Art. 7:629 BWArt. 7:655 BWArt. 7:668a lid 1 onderdeel b BWArt. 7:671 BWArt. 7:677 lid 1 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep arbeidsovereenkomst steigerbouwer: geen uitzendovereenkomst, onrechtmatige beëindiging
In deze zaak staat centraal of de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en verweerder een uitzendovereenkomst betreft en of de beëindiging daarvan rechtsgeldig was. Verweerder trad in september 2023 in dienst als steigerbouwer. Verzoeker stelde dat sprake was van een uitzendovereenkomst, terwijl verweerder dit betwistte.
De kantonrechter oordeelde dat geen uitzendovereenkomst bestond en dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was. De opzegging door verzoeker in juli 2024 werd vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van dringende redenen en het ontbreken van een geldige ontslagprocedure. Verzoeker betaalde na juli 2024 geen loon meer, wat door verweerder werd betwist.
In hoger beroep bevestigde het hof het oordeel van de kantonrechter. Het bewijs voor een uitzendovereenkomst was onvoldoende, mede door twijfel over de authenticiteit van de overgelegde documenten en het feit dat verweerder onder direct toezicht van verzoeker werkte. De beëindiging was niet rechtsgeldig, omdat de ontslagbrief vaag was en de dringende redenen niet concreet waren toegelicht. Het hoger beroep van verzoeker werd afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vernietiging van de opzegging en wijst het hoger beroep van verzoeker af wegens het ontbreken van een uitzendovereenkomst en onrechtmatige beëindiging.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Zaaknummer : 200.354.251/01
Zaaknummer rechtbank : 11339353 RP VERZ 24-50537
beschikking van 27 januari 2026
inzake
[verzoeker] , handelende onder de naam “[bedrijf]”,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. T. Harmankaya te Den Haag,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. J. Marges te Rotterdam.
Het geding in hoger beroep
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
het beroepschrift met producties, binnengekomen bij het hof op 6 mei 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 februari 2025 (hierna: de beschikking);
het verweerschrift van [verweerder] , binnengekomen bij het hof op 1 oktober 2025.
2. Op 23 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn bijgestaan door hun advocaten. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht, mr. Harmankaya aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
3. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten.
3.1
[verweerder] is per 18 september 2023 bij [verzoeker] in dienst getreden als steigerbouwer.
3.2
Er is een brief gedateerd 5 juli 2024 van [verzoeker] aan [verweerder] waarin staat:
“Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus 2024.
Zoals aangegeven in ons gesprek van 4 juli 2024 zijn de redenen te laat komen, helemaal niet komen opdagen en vooral marihuanagebruik tijdens werktijd. Om deze redenen was uw laatste werkdag derhalve 5 juli 2024, aangezien we geen verdere problemen met onze opdrachtgevers willen krijgen.
We danken voor uw geleverde diensten en wensen u succes met uw verdere carrière.”
3.3
[verzoeker] heeft na 8 juli 2025 geen loon meer aan [verweerder] betaald.
3.4
Over de vorderingen van [verweerder] hebben partijen een kort geding gevoerd. De vorderingen van [verweerder] zijn door de voorzieningenrechter afgewezen omdat de beoordeling daarvan zich niet leende voor een kortgedingprocedure.
Procedure in eerste aanleg
4. In eerste aanleg heeft [verweerder] primairverzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [verzoeker] te veroordelen het loon c.a. te betalen vanaf 8 juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, subsidiair[verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) een transitievergoeding en (c) aanvullingen op de Ziektewetuitkeringen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en primair en subsidiair[verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een netto bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) achterstallige vakantiebijslag. te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente, en verder [verzoeker] te veroordelen loonstroken te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom, en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
5. De kantonrechter heeft:
de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd,
[verzoeker] veroordeeld om gedurende één jaar vanaf 8 juli 2024 aan [verweerder] het overeengekomen loon te betalen,
en na ommekomst van dat jaar 70% van dat bedrag te betalen, in overeenstemming met het bepaalde in art. 7:629 BWPro, zolang [verweerder] ziek is,
een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
[verzoeker] veroordeeld aan [verweerder] een bedrag te betalen aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
[verzoeker] veroordeeld aan [verweerder] te betalen een bedrag aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
[verzoeker] veroordeeld aan [verweerder] te betalen de wettelijke rente over de bedoelde bedragen,
[verzoeker] veroordeeld tot afgifte van de loonstroken over de perioden 13 van 2023 en 7 en 8 van 2024, onder verbeurte van een dwangsom en
[verzoeker] veroordeeld in de proceskosten.
