Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:506

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.349.201/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:317 BWArt. 3:320 BWArt. 3:321 BWArt. 6 huwelijkse voorwaardenArt. 2:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aflossing rekening-courantschuld en verjaring tussen ex-echtgenoten

De man vordert in hoger beroep betaling van een bedrag dat hij uit privévermogen heeft betaald ter aflossing van de rekening-courantschuld van de vrouw bij haar BV. De rechtbank had zijn vordering afgewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis en oordeelt dat de man voldoende heeft aangetoond dat hij de schuld van de vrouw heeft afgelost.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de man een vordering op de vrouw heeft wegens deze aflossing en of deze vordering is verjaard. Het hof stelt vast dat de man tijdig zijn vordering heeft gestuit met een brief uit 2016 en dat de vordering niet verjaard is. De vrouw kon er redelijkerwijs van uitgaan dat de man zijn vordering niet had prijsgegeven.

Het hof overweegt dat de vrouw als bestuurder verantwoordelijk is voor de administratie van de BV en dat de man geen eigen rekening-courantverhouding met de BV had. De betalingen van de man kwalificeren als een vordering op de vrouw volgens de huwelijkse voorwaarden. De man krijgt gelijk en wordt veroordeeld tot betaling van €567.826 plus wettelijke rente vanaf 27 maart 2023.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €567.826 plus wettelijke rente wegens aflossing van haar rekening-courantschuld door de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.349.201/01
Zaaknummer rechtbank : C/03/319743/ HA ZA 23-287
Arrest van 31 maart 2026
In de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. M.W. Steenpoorte te ’s-Hertogenbosch,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde, hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. K.A. Boshouwers te Utrecht.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 augustus 2024 waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) van 24 juli 2024 (hierna: het bestreden vonnis);
- het arrest van 19 november 2024 van het hof ’s-Hertogenbosch waarbij de onderhavige zaak is verwezen naar het hof Den Haag;
- de dagvaarding van 28 november 2024 waarbij de man de vrouw heeft opgeroepen voor de zitting van het hof Den Haag;
- de memorie van grieven, met bijlagen;
- de memorie van antwoord, met bijlagen;
- een akte van 5 maart 2026 van de zijde van de man met producties.
1.2.
Op 5 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.

2.Procedure bij de rechtbank

2.1.
De man heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:
a. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 403.499, - te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente berekend overeenkomstig productie 13 voor de periode tot 1 juni 2023, zijnde een bedrag van € 209.976,53, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023 tot de dag der algehele voldoening;
b. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
2.2.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van de man jegens de vrouw afgewezen, de kosten van deze procedure tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.De vordering van de man in hoger beroep

3.1.
De man vordert in hoger beroep:
Dat het uw Gerechtshof moge behagen, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 24 juli 2024 van de rechtbank Limburg te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog te veroordelen:
  • primair tot betaling aan de man van een bedrag van € 590.076, te vermeerderen met wettelijke rente van € 361.184 tot 1 juli 2025 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening, en
  • subsidiair tot betaling aan de man van een bedrag van € 567.826, te vermeerderen met wettelijke rente van € 361.184 tot 1 juli 2025 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening, en
  • primair en subsidiair de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van het ten deze wijze arrest tot aan de dag der algehele voldoening.

