Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:532

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.345.519/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BWArt. 6:61 lid 2 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over herstelmogelijkheid en vervangende schadevergoeding bij tuinrenovatie

Appellanten lieten hun tuin renoveren door geïntimeerde en betaalden hiervoor € 11.707,45. Na oplevering ontstonden gebreken aan de houten schoeiingsplanken, de schutting en de poort. Appellanten schakelden een andere hovenier in voor herstel en vorderden de kosten daarvan als vervangende schadevergoeding.

De kantonrechter wees de vorderingen af omdat geïntimeerde stelde niet in de gelegenheid te zijn gesteld tot herstel. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat geïntimeerde na de sommatiebrief van 24 oktober 2023 nog de kans had moeten krijgen om de gebreken te herstellen, wat hij ook meerdere malen heeft aangeboden.

Appellanten hadden de herstelmogelijkheid moeten accepteren voordat zij vervangende schadevergoeding konden vorderen. Omdat zij dit nalieten, is sprake van schuldeisersverzuim en is geïntimeerde niet in verzuim geraakt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellanten in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat geïntimeerde niet in verzuim is geraakt en wijst de vordering tot vervangende schadevergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.519/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11001152 CV EXPL 24-1340
Arrest van 14 april 2026
in de zaak van

1.[appellante],

2. [appellant],
beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde], h.o.d.n. [naam] Hoveniersbedrijf,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.Th. de Haan, kantoorhoudend in Alblasserdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft de tuin van [appellanten] gerenoveerd. [appellanten] hebben daarvoor € 11.707,45 betaald. [appellanten] vinden dat [geïntimeerde] het werk niet goed heeft uitgevoerd en hebben ervoor gekozen een andere hovenier herstelwerkzaamheden te laten verrichten. Het daarmee gemoeide bedrag van € 5.236,87 vorderen zij in deze procedure van [geïntimeerde] als vervangende schadevergoeding. [geïntimeerde] betwist dat hij dat bedrag dient te betalen, omdat hij door [appellanten] niet in de gelegenheid is gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren, terwijl hij dit wel heeft aangeboden. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [geïntimeerde] die herstelmogelijkheid inderdaad had moeten krijgen. [appellanten] hebben daarom geen recht op het gevorderde bedrag.

2.Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 21 augustus 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 11 juli 2024;
  • het arrest van dit hof van 22 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2024;
  • de memorie van grieven van [appellanten];
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde];
  • de akte uitlaten van [appellanten];
  • de akte van [geïntimeerde].