Verzoeken in het hoger beroep
6. In hoger beroep verzoekt [verzoeker] de beschikking te vernietigen, en alsnog de verzoeken van [verweerder] af te wijzen, [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] terug te betalen wat deze op grond van de bestreden beschikking heeft voldaan en [verweerder] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.
De beoordeling van het hoger beroep
7. Aan zijn verzoeken in eerste aanleg heeft [verweerder] het volgende ten grondslag gelegd.
Er is tussen partijen sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er is geen sprake van een uitzendovereenkomst zoals [verzoeker] stelt.
Deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is niet op rechtsgeldige wijze geëindigd. Voor zover een opzegging heeft plaatsgevonden, dient die te worden vernietigd, nu een wettelijke grond daarvoor ontbreekt.
[verweerder] heeft zich op 7 juli 2024 wegens ernstige rugklachten ziek gemeld. Op grond van de CAO Bouw en lnfra heeft hij recht op 100% doorbetaling van loon bij ziekte.
Mocht sprake zijn van een uitzendovereenkomst, dan is daarop de ABU-CAO van toepassing, die bij ziekte recht geeft op doorbetaling van 90% van het loon, in dit geval tot en met 17 september 2024.
8. Het debat daarover is onderverdeeld in de volgende vier onderwerpen:
a) De aard van de arbeidsovereenkomst.
b) De duur van de arbeidsovereenkomst.
( c) De rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
( d) De (berekening van de) omvang van de loonaanspraken.
( a) De aard van de arbeidsovereenkomst
9. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een uitzendovereenkomstals door [verzoeker] betoogd. Dit oordeel is door de kantonrechter als volgt onderbouwd in r.o. 4.2 en 4.4 van de bestreden beschikking:
Ten tijde van het kort geding heeft [verzoeker] geen schriftelijke versie van de volgens hem gesloten uitzendovereenkomst in het geding gebracht.
Eerst ten tijde van de mondelinge behandeling in deze bodemprocedure heeft hij zich beroepen op de kopie van een foto van een schermafdruk van een computer van een volgens [verzoeker] ondertekende uitzendovereenkomst, gedateerd 18 september 2024 (overgelegd als productie 6 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg). [verweerder] heeft onder ede verklaard dat de handtekening op het door [verzoeker] geproduceerde stuk op de zijne lijkt, maar heeft tevens verklaard nimmer enig stuk, afkomstig van [verzoeker] te hebben ondertekend.
[verzoeker] heeft onder ede verklaard dat [verweerder] dit stuk heeft ondertekend “in een bouwkeet in Weesp”. Het stuk is volgens zijn verklaring van zijn boekhouder. Tevens heeft [verzoeker] verklaard dat hij het origineel van dit stuk nergens meer kan vinden, “niet in mijn auto's en ook niet bij mijn boekhouder”.
Het is [verzoeker] als werkgever die vervolgens het verweer voert dat een andersoortige arbeidsovereenkomst dan een reguliere tot stand is gekomen. In dit geval rust op [verzoeker] dan ook de stelplicht en bewijslast van zijn verweer dat weliswaar een arbeidsovereenkomst tussen partijen is gesloten, maar dat dat een uitzendovereenkomst is.
De door hem overgelegde, maar door [verweerder] voor wat betreft de handtekening bestreden kopie van een uitzendovereenkomst levert dat bewijs niet op, gelet op de naar het oordeel van de kantonrechter twijfelachtige verklaring van [verzoeker] over de wijze van totstandkoming daarvan. Zo worden door [verzoeker] geen verdere details gegeven over “de bouwkeet in Weesp”, noch over het gesprek dat hij daar met [verweerder] zou hebben gevoerd: anders dan de salarisafspraak die daar zou zijn gemaakt.
Voorts verklaart [verzoeker] dat de uitzendovereenkomst “van zijn boekhouder” is, maar desalniettemin kan hij het origineel niet meer achterhalen (zodat nader onderzoek naar de beweerdelijk door [verweerder] gezette handtekening ook niet meer mogelijk is).