4.De beoordeling van het hoger beroep

4.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht. De kern van het geschil tussen partijen is of de man uit privévermogen de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] voor een bedrag van primair € 590.076 en subsidiair € 567.826 heeft afgelost en of daardoor een vordering van de man op de vrouw is ontstaan, alsmede wat dan de grondslag van deze vordering is. De vrouw is van mening dat de man een eigen schuld bij [B.V.] heeft afgelost.
Verjaring
4.2.
De vrouw stelt in 7.1 van haar memorie van antwoord dat het vorderingsrecht van de man op de vrouw inzake het aflossen van de rekening-courantschuld bij [B.V.] door tijdsverloop deels is verjaard.
4.3.
Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat zijn vordering jegens haar is verjaard. De man is van mening dat zijn mededelingen aan de vrouw voldoen aan de in artikel 3:317 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gestelde eisen. In randnummer 6.2. van zijn spreekaantekeningen van 5 maart 2026 verwijst hij naar zijn producties 12,14 en 15 in eerste aanleg. In randnummer 6.3 van zijn spreekaantekeningen stelt de man dat ook de deskundige van de vrouw heeft gesproken over betalingen door de man ten behoeve van de vrouw van in totaal € 801.249. Uit productie 15 blijkt dat de man op 23 december 2016 een brief heeft verstuurd aan de vrouw met onder meer de navolgende inhoud: “Het is om reden van het bovenstaande dat ik er aan hecht om in ieder geval mijn vordering op jou van € 500.000,= exclusief rente onder jouw aandacht te brengen. In 2009 heb ik dat bedrag van € 500.000,= ten behoeve van jou in het kader van de inlossing van jouw schuldpositie (rekening courant en/of lening) bij [B.V.] aan laatstgenoemde vennootschap betaald. Ik behoud mij uiteraard het recht op nakoming/inlossing van die vordering (te vermeerderen met rente) door jou aan mij voor.”
4.4.
Het hof overweegt als volgt. Uit de huwelijkse voorwaarden van partijen volgt dat een echtgenoot op de andere echtgenoot een vordering verkrijgt indien uit zijn/haar vermogen is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Het hof verwijst naar artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Een dergelijke vordering is ingevolge de huwelijkse voorwaarden direct opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten. Voor echtgenoten geldt een verlenging van de verjaringstermijn, het hof verwijst naar artikel 3:320 BW Pro en artikel 3:321 BW Pro. De echtscheiding van partijen is ingeschreven op 27 juni 2016 in het register van de burgerlijke stand. Naar het oordeel van het hof heeft de man door middel van de door hem op 23 december 2016 aan de vrouw gestuurde brief tijdig zijn vordering op de vrouw inzake de aflossing door hem van de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] gestuit. Voorts is voormelde vordering van de man in diverse procedures tussen de man en de vrouw aan de orde geweest. Gezien de feitelijke gang van zaken tussen partijen na 26 juni 2016 kon de vrouw er in alle redelijkheid vanuit gaan dat de man zijn vordering jegens de vrouw niet heeft prijsgegeven. De vordering is dus niet verjaard.
Grieven van de man.
4.5.
De man heeft een tweetal grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. In de eerste grief stelt de man dat de rechtbank van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd en wel in die zin dat de man moet bewijzen dat hij een schuld van de vrouw heeft voldaan. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijslast op een juiste wijze heeft verdeeld. Als de man stelt dat hij uit privévermogen een schuld van de vrouw bij [B.V.] heeft afgelost, rust op hem de stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast daarvan.
4.6.
Voorts volgt uit de grieven van de man alsmede uit zijn toelichting dat hij van mening is dat hij heeft aangetoond dat hij alleen op de rekening-courantschuld van de vrouw heeft afgelost. De man heeft in randnummer 5.1. van zijn memorie van grieven gesteld dat er geen rekening-courantverhouding bestaat tussen de man en [B.V.] . In de beschikbare financiële administratie van [B.V.] wordt alleen gesproken over een rekening-courant van de aandeelhouders/directie van [B.V.] . In alle jaarrekeningen van [B.V.] komt alleen een rekening-courant met de vrouw voor. De grootboekkaarten die de vrouw in het geding heeft gebracht zijn incompleet en innerlijk tegenstrijdig. In randnummer 4.8 van de memorie van grieven stelt de man dat hij zich niet bezighield met het beleid of de dagelijkse gang van zaken bij [B.V.] .
4.7.
Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. In de visie van de vrouw trok de man wel degelijk aan alle financiële touwtjes, deed de financiële zaken en de administratieve bedrijfsvoering. Het hof verwijst naar blz. 4-5 van de memorie van antwoord. Voorts volgt uit het betoog van de vrouw dat de man een eigen rekening-courant verhouding had bij [B.V.] . Het hof verwijst naar blz. 5-7 van de memorie van antwoord van de vrouw. De man had ook eigen grootboekkaarten met het nummer en [nummer] en de vrouw had grootboekkaarten bij [B.V.] met nummer [nummer] . In de visie van de vrouw onderhield de man ook de contacten met de accountant van [B.V.] .
4.8.