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 9 februari 2023 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat [geïntimeerde] de tuin van [appellanten] zou renoveren. De werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de bestrating en de beplanting uit de bestaande tuin en het leveren en aanbrengen van nieuwe bestrating, beplanting en het bouwen van een overkapping.
3.2
Op 12 april 2023 is het werk opgeleverd. Op 16 april 2023 stuurde [geïntimeerde] zijn factuur voor het geleverde werk die door [appellanten] is betaald.
3.3
Op 20 mei 2023 schrijven [appellanten] in een e-mail aan [geïntimeerde] dat het hen is opgevallen dat het hout van de overkapping ‘
op verschillende plekken[is]
gaan kieren of zelfs splijten’ en vragen aan [geïntimeerde] of het mogelijk is dat hij dit nog kan komen herstellen. Ook gaven zij daarin aan dat een van de schoeiingsplanken is ‘
gaan verbuigen’. Op 31 mei 2023 reageert [geïntimeerde] daarop dat hij vrijdag 2 juni tijd heeft om langs te komen
‘om het te bekijken’.Nadien worden door [geïntimeerde] werkzaamheden aan de overkapping uitgevoerd tot tevredenheid van [appellanten]. [geïntimeerde] gaf bij die gelegenheid aan dat [appellanten] contact moesten opnemen als de schoeiingsplanken verder zouden verbuigen.
3.4
Op 31 juli 2023 vragen [appellanten] per e-mail aan [geïntimeerde] om nog een keer terug te komen voor de schoeiingsplanken. Op deze e-mail, en een herinneringsmail op 28 augustus 2023, wordt door [geïntimeerde] niet gereageerd.
3.5
Bij brief van 24 oktober 2023 schrijft de advocaat van [appellanten] aan [geïntimeerde] het volgende:
“De door u uitgevoerde werkzaamheden vertonen de volgende gebreken:
- De houten schoeiingsplanken zijn op meerdere plekken gaan kieren, waardoor er zand wegloopt naar de tuin van de buren, evenals de straatkant;- Door dit weglopende zand, gaan tevens de tegels in de tuin scheef liggen;- De schutting staat op verschillende plekken scheef- En de schuttingpoort is eveneens scheef komen te staan.[…]Mijn cliënten hebben u – zoals gezegd – reeds op 12 september 2023 formeel in gebreke gesteld en u de gelegenheid geboden om de gebreken binnen vier weken te herstellen. U hebt daaraan geen gehoor gegeven, wat betekent dat u thans in verzuim verkeert en cliënten rechten hebben op vervangende schadevergoeding. Zij geven er echter de voorkeur aan deze kwestie met u onderling op te lossen. Dat bekent dat ik u langs deze weg alsnog (doch wel voor de laatste maal) in de gelegenheid stel om de hiervoor genoemde gebreken binnen vier weken na heden op deugdelijke wijze te herstellen. Voor het maken van een afspraak kunt u rechtstreeks contact opnemen met mijn cliënten. Wordt het herstel niet binnen deze termijn uitgevoerd, dan komt u alsdan definitief in verzuim te verkeren. Mijn cliënten zullen dan vervangende schadevergoeding vorderen en alle bijkomende kosten eveneens op u verhalen.”
3.6
Op 30 oktober 2023 reageert [geïntimeerde] per e-mail en stelt voor om op 6 november 2023 langs te komen. Hij schrijft:
Als eerste staat mij niks bij dat ik een bericht van uw cliënten heb ontvangen.
En zeker al niks schriftelijk.
(…)
De houten schoeiingsplanken. Hier in was gelijk mijn advies om dit met opsluitbanden te doen, maar u cliënten wilden dit met houten planken doen,
De kieren ontstaan door het werken van het hout hier kan ik totaal niks aan veranderen en heb hier ook geen invloed op dit is een eigenschap van hout.
Foto 2 kan hier geen probleem zien alleen dat de buren een paal (dus een gat hebben gegraven) en scherm hebben geplaats aan de schutting van u cliënten.
Foto schutting scheef dit is inderdaad een probleempje die we graag willen oplossen.
Schutting poort vermoedelijk is dit ook een oorzaak van het werken van het hout. Maar ook hier zou ik ter plaatsen naar kijken, waarschijnlijk is dit zo optelossen door het bij stelen met de stelmoeren wat u cliënten ook zelf hadden kunnen doen.