[verzoeker] heeft ook niet verklaard dat hij [verweerder] in de bouwkeet in Weesp heeft gezegd dat [verweerder] slechts op uitzendbasis bij hem in dienst zou treden. [verzoeker] heeft immers slechts verklaard een salarisafspraak met [verweerder] te hebben gemaakt. Daar komt bij dat [verzoeker] heeft erkend dat op de door hem overgelegde schermafdruk van de "uitzendovereenkomst" een verkeerde datum staat namelijk 18 september 2024, ongeveer twee weken nadat het tussen partijen gevoerde kort geding heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande, is de kantonrechter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of [verweerder] een uitzendovereenkomst heeft ondertekend, wat deze onder ede heeft bestreden.
Aan de door [verzoeker] als “uitzendovereenkomst” overgelegde productie kent de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook geen bewijskracht toe. Dat zich in het dossier een loonstrook en een werkgeversverklaring bevinden, waarop staat vermeld dat [verweerder] een uitzendkracht zou zijn, bewijst naar het oordeel van de kantonrechter evenmin dat een uitzendovereenkomst is gesloten, nu de informatie die voor het opstellen daarvan aan [verzoeker] boekhouder is verstrekt niet van [verweerder] zelf afkomstig is geweest.
10. Met grief 1betoogt [verzoeker] dat sprake is van een uitzendovereenkomst. Dat is als volgt onderbouwd:
Er zijn loonstroken en een werkgeversverklaring van 4 november 2023 overgelegd. Daaruit blijkt duidelijk dat sprake is van een Fase A-contract. [verweerder] had de werkgeversverklaring nodig voor het verkrijgen van een huurhuis van de woningbouwvereniging.
[verzoeker] heeft als getuige in eerste aanleg onder ede verklaard dat partijen de uitzendovereenkomst hebben getekend vlak voordat de werkzaamheden begonnen in Weesp.
Naast deze stukken had [verweerder] kunnen weten dat er sprake is van een uitzendovereenkomst nu hij door [verzoeker] bij diverse opdrachtgevers tewerk werd gesteld als steigerbouwer onder toezicht en leiding van deze opdrachtgevers.
Door [verweerder] is enkel aangegeven dat hij geen uitzendovereenkomst heeft getekend. [verzoeker] meent dat dit onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat er geen uitzendovereenkomst is.
De in de verklaring van de boekhouder genoemde datum is een verschrijving.
Uit de verklaring van een oud-medewerker van [verzoeker] , [naam getuige] , overgelegd. blijkt dat [verweerder] wel degelijk is gewezen op het feit dat hij een uitzendcontract voor een jaar zou krijgen. [verweerder] is via de heer [naam getuige] geïntroduceerd bij [verzoeker] .
Alles bij elkaar genomen voldoet de arbeidsovereenkomst aan de kenmerken van art. 7:690 BWPro en dient de arbeidsovereenkomst te worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst.
[verzoeker] doet een bewijsaanbod, onder meer door het horen van [naam getuige] .
11. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een uitzendovereenkomst, om de volgende redenen.
In art. 7:690 BWPro is bepaald: “De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde”.
Deze bepaling staat in Boek 7, titel 10, afdeling 11, genaamd “Bijzondere bepalingen ter zake van de uitzendovereenkomst”.
Tussen partijen staat vast dat er tussen hen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De stelplicht en bij betwisting de bewijslast dat er sprake is van een uitzendovereenkomst, of anders gezegd, dat ook bedoelde “Bijzondere bepalingen”op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, rusten op [verzoeker] omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling (of dit (bevrijdend) verweer).
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is komen vast te staan dat [verweerder] uitsluitend onder leiding en toezicht van [verzoeker] , dan wel diens werknemer [naam getuige] , als steigerbouwer heeft gewerkt. Dit kenmerkt de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Er is dus geen sprake van het onder toezicht en leiding van een derdeverrichten van de werkzaamheden.
Het bedrijf van [verzoeker] bestaat uit steigerbouw. Dat er ook sprake was van het ter beschikking stellen van [verweerder] van een derde in de uitoefening van het beroep of bedrijfvan [verzoeker] is niet onderbouwd.