Het hof overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat de vrouw – al dan niet middellijk - enig aandeelhouder en enig bestuurder is van [B.V.] . De bestuurder van [B.V.] is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen de BV en daarnaast is de bestuurder verantwoordelijk voor het plannen van de toekomst van de BV en het ontwikkelen van het beleid. Als de vrouw de man zaken heeft laten verrichten binnen de onderneming dan is dat dus geschied onder haar verantwoordelijkheid. Dit volgt uit het vennootschapsrecht. De bestuurder van de BV dient ook een deugdelijke boekhouding te voeren. Het hof verwijst naar artikel 2:10 BW Pro. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen deugdelijke uitleg gegeven met betrekking tot de grootboekkaarten. Dezelfde betalingen komen voor op grootboekkaart [nummer] en grootboekkaart [nummer] . Het hof verwijst naar onder meer de spreekaantekeningen van de man randnummer 2.4 tot en met 2.7. Uit 2.5 volgt dat de betaling van € 250.000 voorkomt op grootboekkaart [nummer] en [nummer] . Voor zover de man handelingen binnen [B.V.] heeft verricht, is dit noch voor de BV noch voor de vrouw tijdens het huwelijk aanleiding geweest om de man daarop aan te spreken. Uit de jaarrekening 2008 van [B.V.] die op 29 januari 2010 door de vrouw is ondertekend volgt dat alleen de vrouw een rekening-courantverhouding had met de BV. De jaarrekening is samengesteld – op basis van de door het bestuur van [B.V.] verstrekte gegevens – door de [accountant] , accountant bij [bedrijf] . Uit deze jaarrekening volgt niet dat ook de man een schuld had aan [B.V.] . Bij e-mail van 14 maart 2025 verklaart [werknemer accountantskantoor] (werkzaam bij een accountantskantoor) dat hem niet bekend is dat de man ooit een rekening-courantverhouding heeft gehad met [B.V.] . Op basis van onder meer voormelde gegevens is het hof van oordeel dat de man geen rekening-courantschuld heeft gehad bij [B.V.] en dat er alleen een rekening-courantschuld was van de vrouw jegens [B.V.] . De betalingen die de man heeft gedaan vanuit zijn privévermogen ter delging van de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] kwalificeren dus als een vordering in de zin van artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden van partijen.
4.9.
Uit de brief van de advocaat van de man aan de vrouw van 27 maart 2023 volgt dat de man in totaal ten behoeve van de vrouw op de rekening-courantschuld aan [B.V.] heeft betaald de somma € 801.249. Echter de man stelt in zijn memorie van grieven dat hij een bedrag van € 987.826 op de rekening-courant van [B.V.] heeft gestort (zie blz. 20 van de memorie van grieven). Het hof leest hierin een vermeerdering van zijn vordering ten opzichte van de eerste aanleg. Tegen de vermeerdering van eis heeft de vrouw geen specifiek verweer gevoerd. Naar het oordeel van het hof had het op haar weg gelegen om expliciet in te gaan op het gedetailleerde overzicht dat de man op blz. 19 en 20 van zijn memorie van grieven heeft gesteld. Van dat bedrag is door of namens de vrouw aan de man terugbetaald een bedrag van € 420.000, zodat resteert een bedrag van € 567.826. De man heeft in eerste aanleg ook een groot aantal bankafschriften van zijn Rabobank rekening in het geding gebracht. Uit die rekening afschriften [rekeningnummer] volgt dat de man vanaf zijn privérekening bedragen heeft overgeboekt naar de rekening van [B.V.] en dat veelal als omschrijving stond: aflossing rekening courant directie. Het hof verwijst expliciet naar productie 14 van de man en de daarbij behorende bijlage 1 (productie bij de dagvaarding in eerste aanleg). De omschrijving en dus de titel waarop of waarvoor werd afgelost is dus helder. Hoe de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] is ontstaan is nu geen relevant onderwerp van het debat tussen partijen. Het gaat om de vraag of de man al dan niet de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] heeft afgelost. Het hof is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij op de rekening-courantschuld van de vrouw bij [B.V.] heeft afgelost.
4.10.
Uit 8.1 van de memorie van grieven van de man volgt dat hij ook de wettelijke rente vordert voor elk jaar aan openstaand saldo van het jaar daarop, en vanaf 31 december 2009 tot algehele voldoening. Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij in ieder geval geen wettelijke rente verschuldigd is. Het hof verwijst naar blz. 10 van de memorie van antwoord. In haar conclusie van antwoord in eerste aanleg stelt de vrouw dat het ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid is indien de vrouw met terugwerkende kracht de wettelijke rente verschuldigd is.
4.11.
Het hof overweegt als volgt. De man kan niet met terugwerkende kracht aanspraak maken op de wettelijke rente, eerst uit de brief van de advocaat van de man aan de vrouw van 27 maart 2023 maakt de man jegens de vrouw expliciet aanspraak op de wettelijke rente over hetgeen zij aan hem verschuldigd is. In de brief van de man van 23 december 2016 maakt hij geen aanspraak op de wettelijke rente, hij behoudt zich het recht voor om rente te vorderen. De man geeft geen grondslag aan op basis waarvan hij rente van de vrouw vordert. In eerste aanleg heeft de man slechts de wettelijke rente verschuldigd (27 maart 2023) over een bedrag van € 403.499 gevorderd. Vanaf de memorie van grieven kan de man aanspraak maken over de wettelijke rente over een bedrag van € 567.826 (18 maart 2025).
4.12.
Het overige dat partijen over en weer hebben gesteld behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor het onderhavige oordeel.
Proceskosten
5.1.
Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten zal het hof ook in hoger beroep de proceskosten compenseren. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 18 juli 2023 al aan partijen het advies gegeven om een regeling te treffen. Ook het hof Den Haag heeft partijen ter mondelinge behandeling dringend het advies gegeven om met deskundige fiscale en financiële adviseurs op zo kort mogelijke termijn om de tafel te gaan zitten. Partijen voeren diverse procedures terwijl het om een financiële afwikkeling dient te gaan.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 juli 2024 – met uitzondering van de proceskosten compensatie – en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen de somma van € 567.826,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2023 tot en met 17 maart 2025 over een bedrag van € 403.499,- en vanaf 18 maart 2025 over een bedrag van € 567.826,- tot de dag der algehele voldoening;
verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.