In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag op 19 februari 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 20 november 2024.
De verdachte was op 18 september 2025 persoonlijk op de hoogte gesteld van het vonnis, waarna hij binnen veertien dagen hoger beroep had moeten instellen. De uiterste termijn voor het indienen van het hoger beroep was vastgesteld op 17:00 uur op donderdag 2 oktober 2025, conform het bestuursreglement van de rechtbank Rotterdam.
De schriftelijke volmacht van de raadsman van verdachte om het hoger beroep in te stellen, werd echter pas om 19:41 uur op 2 oktober 2025 bij de griffie ontvangen, wat na sluitingstijd was. Hierdoor werd het hoger beroep te laat ingediend. Er zijn geen omstandigheden gebleken die deze termijnoverschrijding verontschuldigen, zodat het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het hoger beroep.