ECLI:NL:GHDHA:2026:491

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
200.350.146/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding straatverbod en afgifte goederen niet-ontvankelijk verklaard

De vrouw, voormalig samenwoner zonder samenlevingscontract, vorderde in kort geding een straatverbod tegen de man en de teruggave van goederen. Tijdens de mondelinge behandeling trok zij haar overige grieven in, waardoor het geschil zich beperkte tot deze vorderingen.

De kantonrechter had in de bodemprocedure reeds uitspraak gedaan en de vorderingen van de vrouw afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof past de afstemmingsregel toe en oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag of gewijzigde omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.

De vrouw kon geen spoedeisend belang aantonen voor haar vorderingen in hoger beroep. Het hof verklaart haar daarom niet-ontvankelijk en veroordeelt haar in de proceskosten van het hoger beroep. De vrouw wordt gewezen op de mogelijkheid een provisionele voorziening te verzoeken in de bodemprocedure.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan spoedeisend belang en veroordeelt de vrouw in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.350.146/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/686767 / KG ZA 24-936
Arrest in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,voor zichzelf en als ouder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J.J.A. Bosch, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1.De zaak in het kort

1.1
Partijen zijn voormalig samenwoners zonder samenlevingscontract. Het onderhavige kort geding in hoger beroep ziet enkel nog op het opleggen van een straat-/contactverbod aan de man en de teruggave van goederen aan de vrouw, aangezien de vrouw tijdens de hierna te melden mondelinge behandeling haar overige grieven heeft ingetrokken.
1.2
Het hof komt tot het oordeel dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen in hoger beroep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof zal zijn oordeel hierna toelichten.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 19 december 2024, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 november 2024, hierna: het bestreden vonnis;
  • de memorie van grieven tevens wijziging van eis van de vrouw met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van de man met bijlage;
  • de brief gedateerd 8 augustus 2025 met bijlagen 18 tot en met 27 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de brief gedateerd 10 augustus 2025 met bijlage 28 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de brief gedateerd 11 augustus 2025 met bijlagen 1 tot en met 4 die de man ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de brief gedateerd 18 augustus 2025 met bijlagen 29 tot en met 32 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de brief gedateerd 2 september 2025 met bijlage 5 die de man ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • het e-mailbericht van 26 januari 2026 met bijlagen 33 en 34 dat de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
De oorspronkelijk op 21 augustus 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft geen doorgang kunnen vinden wegens onvoorziene omstandigheden aan de zijde van het hof. Het hof heeft partijen vervolgens bij e-mailbericht van 21 augustus 2025 verzocht zich uit te laten over het spoedeisend belang van de zaak en of de zaak op de stukken kan worden afgedaan. Volgens de man is dan geen sprake meer van spoedeisend belang. De vrouw wenst alsnog een mondelinge behandeling. Hierop zijn de verhinderdata van partijen door het hof opgevraagd. Partijen is nogmaals verzocht zich uit te laten over het spoedeisend belang van de zaak op de eerste rol van 2026. De man verwijst in dat kader naar zijn op 2 september 2025 overgelegde brief met als bijlage het na te melden vonnis van de kantonrechter in de bodemprocedure, in welk vonnis reeds over alle geschilpunten is beslist, zodat de vrouw volgens hem geen belang meer heeft bij het huidige hoger beroep. De vrouw is van mening dat nog steeds sprake is van spoedeisend belang zodat de mondelinge behandeling doorgang moet vinden.
2.3
Op 29 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, met name wat de spoedeisendheid betreft. De onder r.o. 2.1 gemelde brieven/berichten met bijlagen van partijen zijn als akte genomen en maken thans deel uit van het procesdossier.

3.Het vonnis in de bodemprocedure

3.1
Vast staat dat de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 29 augustus 2025 inmiddels uitspraak heeft gedaan in de door partijen aangebrachte bodemprocedure. Bij dat vonnis heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover hier nog van belang:
- de eis van de vrouw om aan de man voor verschillende locaties een straatverbod op te leggen, afgewezen;
- de eis ten aanzien van de afgifte door de man aan de vrouw van de spullen, zoals meubels, witgoed, elektronica en kleding eveneens afgewezen,
aangezien de vrouw deze eisen onvoldoende heeft onderbouwd.
3.2
In voormelde procedure heeft de bodemrechter derhalve een beslissing genomen over dezelfde geschillen die de vrouw thans in hoger beroep in kort geding aan het hof voorlegt.

4.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid

4.1
Op grond van de afstemmingsregel moet de voorzieningenrechter, in casu het hof, zijn oordeel op het oordeel van de bodemrechter afstemmen, ongeacht of die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Van dit oordeel van de bodemrechter kan de voorzieningenrechter afwijken indien die beslissing klaarblijkelijk op een misslag berust of indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, wanneer hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Gesteld noch gebleken is dat in de onderhavige zaak sprake is van een kennelijke misslag dan wel een significante wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft in hoger beroep enkel haar eerdere stellingen inzake de resterende geschillen herhaald en deze wederom niet nader onderbouwd. Op de meermalen door het hof aan de advocaat van de vrouw gestelde vraag waarin - gelet op voormelde afstemmingsregel - nog het spoedeisend belang van de vrouw is gelegen, heeft de advocaat van de vrouw geen antwoord kunnen geven.
4.2
Van de advocaat van de vrouw mag worden verwacht dat hij bekend is met voormelde afstemmingsregel. Daar komt bij dat de vrouw volgens de verklaring van haar advocaat ter mondelinge behandeling inmiddels hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de bodemrechter. Het staat de vrouw vrij in deze procedure een provisionele voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering (Rv) te verzoeken.
Conclusie en proceskosten
4.3
De conclusie is dat de vrouw wegens gebrek aan spoedeisend belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen in het onderhavige hoger beroep. Gelet op de hiervoor omschreven proceshouding van de vrouw ziet het hof geen aanleiding voor de gebruikelijke proceskostencompensatie tussen ex-partners. Het hof zal de vrouw dan ook als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zoals ook gevorderd door de man. Het hof ziet geen aanleiding voor de eveneens door de man gevorderde proceskostenveroordeling in eerste aanleg en zal deze vordering afwijzen.
4.4
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de man op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II ad € 1.214,-)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.968,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep;
  • veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 2.968,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als de vrouw niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de vrouw de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst het in hoger beroep inzake de proceskosten meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. A.N. Labohm, en mr. J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.