Daarmee staat vast dat er geen sprake is van een uitzendovereenkomst ook al maken de loonstroken en een werkgeversverklaring melding van een uitzendovereenkomst. Dat zou niet anders zijn indien [verweerder] een document aangeduid als ‘uitzendovereenkomst’ zou hebben getekend – wat hij heeft betwist – en/of wanneer zou komen vast te staan dat [naam getuige] tegen [verweerder] heeft gezegd dat hij ( [verweerder] ) een uitzendovereenkomst zou aangaan met [verzoeker] . Immers, dit een en ander doet niet af aan wat beslissend is: het kenmerkende van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, en dat is het (uitsluitend) direct of indirect onder leiding en toezicht van [verzoeker] verrichten van werkzaamheden als steigerbouwer.
Het hof passeert het bewijsaanbod om [naam getuige] te horen omdat het gezien het voorgaande niet ter zake dienend is.
12. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, niet zijnde een uitzendovereenkomst.
( b) De duur van de arbeidsovereenkomst
13. Met grief 2betoogt [verzoeker] dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.Dat is naast de verworpen stelling dat sprake is van een uitzendovereenkomst, als volgt onderbouwd:
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd liggen bij [verweerder] .
Dat is door [verweerder] onvoldoende onderbouwd.
In de werkgeversverklaring die [verzoeker] op 24 (het hof leest: 4) november 2023 heeft afgegeven staat de duur van de overeenkomst (art. 7:655 BWPro). Die staat ook in de getekende uitzendovereenkomst.
14. Deze grief faalt, om de volgende redenen.
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd liggen bij [verweerder] . Echter, er van uitgaande dat er geen sprake is van een uitzendovereenkomst, is door [verzoeker] onvoldoende weersproken dat de duur van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is.
In de werkgeversverklaring staat een duur van minimaal zes maanden vermeld. In de overgelegde kopie van een uitzendovereenkomst is (in art. 4) bepaald dat de uitzendovereenkomst eindigt uiterlijk na 52 gewerkte weken. Deze uitzendovereenkomst - als zou worden aangenomen dat [verweerder] daarmee heeft ingestemd – is op het punt van de duur ervan ingericht en uitgewerkt als uitzendovereenkomst. Deze regeling is in zoverre strijdig met de regeling voor de arbeidsovereenkomst die geen uitzendovereenkomst is.
Zo is in art. 1 lid 5 vanPro deze overeenkomst bepaald dat deze in ieder geval eindigt voordat de werknemer zou instromen in fase B (van de ABU-CAO). Deze bepaling is alleen voor een uitzendovereenkomst relevant, maar heeft geen betekenis voor wat partijen zijn overeengekomen over de (bepaalde) duur van de arbeidsovereenkomst als van een uitzendovereenkomst geen sprake is.
Dat geldt ook voor art. 1 lid 6 vanPro de overeenkomst. Daarin is bepaald dat de uitzendovereenkomst is aangegaan “voor de duur van 4 weken”en daarna eventueel “wordt verlengd voor een periode van 4 weken”. Hept is gezien het bepaalde in art. 4 – de overeenkomst eindigt uiterlijk na 52 gewerkte weken – de kennelijke bedoeling om voor het verlopen van die termijn geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te doen ontstaan. Dat is niet mogelijk vanwege de ketenregeling van art. 7:668a lid 1 onderdeel b BW. Als er in die periode sprake is van meer dan 3 verlengingen van 4 weken, en deze elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
Er is geen aanleiding om te oordelen dat met het aangaan van deze overeenkomst een bepaalde duur is overeengekomen tussen partijen voor het geval deze geen uitzendovereenkomst zou zijn.
( c) De rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
15. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet rechtsgeldig is geëindigd. Dit oordeel is door de kantonrechter als volgt onderbouwd in r.o. 4.5 van de bestreden beschikking.
De arbeidsovereenkomst is door [verzoeker] op 5 juli 2024 tegen 4 augustus 2024 opgezegd.