Nogmaals wil ik benadrukken dat het werken van hout of verzakingen worden veroorzaakt door invloeden waar wij geen garantie op kunnen en normaal ook geen garantie op geven.
Planning maandag 6 november kan ik eventueel bij u cliënten langs.
Ik hoor graag of dit akkoord is.
In afwachting van u reactie.”
3.7
Op 2 november 2023 reageert de advocaat [appellanten] per e-mail, waarin hij onder meer schrijft:
“U geeft (…) aan dat u – kort gezegd – enkel het probleem aan de schutting die scheef staat wilt oplossen en de schuttingspoort kunt instellen, maar de andere klachten niet. Daar kunnen cliënten niet mee instemmen.”
3.8
Op diezelfde dag reageert [geïntimeerde] per e-mail en schrijft:
“En ik geef niet aan dat ik enkel de schutting en de poort wil oplossen
Ik geef aan dat normaal gesproken wij geen garantie kunnen geven op het werken van hout.
Hout werkt nu eenmaal.
(…) ik geef niet aan dat ik de klacht niet wil oplossen zie ik nergens staan.
Ik wordt niet in de gelegenheid gesteld om het op te lossen en dat is dan ook uitermate teleurstellend.”
3.9
Op 22 december 2023 schrijft de advocaat van [appellanten] vervolgens het volgende aan [geïntimeerde]:
“In de bijlage treft u een afschrift aan van een offerte van Aardoom Hoveniers. Zij hebben cliënten bezocht en vastgesteld dat door de ophoging van de tuin er te veel druk is komen te staan op de houten schoeiingsplanken. Het herstel […] zal in totaal € 5.236,97 kosten.Cliënten zullen thans geen aanspraak meer maken op (integrale) nakoming van de overeenkomst, maar op vervangende schadevergoeding. De overeenkomst zal derhalve gedeeltelijk worden ontbonden.”
3.1
Op 29 december 2023 volgt een e-mail van [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellanten]:
“Als reactie op u brief van 22 december 2023 wil ik u nogmaals wijzen op dat ik wel zeker bereidt was om de problemen op te lossen zoals aangegeven op 30 oktober 2023. En nogmaals op 2 november. U geeft aan in u brief van 24 oktober 2023 dat u en u cliënte mij nog vier weken de tijd gaven om tot een afspraak te komen. Maar u cliënte hiervan afzagen. Bij deze geef ik nog een keer aan dat ik bereidt bent om alsnog te herstellen en stel voor om dat 11 januari te doen mocht dit niet uitkomen bij u cliënte dan stel ik voor dat hun met een datum komen.”
3.11
Op 8 januari 2024 reageert de advocaat van [appellanten]:
“Ik heb uw reactie in goede orde ontvangen. U geeft aan dat u graag een afspraak wenst te maken voor 11 januari a.s. Met welk doel is niet helder, doch gezien de inhoud van de rest van uw bericht, lijkt het erop dat u in de veronderstelling verkeert dat u nog in de gelegenheid zult worden gesteld om werkzaamheden te verrichten. Dit is evenwel (zoals reeds in mijn vorige berichten kenbaar gemaakt) een gepasseerd station. Het geduld van mijn cliënten is namelijk op en enige verplichting zijdens hen om u wederom in de gelegenheid te stellen herstelwerkzaamheden uit te voeren, is er niet.”
3.12
[appellanten] hebben vervolgens Aardoom Hoveniers herstelwerkzaamheden laten verrichten.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellanten] hebben [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.236,87 en tot betaling van offertekosten van € 151,25, met veroordeling van [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure, een en ander met wettelijke rente en de nakosten.
4.2
[geïntimeerde] betwist dat hij gehouden is deze kosten te betalen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld de gestelde problemen, voor zover die hem aangerekend kunnen worden, zelf op te lossen en beroept zich op schuldeisersverzuim.
4.3
De kantonrechter volgt [geïntimeerde] in zijn betoog en heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen.

