Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:508

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.362.871/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur ondertoezichtstelling minderjarigen wegens onvoldoende inzicht thuissituatie

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kinderen, die door de rechtbank was vastgesteld voor de duur van een jaar. De minderjarigen wonen bij de moeder en de (stief)vader, die gezamenlijk gezag uitoefenen over de jongste. De moeder betwistte de noodzaak van de ondertoezichtstelling en stelde dat de situatie verbeterd is, met positieve schoolverslagen en geen nieuwe incidenten.

De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling handhaafden dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, mede door het ontbreken van openheid over de thuissituatie en het uitblijven van een 1-op-1-gesprek met de moeder. De moeder kon vanwege haar werk niet tijdig afspraken maken, wat het zicht op de opvoedsituatie bemoeilijkte.

Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht is opgelegd, maar dat gezien de positieve signalen en het ontbreken van zicht op de thuissituatie de volledige termijn van een jaar niet noodzakelijk is. Daarom werd de duur beperkt tot negen maanden, met de verwachting dat de moeder en de gecertificeerde instelling spoedig het gesprek zullen aangaan om de veiligheidssituatie te beoordelen.

De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd vernietigd voor zover het de duur van de ondertoezichtstelling betreft en opnieuw vastgesteld voor negen maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt beperkt tot negen maanden vanwege onvoldoende inzicht in de thuissituatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.362.871/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 25-1811
zaaknummer rechtbank : C/10/705974
beschikking van de meervoudige kamer van 1 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
tegen
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende in deze procedure is aangemerkt:
[de (stief)vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de (stief)vader.
Als informant in deze procedure is aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 19 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De raad heeft op de zitting verweer gevoerd.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de (stief)vader;
  • de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De moeder is de ouder van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] );
  • [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 4] ),
(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
3.3
De (stief)vader is de ouder van [minderjarige 4] .
3.4
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder en de (stief)vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 4] .
3.5
De minderjarigen wonen bij de moeder en de (stief)vader.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 16 oktober 2025 tot 16 oktober 2026. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals aangevuld ter zitting:
primair
I. de bestreden beschikking te vernietigen;
II. opnieuw beschikkende in hoger beroep de verzoeken van de raad in eerste aanleg alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie zult vermenen te behoren met inachtneming van de gronden van het hoger beroep;
subsidiair
III. de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te beperken in duur tot maximaal zes maanden,
kosten rechtens.
4.3
De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Standpunten van partijen
5.1
De moeder stelt dat niet aan de wettelijke vereisten voor de ondertoezichtstelling is voldaan. Zij ziet geen ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. Het gaat goed met de minderjarigen, zij heeft positieve verslagen gekregen van school en er zijn geen nieuwe incidenten of gebeurtenissen geweest in de afgelopen periode. In het bijzonder gaat het ook met [minderjarige 4] goed; haar diabetes is onder controle en de ouders krijgen hulp van het ziekenhuis. De zorgen vanuit de raad en de gecertificeerde instelling hebben betrekking op momenten van ver voordat de ondertoezichtstelling is uitgesproken. De moeder en de (stief)vader hebben de afgelopen periode gewerkt aan hun onderlinge communicatie. Daarnaast is er een recent en actueel rapport van ASH Enver dat zeer positief is over de opvoedsituatie bij de ouders. Uit dat verslag blijkt dat de moeder en de (stief)vader open stonden voor het traject en zich hielden aan de veiligheidsafspraken. ASH Enver heeft geen vervolg hulpverlening geadviseerd. De moeder en de (stief)vader zetten zich zo goed mogelijk in voor de minderjarigen. Als zij zorgen hebben over de minderjarigen schakelen zij direct professionele hulp in. De bemoeienis van de gecertificeerde instelling heeft tot nu toe nergens toe geleid. De gecertificeerde instelling heeft inmiddels kindgesprekken gevoerd met de minderjarigen en ook daar blijken geen zorgen uit. De moeder wil best zicht geven op haar thuissituatie, maar zij kan vanwege haar nieuwe werk niet op korte termijn afspraken inplannen. Als de moeder een afspraak wil verzetten reageert de gecertificeerde instelling langzaam. De ondertoezichtstelling is een te grote inbreuk in de privésfeer van de ouder(s) en dient te worden beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder subsidiair verzocht dat indien het hof zou oordelen dat er wel een noodzaak voor de ondertoezichtstelling aanwezig was, deze alsnog in duur te beperken tot zes maanden, dan wel zo spoedig mogelijk te beëindigen. De rechtbank heeft niet, althans ontoereikend, gemotiveerd waarom een duur van een jaar passend is, aldus de moeder.
5.2
