [appellant] gezien zijn medische problematiek, ervoer hij een hoge mate van stress om zijn huis en baan kwijt te raken en heeft hij verkeerde keuzes gemaakt. Hij heeft zijn leven echter gebeterd. Hij gokt niet meer en zijn goederen zijn op zijn verzoek onder beschermingsbewind gesteld, waardoor zijn financiën volledig gecontroleerd worden. Zijn arbeidscontract bij Balenciaga loopt tot 31 december 2026. De beschermingsbewindvoerder heeft volgens [appellant] aangegeven een ontslagverzoek te willen indienen, omdat er geen salaris binnenkomt op de beheerrekening, maar dit is te wijten aan een fout in de administratie bij zijn werkgever, zo blijkt uit de mail van 12 januari 2025 van de accountant van Balenciaga, aldus [appellant].
2.7
Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend te goeder trouw is geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
2.8
Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van het belangrijkste deel van de schulden, te weten de huurschuld aan Aegon (in behandeling bij Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders). Die schuld bedroeg ten tijde van het opstellen van het schuldsaneringsverzoek € 24.591,45, maar is opgelopen omdat ook huurtermijnen na indiening van het verzoek (deels) onbetaald zijn gelaten. Het betalen van de vaste lasten, waaronder de huur, was al een probleem in juni 2024 toen [appellant] zich bij de gemeente meldde voor hulp bij zijn schulden. [appellant] heeft vervolgens in mei 2025 voor een aanzienlijk bedrag luxe goederen aangeschaft, terwijl hij – zo begrijpt het hof – geen inkomsten uit werk ontving. De overlegde arbeidsovereenkomst met Balenciaga is ingegaan op 1 juni 2025 en de laatste daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst (met Stone Island) dateert van juni 2024 en die eindigde in de proeftijd, waarna [appellant] terugviel naar een WW-uitkering. Deze niet strikt noodzakelijk uitgaven, waar geen financiële ruimte voor was, hebben ertoe geleid dat onvoldoende financiële middelen beschikbaar waren voor de wel noodzakelijke uitgaven, zoals de huur. Het onbetaald laten van (of in elk geval: het niet aflossen op) de schuld aan Aegon staat daarom aan toelating in de weg.
2.9
Het hof ziet onvoldoende aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw Pro. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voorstelbaar is dat [appellant] als gevolg van zijn ziekte en de stress die dat met zich bracht, enige tijd niet de focus had op zijn schulden. Die omstandigheid maakt echter niet dat voornoemde forse uitgaven (waardoor de schuldenlast is opgelopen) te rechtvaardigen zijn. Verder verloopt het beschermingsbewind, uitgesproken op 15 augustus 2025, kennelijk ook niet naar behoren, omdat het salaris van [appellant] niet naar de beheerrekening wordt/werd overgemaakt. [appellant] heeft een e-mail overgelegd van de accountant van Balenciaga, maar nog daargelaten dat dat bericht dateert van 12 januari 2025, blijkt daaruit niet dat de betaling van het salaris over de periode september-december 2025 alsnog zal worden overgemaakt naar de beheerrekening van de bewindvoerder. Gegevens daarover ontbreken in de e-mail en ook de ‘notification’ van [appellant] waarnaar in het bericht wordt verwezen, ontbreekt.
Verder weegt mee dat [appellant] ter zitting heeft medegedeeld dat de opbrengst van de verkoop van een van de goederen (een tas) die hij in mei 2025 had aangeschaft, op een spaarrekening van zijn moeder staat. [appellant] had dat bedrag ten goede moeten laten komen aan de schuldeisers door het naar de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder over te maken, maar heeft dat nagelaten. Alle omstandigheden in aanmerking nemende kan niet worden gezegd dat de ingezette positieve wending zich ten volle heeft doorgezet en dat sprake is van een bestendige situatie.
2.1
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden
bekrachtigd.

3.De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. G.J.M. Verburg, mr. G.C. de Heer en mr. A.J.P. Schild, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.