5.Procedure in hoger beroep

5.1
[appellanten] vorderen in hoger beroep hetzelfde als bij de kantonrechter.
5.2
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van beide instanties, met wettelijke rente en nakosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

Kern van deze zaak

6.1
[appellanten] hebben drie grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter die zich alle drie richten tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet in verzuim is geraakt.
6.2
Meer in het bijzonder is het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, de vraag of [appellanten] hadden moeten ingaan op het aanbod van [geïntimeerde] van 30 oktober 2023 (zoals nadien nog herhaald) om de vermeende tekortkomingen te herstellen, of dat [geïntimeerde] toen reeds in verzuim verkeerde. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] nog de mogelijkheid tot herstel had moeten krijgen na de brief van de advocaat van [appellanten] van 24 oktober 2023. Redengevend voor dit oordeel is het volgende.
Beoordelingskader
6.3
Een schuldeiser kan aanspraak maken op vervangende schadevergoeding uit hoofde van art. 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.
6.4
Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens art. 6:82 lid 1 BW Pro het verzuim van de schuldenaar in, wanneer hij in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
6.5
Mede in verband met de hanteerbaarheid in de praktijk van het wettelijk stelsel dat is neergelegd in de art. 6:82 en Pro 6:83 BW, kan onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. [1]
6.6
Ook een schuldeiser kan in verzuim komen. Art. 6:58 BW Pro bepaalt dat een schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleend. Uit art. 6:61 lid 2 BW Pro volgt dat de schuldenaar niet in verzuim kan raken, zolang de schuldeiser in verzuim is.
[geïntimeerde] is niet in verzuim geraakt
6.7
De sommatiebrief van 12 september 2023 heeft niet geleid tot verzuim aan de zijde van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft betwist dat de brief hem heeft bereikt en dat hij iets zou hebben ontvangen dat naar de brief zou verwijzen. Dat de brief niet bij [geïntimeerde] is bezorgd en niet is opgehaald bij het PostNL-punt, waar de brief enige tijd heeft gelegen, is door [appellanten] niet betwist en volgt ook uit het Track & Trace-overzicht dat door [appellanten] is overgelegd. Dat overzicht vermeldt dat op 13 september de bezorging niet is gelukt, het pakket naar een PostNL-punt is gegaan waar het tot 28 september heeft gelegen en niet is opgehaald en vervolgens retour afzender is gegaan. Gesteld noch gebleken is dat een ontvangstbewijs is achtergelaten bij [geïntimeerde] en dat valt ook niet in voldoende mate af te leiden uit het overgelegde Track & Trace-overzicht. Een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt is niet gedaan, wat wel op de weg van [appellanten] had gelegen, omdat indien er bewijs van aanbieding van de brief of bewijs van achterlating van een afhaalbericht beschikbaar was, het voor de hand had gelegen dat dit bewijs reeds was overgelegd, dus aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen.
6.8
De sommatiebrief van 24 oktober 2023 van [appellanten] heeft [geïntimeerde] wel bereikt. In die brief wordt [geïntimeerde] alsnog in de gelegenheid gesteld om de gestelde gebreken op deugdelijke wijze te herstellen.
6.9
Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat in de reactie van [geïntimeerde] van 30 oktober 2023 slechts een gedeeltelijke bereidheid tot het verrichten van herstelwerkzaamheden kan worden gelezen. Anderzijds is [geïntimeerde] daarover niet helemaal duidelijk en wordt in de brief ook bereidheid getoond om op korte termijn (over zeven dagen) langs te komen. Voor zover [appellanten] uit het bericht van [geïntimeerde] van 30 oktober 2023 meenden te mogen concluderen dat hij in geen geval bereid was een aantal van de gestelde gebreken te herstellen, heeft [geïntimeerde] met zijn e-mail van 2 november 2023, en ook overigens in de correspondentie nadien, voldoende duidelijk gemaakt dat dat niet zo was. Hij wilde wel alle problemen (naast de schutting en de schuttingpoort ook de klacht over de houten beschoeiingsplanken) oplossen, althans was in elk geval bereid om daarover nog in gesprek te gaan, zo valt uit de e-mail van 2 november 2023 af te leiden. In reactie op de aan hem gezonden offerte van Aardoom Hoveniers bericht [geïntimeerde] bij e-mail van 29 december 2023 nogmaals bereid te zijn tot herstel en stelt voor dat op 11 januari 2024 te komen doen. Dat bericht bevat geen enkel voorbehoud. [appellanten] hadden [geïntimeerde] daarom de aangeboden mogelijkheid tot herstel moeten bieden alvorens hij in verzuim zou komen te verkeren.
6.1
[appellanten] hebben gezien het voorgaande ook niet uit de mededelingen van [geïntimeerde] mogen afleiden dat hij niet bereid was tot (volledig) herstel en in de nakoming van de overeenkomst zou tekortschieten (vgl. art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW). [geïntimeerde] was in juni 2023 weliswaar reeds bekend met de klachten, maar heeft die klachten toen niet genegeerd. Hij heeft in die periode herstelwerkzaamheden verricht en medegedeeld aan [appellanten] dat zij contact moesten opnemen als de houten schoeiingsplanken verder zouden verbuigen. Voor zover [geïntimeerde] met zijn mededelingen in het najaar aanvankelijk de indruk heeft gewekt niet tot herstel bereid te zijn, heeft hij in de latere correspondentie voldoende duidelijk gemaakt dat dit niet zo was, zoals hiervoor al is toegelicht. Hiermee strandt ook het beroep van [appellanten] op art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW.
6.11
[appellanten] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling überhaupt achterwege had kunnen blijven en er al sprake was van verzuim van de zijde van [geïntimeerde] voordat hij zijn voorstel tot herstel deed. Dat [appellanten] verscheidene pogingen hebben gedaan om [geïntimeerde] te bereiken, zoals zij stellen, en [geïntimeerde] pas na de brief van de advocaat van [appellanten] heeft geantwoord, is in ieder geval onvoldoende voor een dergelijk oordeel.
6.12
Het hof is dan ook van oordeel dat nu [appellanten] [geïntimeerde] niet in de gelegenheid hebben gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren binnen de door hen gestelde termijn, er sprake is van schuldeisersverzuim en [geïntimeerde] daardoor niet in verzuim is geraakt (art. 6:61 lid 2 BW Pro). [geïntimeerde] hoeft dus geen vervangende schadevergoeding te betalen.
Conclusie en proceskosten
6.13
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 11 juli 2024 bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (inclusief nakosten).
6.14
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 2.280,- (2,5 punten × tarief I (€ 912,-)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.818,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2024;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.818,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskosten betreft.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J.M. Verburg, A.J.P. Schild, en G.C. de Heer en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, r.o. 3.2.1.