Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 27 januari 2026
[verzoeker] , handelende onder de naam “[bedrijf]”,
[verweerder] ,
Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, binnengekomen bij het hof op 6 mei 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 februari 2025 (hierna: de beschikking);
- het verweerschrift van [verweerder] , binnengekomen bij het hof op 1 oktober 2025.
Feiten
Procedure in eerste aanleg
primairverzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [verzoeker] te veroordelen het loon c.a. te betalen vanaf 8 juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
subsidiair[verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) een transitievergoeding en (c) aanvullingen op de Ziektewetuitkeringen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en
primair en subsidiair[verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een netto bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) achterstallige vakantiebijslag. te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente, en verder [verzoeker] te veroordelen loonstroken te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom, en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
Verzoeken in het hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
- a) De aard van de arbeidsovereenkomst.
- b) De duur van de arbeidsovereenkomst.
De aard van de arbeidsovereenkomst
uitzendovereenkomstals door [verzoeker] betoogd. Dit oordeel is door de kantonrechter als volgt onderbouwd in r.o. 4.2 en 4.4 van de bestreden beschikking:
18 september 2024 (overgelegd als productie 6 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg). [verweerder] heeft onder ede verklaard dat de handtekening op het door [verzoeker] geproduceerde stuk op de zijne lijkt, maar heeft tevens verklaard nimmer enig stuk, afkomstig van [verzoeker] te hebben ondertekend.
grief 1betoogt [verzoeker] dat sprake is van een uitzendovereenkomst. Dat is als volgt onderbouwd:
“De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde”.
“Bijzondere bepalingen ter zake van de uitzendovereenkomst”.
“Bijzondere bepalingen”op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, rusten op [verzoeker] omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling (of dit (bevrijdend) verweer).
een derdeverrichten van de werkzaamheden.
uitoefening van het beroep of bedrijfvan [verzoeker] is niet onderbouwd.
De duur van de arbeidsovereenkomst
grief 2betoogt [verzoeker] dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd.Dat is naast de verworpen stelling dat sprake is van een uitzendovereenkomst, als volgt onderbouwd:
“voor de duur van 4 weken”en daarna eventueel
“wordt verlengd voor een periode van 4 weken”. Hept is gezien het bepaalde in art. 4 – de overeenkomst eindigt uiterlijk na 52 gewerkte weken – de kennelijke bedoeling om voor het verlopen van die termijn geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te doen ontstaan. Dat is niet mogelijk vanwege de ketenregeling van art. 7:668a lid 1 onderdeel b BW. Als er in die periode sprake is van meer dan 3 verlengingen van 4 weken, en deze elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
De rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
"Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus 2024. Zoals aangegeven in ons gesprek van 4 juli 2024 zijn de redenen te laat komen, helemaal niet komen opdagen en vooral marihuanagebruik tijdens werktijd. Om deze redenen was uw laatste werkdag derhalve 5 juli 2024, aangezien we geen verdere problemen met onze opdrachtgever willen krijgen".
grief 3betoogt [verzoeker] dat de uitzendovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, als volgt.
“opzeggingsgesprek”heeft plaatsgevonden. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat niet is toegelicht waarom dit ter zake dienend is. Zo is niet onderbouwd wat er volgens [verzoeker] in het gestelde ontslaggesprek concreet feitelijk over de dringende redenen tegen [verweerder] is gezegd. Deze onderbouwing mag van [verzoeker] worden verwacht omdat – wat hierna wordt behandeld – de ontslagbrief op dit punt te vaag is.
11 april 2024 is weggestuurd van de bouwplaats vanwege “het roken van cannabis” (productie 3 bij verweerschrift in eerste aanleg).
5 juli 2024 van het werkterrein is verwijderd vanwege drugsgebruik (productie 4 bij verweerschrift in eerste aanleg).
“opzeggingsgesprek”. De situatie bij [naam 2] is van de dag daarna, 5 juli 2024. Die laatste situatie kan daarom niet in het ontslaggesprek (mede) als dringende reden zijn betrokken.
De berekening van de omvang van de loonaanspraken
grieven 3 en 4betoogt [verzoeker] verder dat [verweerder] geen aanspraak meer heeft op loon na 5 juli 2024, dan wel dat deze op grond van de ABU-CAO in ieder geval niet voortduren na 4 augustus 2024, dan wel na 18 september 2024.
grief 5betoogt [verzoeker] dat de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW Pro) gematigd had moeten worden. Volgens [verzoeker] was er geen prikkel nodig om tijdig tot salarisbetaling over te gaan omdat de uitzendovereenkomst al was geëindigd.
Beslissing
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van
- wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 2.790,--.