[verzoeker] is niet duidelijk over de reden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De opzeggingsbrief lijkt, gelet op de daarin gegeven reden voor de opzegging, bedoeld als een ontslag op staande voet: "Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus 2024. Zoals aangegeven in ons gesprek van 4 juli 2024 zijn de redenen te laat komen, helemaal niet komen opdagen en vooral marihuanagebruik tijdens werktijd. Om deze redenen was uw laatste werkdag derhalve 5 juli 2024, aangezien we geen verdere problemen met onze opdrachtgever willen krijgen".
Voor zover [verzoeker] bedoeld mocht hebben [verweerder] op staande voet te ontslaan, wordt zijn beroep op een rechtsgeldig ontslag op staande voet verworpen. Over de in de brief genoemde gedragingen van [verweerder] zijn verder geen concrete feiten gesteld. De formulering in de brief biedt geen aanknopingspunten voor een dringende reden, die een ontslag op staande voet zou rechtvaardigen. De formulering is zo algemeen van aard, dat voor [verweerder] niet zonder meer duidelijk was wat de dringende reden is geweest die aan het ontslag op staande voet is ten grondslag gelegd.
Indien en voor zover al sprake zou zijn geweest van een uitzendovereenkomst, is evenmin door [verzoeker] gesteld op grond waarvan die dan rechtsgeldig kon worden beëindigd.
Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, dient te worden toegewezen.
16. Met grief 3betoogt [verzoeker] dat de uitzendovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, als volgt.
[verzoeker] stelt zich primair op het standpunt dat hij na 5 juli 2024 geen loon meer verschuldigd is omdat vanaf dat moment de opdrachtgever [verweerder] heeft weggestuurd. Dat betekent dus dat de handelingen van [verweerder] en het vervolgens weggestuurd worden door de opdrachtgever leiden tot het einde van de uitzendovereenkomst op 5 juli 2024.
[verweerder] was al eerder gewaarschuwd over het roken van marihuana. Dat is op een bouwterrein levensgevaarlijk en onacceptabel. Bij de opzegging zijn de regels van de ABU- CAO in acht genomen.
Het lijkt erop dat [verweerder] telkens een ander verblijfadres heeft, maar dit niet doorgeeft aan [verzoeker] . [verzoeker] kan dan ook niet verweten worden dat [verweerder] de brief niet heeft ontvangen. Door niet zijn juiste en meest recente adres door te geven, dient [verweerder] het risico te dragen dat de brief hem niet heeft bereikt.
17. Ook deze grief faalt. Dit wordt als volgt toegelicht.
17. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is geschied zonder (schriftelijke) instemming van [verweerder] . Dit is mogelijk in de in art. 7:671 onderdelenPro a tot en
met h BW genoemde gevallen. [verzoeker] baseert zijn standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd echter ten onrechte (uitsluitend) op het regime dat van toepassing is op de uitzendovereenkomst. Reeds hierom faalt de grief.
19. Verder, voor zover het standpunt van [verzoeker] wordt beoordeeld als een beroep op het in art. 7:671 onderdeelPro c BW genoemde geval: een rechtsgeldig ontslag op staande voet, geldt het volgende.
19. Voor een ontslag op staande voet (art. 7:677 lid 1 BWPro) is vereist dat het gaat om een onverwijlde opzegging, een dringende reden en een onverwijlde mededeling van deze dringende reden aan de werknemer. De opzegging voldoet niet aan deze eisen.
Bekendheid met het ontslag en de ontslagredenen
De opzegging is gedaan met de brief van 5 juli 2024. Daarin staan als redenen vermeld (a) het te laat komen, (b) helemaal niet komen opdagen en (c) marihuanagebruik.
[verweerder] betwist (i) dat hij wist dat er een ontslag had plaatsgevonden, (ii) de gestelde ontslaggronden en tevens (iii) dat hem waarschuwingen zijn verzonden.
Zo betwist [verweerder] dat hij de opzeggingsbrief heeft ontvangen. Dat is door [verzoeker] niet betwist, maar deze wijt dat kort gezegd aan het met regelmaat wijzigen van de verblijfplaats van [verweerder] .
Er is door [verzoeker] verder niet voldoende ingegaan op wat [verweerder] heeft aangevoerd over het feit dat hij niet van het ontslag wist, namelijk het volgende.