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de gronden voor de ondertoezichtstelling wel degelijk onverkort aanwezig zijn. Gedurende het onderzoek waren er zorgen die zagen op politiecontacten, de interactie tussen de moeder en de (stief)vader en er kwamen zorgelijke signalen vanuit het ziekenhuis. De hulpverlening in het vrijwillige kader, een kans om de ondertoezichtstelling af te wenden, is niet gelukt. De hulp van ASH Enver was vooral gericht op [minderjarige 4] en ASH Enver heeft geen contact gehad met de andere kinderen. De vragen die de raad over de opvoedsituatie had, kon ASH niet beantwoorden. De moeder heeft geen openheid gegeven in de opvoedsituatie en doet dit nog steeds niet. De contactmomenten die de raad en de gecertificeerde instelling tot nu toe hebben ingepland worden op het laatste moment afgezegd of de moeder wil ze verzetten. Het is positief dat er inmiddels goede berichten zijn vanuit school, maar de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen is nog steeds aanwezig omdat de raad geen inschatting kan maken van de veiligheid van de minderjarigen in de thuissituatie. Wil de ondertoezichtstelling kunnen worden beëindigd, dan dient de moeder openheid te geven in de opvoedsituatie en laten zien dat er geen zorgen in de thuissituatie zijn. Daarom meent de raad dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden beëindigd.
5.3
De (stief)vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er geen sprake is van een zorgelijke opvoedsituatie. De communicatie tussen hem en de moeder is verbeterd en zij zijn in de afgelopen periode hierin gegroeid.
5.4
De gecertificeerde instelling heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de minderjarigen in hun ontwikkeling worden bedreigd. De gecertificeerde instelling is betrokken geraakt nadat ASH was gestopt. ASH was vooral gericht op [minderjarige 4] en de zorgen die zagen op haar diabetes. ASH kon vragen over de opvoedsituatie niet beantwoorden. Er is gesproken met de kinderen en de moeder samen en dat was een fijn gesprek. Maar de gecertificeerde instelling loopt er tegenaan dat nog steeds niet met de moeder alleen is gesproken. Er waren zorgen over intieme terreur. Er is sinds begin januari getracht een 1-op-1-gesprek met de moeder te voeren, maar dit is nog steeds niet gelukt. De gecertificeerde instelling is dus nog steeds niet bij het gezin thuis geweest, krijgt geen zicht op de opvoedsituatie bij de moeder en maakt zich hier zorgen over. Het is positief dat de minderjarigen het goed doen op school en dat er geen nieuwe meldingen zijn gekomen, maar voordat er zicht komt op de thuissituatie is er onvoldoende zekerheid dat de minderjarigen veilig zijn bij de moeder en de (stief)vader.
Oordeel van het hof
5.5
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Er bestaan al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de moeder en de (stief)vader thuis. Na eerdere zorgelijke meldingen over ruzies tussen de moeder en de (stief)vader en ook berichten vanuit de school over zorgelijke uitlatingen van de minderjarigen, zijn de minderjarigen vanaf 16 oktober 2025 onder toezicht gesteld. Sindsdien tracht de gecertificeerde instelling 1-op-1-gesprekken met de moeder in te plannen en zicht te krijgen op de thuissituatie maar dit is tot op heden nog niet gelukt. De moeder stelt dat zij vanwege haar werk niet op korte termijn afspraken kan maken en dat de gecertificeerde instelling zich daarbij niet flexibel opstelt. Hoewel het hof begrijpt dat een afspraak soms niet goed uitkomt, acht het hof het zorgelijk dat er na drie maanden nog steeds geen 1-op-1-gesprek in de thuissituatie heeft plaatsgevonden, reeds omdat de moeder op de zitting naar voren heeft gebracht pas sinds de laatste weken van december weer aan het werk te zijn. Doordat er tot op heden geen zicht op de opvoedsituatie thuis is gegeven, is het voor het hof onduidelijk of de ontwikkelingsbedreiging is weggenomen. De moeder en de (stief)vader stellen dat de ruzies in het verleden liggen en dat hun communicatie inmiddels is verbeterd. Ondanks dat de minderjarigen goede verslagen krijgen van school en er geen meldingen meer zijn van incidenten in de thuissituatie, neemt dit de zorgen door het gebrek aan openheid over de situatie thuis, niet weg. Het hof acht het van groot belang dat de moeder zich zal inzetten om het gesprek met de hulpverlening aan te gaan zodat er zicht komt op de thuissituatie en de zorgen over de opvoedsituatie van de minderjarigen kunnen worden weggenomen.
5.7
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden heeft beslist dat de minderjarigen onder toezicht dienden te worden gesteld en dat de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen ook nu nog aanwezig is, omdat de zorgen nog onvoldoende zijn weggenomen om de ondertoezichtstelling te kunnen opheffen. Gelet op het feit dat er ook positieve signalen zijn en het goed gaat met de minderjarigen op school, verwacht het hof evenwel dat niet de volle termijn van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. Zodra de moeder het gesprek aan wil gaan met de gecertificeerde instelling en zicht geeft op de thuissituatie, kunnen de raad en de gecertificeerde instelling de veiligheidssituatie beoordelen en overeenkomstig handelen. Het hof gaat ervan uit dat de gecertificeerde instelling en de moeder dit zo snel mogelijk zullen doen. Het hof ziet hierin aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de duur van de ondertoezichtstelling en de ondertoezichtstelling vaststellen voor een duur van negen maanden.
Proceskosten
5.8
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.9
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking doch alleen wat betreft de duur van de ondertoezichtstelling, en, in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de minderjarigen onder toezicht van de gecertificeerde instelling met ingang van 16 oktober 2025 tot 16 juli 2026;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, H.J.M. Smid-Verhage en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 1 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.