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij zijn verhuizingen in zijn herinnering steeds correct aan [verzoeker] heeft doorgegeven en, mocht hij dit een keer vergeten zijn, dat daaruit niet automatisch volgt dat hij het risico dient te dragen dat de opzeggingsbrief hem niet heeft bereikt. Volgens [verweerder] had deze brief per aangetekende post (met bevestiging van ontvangst) moeten worden gestuurd, en/of per mail of WhatsApp. [verzoeker] en [verweerder] communiceerden vaak per WhatsApp.
In het telefoongesprek op 7 juli 2024 waarin [verweerder] ’s vriendin hem bij [verzoeker] ziekmeldde, heeft [verzoeker] met geen woord over ontslag of een ontslagbrief gerept.
Ook uit het WhatsAppbericht van [verweerder] van 15 juli 2024 (productie 3 bij verzoekschrift in eerste aanleg) kan worden geconcludeerd dat [verweerder] niet op de hoogte was van een opzegging. Dit bericht luidt als volgt:
“Beste [verzoeker]
Op zondag 7 juli 2024 heeft mijn vriendin u gebeld om mij ziek te melden. U gaf toen aan dat zij aan mij moest laten weten dat ik niet meer op het werk hoefde te verschijnen.
Op maandag 8 juli 2024 heeft zij u opnieuw gebeld. Zij gaf aan dat ik door ziekte niet kon komen en dat u mij eigenlijk had moeten ziekmelden. U weigerde mij ziek te melden. U had uw twijfels over mijn ziekmelding. Zij liet weten dat u een arbo arts zou kunnen
langssturen ter controle. Ook hierop gaf u aan dat u geen arbo arts zou langssturen.
Wel gaf u aan dat u na de bouwvak met mij om de tafel zou willen om te bezien of ik nog voor u aan het werk zou mogen.
Nu zit ik met de situatie dat u mij geen inkomen doorbetaald.
Ik kan geen W.W. aanvragen omdat ik ook geen ontslagbewijs heb en ook geen vaststellingsovereenkomst heb. Ik moet ook mijn vaste lasten betalen. Ik ben langs het Juridisch Loket gegaan om advies in te winnen over wat ik nu moet doen.
Het Juridisch Loket liet mij weten dat ik direct een advocaat diende in te schakelen omdat ik ziekgemeld had moeten worden. Zij gaven ook aan dat ik geen W.W. of ander soort uitkering kan aanvragen omdat ik ziekgemeld had moeten worden en ze mijn aanvraag
zullen afwijzen.
Ik wil eigenlijk geen problemen en ik wil dit het liefste met jou oplossen. Dus heb ik gezegd dat ik eerst nog aan u wil
verzoeken om mij per 7 juli 2024 ziek te melden.
Mocht u dat alsnog weigeren, dan zal ik genoodzaakt zijn om een advocaat in te schakelen en dan weet ik ook dat ik in het gelijk gesteld zal worden. Maar ik verzoek u om het zonder
tussenkomst van een advocaat van te regelen.
Ik hoor graag van u of u mij per 7 juli 2024 ziek heeft gemeld. (…)”.
[verzoeker] heeft niet aangegeven hoe hij op dit WhatsAppbericht heeft gereageerd, dus ook niet dat hij heeft gezegd dat [verweerder] was ontslagen en vanwege de regels voor de uitzendovereenkomst geen recht meer had op loon.
[verzoeker] heeft aangeboden te bewijzen dat er op 4 juli 2024 een “opzeggingsgesprek”heeft plaatsgevonden. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat niet is toegelicht waarom dit ter zake dienend is. Zo is niet onderbouwd wat er volgens [verzoeker] in het gestelde ontslaggesprek concreet feitelijk over de dringende redenen tegen [verweerder] is gezegd. Deze onderbouwing mag van [verzoeker] worden verwacht omdat – wat hierna wordt behandeld – de ontslagbrief op dit punt te vaag is.
Aldus kan niet worden geoordeeld dat bij het doen van de opzegging de dringende reden onverwijld is meegedeeld aan [verweerder] . Alleen al hierdoor is de opzegging niet rechtsgeldig.
De ontslagredenen
Het hof is het met de kantonrechter eens dat de brief te vaag is. Over de in de brief genoemde gedragingen van [verweerder] zijn geen concrete feiten gesteld. De formulering is zo algemeen van aard, dat voor [verweerder] niet zonder meer duidelijk was wat de dringende reden is geweest die aan het ontslag op staande voet is ten grondslag gelegd.
Marihuanagebruik
Het hof verwerpt verder wat [verzoeker] heeft gesteld over het wegsturen van de werkplaats van [verweerder] door opdrachtgevers vanwege het roken van Marihuana, omdat deze concrete kwesties niet in de ontslagbrief staan en gesteld noch gebleken is dat deze kwesties wel kenbaar voor [verweerder] aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.
Het gaat kennelijk – zo begrijpt het hof – om de volgende twee gevallen.
Opdrachtgever [naam 1] heeft per e-mail bericht dat [verweerder] op 11 april 2024 is weggestuurd van de bouwplaats vanwege “het roken van cannabis” (productie 3 bij verweerschrift in eerste aanleg).
Opdrachtgever [naam 2] heeft per e-mail bericht dat [verweerder] op 5 juli 2024 van het werkterrein is verwijderd vanwege drugsgebruik (productie 4 bij verweerschrift in eerste aanleg).
Door [verzoeker] is niet onderbouwd dat en hoe deze kwesties aan [verweerder] als ontslagreden zijn meegedeeld.
Het hof begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat de dringende reden op dit punt alleen ziet op de situatie bij [naam 1] . Immers, volgens [verzoeker] zijn de ontslagredenen op 4 juli 2024 gegeven in een “opzeggingsgesprek”. De situatie bij [naam 2] is van de dag daarna, 5 juli 2024. Die laatste situatie kan daarom niet in het ontslaggesprek (mede) als dringende reden zijn betrokken.
Uitgaande van de situatie bij [naam 1] is niet is onderbouwd dat het ontslag onverwijld is gegeven. Die situatie deed zich al op 11 april 2024 voor, terwijl de gestelde opzegging bijna 3 maanden later, op 5 juli 2024 plaatsvond.
[verzoeker] heeft aangeboden te bewijzen dat [verweerder] van het werkterrein is weggestuurd op 5 juli 2024. Het hof passeert ook dit bewijsaanbod omdat bij de hiervoor genoemde stand van zaken niet is in te zien waarom het wegsturen op 5 juli 2024 ter zake dienend zou zijn voor de rechtsgeldigheid van de opzegging.
Te laat komen of niet komen
Het te laat komen of helemaal niet komen is niet door [verzoeker] onderbouwd.
Ultimum remedium
Verder is niet onderbouwd waarom in dit geval een ontslag op staande voet als laatste middel – ultimum remedium – gerechtvaardigd was.
21. Uit het voorgaande volgt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was. De kantonrechter heeft de opzegging daarom terecht vernietigd.
( d) De berekening van de omvang van de loonaanspraken
22. De kantonrechter heeft de – kort gezegd – loonaanspraken van [verweerder] vastgesteld en berekend op basis van de CAO Bouw. Met de grieven 3 en 4betoogt [verzoeker] verder dat [verweerder] geen aanspraak meer heeft op loon na 5 juli 2024, dan wel dat deze op grond van de ABU-CAO in ieder geval niet voortduren na 4 augustus 2024, dan wel na 18 september 2024.
23. Deze grief faalt omdat als gezegd de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was, er geen sprake was van een uitzendovereenkomst en dus de ABU-CAO niet van toepassing was.
23. De door de kantonrechter vastgestelde en berekende loonaanspraken van [verweerder] zijn in hoger beroep verder niet bestreden. Het hof zal dan ook van de juistheid daarvan uitgaan.
Wettelijke verhoging
25. Met grief 5betoogt [verzoeker] dat de wettelijke verhoging (art. 7:625 BWPro) gematigd had moeten worden. Volgens [verzoeker] was er geen prikkel nodig om tijdig tot salarisbetaling over te gaan omdat de uitzendovereenkomst al was geëindigd.
25. Het hof verwerpt deze grief. Hiervoor is al geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Voor het overige is de grief onvoldoende onderbouwd.
Slotsom
27. De slotsom is dat het hoger beroep faalt en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze zijn € 2.790.-- , bestaande uit € 362,-- aan griffierecht en € 2.428,-- (2 punten, tarief II).
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 2.790,--.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, F.J. Verbeek en O.F. Blom en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.