Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:559

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
200.361.085/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:453 BWArt. 7:465 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot onthouding van belemmering terugkeer dementerende moeder naar Nederland

In deze zaak staat een conflict tussen broers en zussen centraal over de zorg en verblijfplaats van hun dementerende moeder, die in Suriname verblijft maar haar gewone woonplaats in Nederland heeft. De moeder is 83 jaar oud en lijdt aan een vorm van dementie. De wettelijk vertegenwoordiger, een van de kinderen, beschikt over een volmacht voor medische zorg en beheer van het paspoort van moeder.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg wees een vonnis waarbij de volmacht niet werd geschorst en bepaalde medewerking aan terugkeer werd opgelegd. In hoger beroep vorderden appellanten opschorting van de volmacht en vervangende toestemming om moeder naar Nederland te brengen, terwijl geïntimeerde medewerking aan terugkeer eiste.

Het hof oordeelt dat de volmacht voorlopig geldig is en dat moeder zelf moet bepalen waar zij wil verblijven, gezien haar autonomie en het ontbreken van curatele. Het hof veroordeelt appellanten zich te onthouden van handelingen die de terugkeer van moeder naar Nederland belemmeren, mits moeder dat wil en medisch in staat is om te reizen op basis van een fit-to-fly-verklaring. Tevens wordt een dwangsom opgelegd aan appellanten die in Suriname wonen, om medewerking aan terugkeer te stimuleren.

De proceskosten worden gecompenseerd en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad. Het hof wijst de overige vorderingen af en bekrachtigt het vonnis voor het overige.

Uitkomst: Appellanten worden veroordeeld zich te onthouden van belemmeringen van de terugkeer van moeder naar Nederland, mits moeder dat wil en medisch in staat is, met een dwangsom voor appellanten in Suriname.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.361.085/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/689765 / KG ZA 25-792
arrest van 24 maart 2026 in het spoedappel
in de zaak van

1.[appellant 1],

2. [appellante 2]te [woonplaats],
3. [appellante 3]te [woonplaats],
4. [appellant 4]te [woonplaats],
5. [appellant 5]te [woonplaats],
appellanten in het principaal hoger beroep,
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.D. Winter te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],wonende op een geheim adres in de gemeente [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
advocaat mr. A.J. van Steensel te Den Haag.
Appellanten worden hierna afzonderlijk aangeduid als [appellant 1], [appellante 2], [appellante 3], [appellant 4] en [appellant 5], en gezamenlijk worden zij ook [appellanten] genoemd.
Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 10 oktober 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, en het herstel proces-verbaal van 16 oktober 2025 (hierna tezamen genoemd: het bestreden vonnis),
  • de spoedappeldagvaarding (met producties), ter griffie van het hof ontvangen op 24 oktober 2025,
  • de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel houdende wijziging van eis (met producties) van [geïntimeerde],
  • het e-mailbericht van mr. Winter met als bijlagen de volmacht en een verklaring van 1 december 2025 van drs. R. Doerga, klinisch geriater,
  • de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarbij zijn verschenen:
namens [appellanten]: [appellant 1] in persoon, [appellante 2] in persoon, [appellant 4] (via een videoverbinding), [appellant 5] (via een videoverbinding), bijgestaan door mr. Winter, en namens geïntimeerde: [geïntimeerde] (via een videoverbinding), bijgestaan door mr. Van Steensel. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en eventuele vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst en zich beraden. Vervolgens is de inhoudelijke behandeling van de zaak ten overstaan van de meervoudige kamer gesloten, en is de zaak (enkel) aangehouden voor bepaalde tijd in verband met het voeren van schikkingsonderhandelingen.
1.2.
In verband met de lopende schikkingsonderhandelingen is de mondelinge behandeling op 8 januari 2026 ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. M.J. Van Cleef-Metsaars voortgezet als een regie-zitting met alleen de advocaten en met als enige doel de beproeving van een schikking. Partijen hebben toen de contouren van een schikking nader verkend, en afgesproken dat zij het hof binnen twee weken laten weten of zij een definitieve minnelijke regeling hebben getroffen of niet en of zij behoefte hebben aan een laatste (korte) aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen.
1.3.
Partijen hebben het hof bericht dat zij niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen; op verzoek van mr. Winter heeft de rolraadsheer van het hof vervolgens toegestaan dat nog een akte door [appellanten] en een antwoordakte (met productie 18) door [geïntimeerde] werd genomen. Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald.
1.4.
Het hof zal de inhoud van de akte en de antwoordakte, genomen na de regie-zitting, buiten beschouwing laten wegens strijd met de goede procesode. De beide akten bevatten inhoudelijke standpunten van partijen terwijl volgens het proces-verbaal van de regie-zitting (zie hiervoor in rov. 1.2) enkel een bericht over de lopende schikkingsonderhandelingen was toegestaan. De inhoudelijke behandeling van de zaak was reeds gesloten ter zitting van 5 december 2025.

2.Feiten, vorderingen en oordeel van de voorzieningenrechter

2.1.
[appellanten] en [geïntimeerde] zijn kinderen van mevrouw [moeder] (hierna: moeder). Hun vader is in 2004 overleden. [appellant 1], [appellante 2] [appellante 3] en [geïntimeerde] wonen in Nederland. [appellant 4] en [appellant 5] wonen in Suriname. [appellant 4] woont in het ouderlijk huis van partijen in Paramaribo.
2.2.
Moeder heeft de Nederlandse nationaliteit, zij is thans 83 jaar oud en lijdt sinds enkele jaren aan een vorm van dementie. Moeder heeft haar gewone woonplaats in Nederland, maar zij verblijft regelmatig bij [appellant 4] in Suriname. Zij is in augustus 2024 met [geïntimeerde] vanuit Nederland naar Suriname afgereisd. Eind september 2024 is [geïntimeerde] zonder moeder naar Nederland teruggereisd. Moeder zou op 1 juni 2025 terugkeren naar Nederland.
2.3.
Sinds 1 januari 2020 treedt [geïntimeerde] op basis van een volmacht op als wettelijk vertegenwoordiger van moeder. [geïntimeerde] heeft haar volmacht ook aan de huisarts verstrekt, en zij fungeert als de contactpersoon voor moeder. [geïntimeerde] heeft als enige van de kinderen toegang tot het medisch dossier van moeder.
2.4.
De volmacht van [geïntimeerde] strekt zich uit tot alle medische zorg, zoals beheer van het medisch dossier, het maken van afspraken bij de huisarts, ziekenhuis en andere instanties, en bijstand bij alle medische behandelingen. In de volmacht is vermeld dat [geïntimeerde] gevolmachtigd is om het paspoort van moeder te beheren.
2.5.
Op 17 juni 2025 heeft de kantonrechter van het kantongerecht in het derde kanton van Suriname vonnis gewezen in een geschil tussen enerzijds [geïntimeerde] en anderzijds [appellant 4] en zijn echtgenote. Dit ging (in de kern) om een vordering van [geïntimeerde] in conventie tot omgang, een bezoekregeling met moeder in de woning van [appellant 4], en toegang tot moeder om haar mee te nemen naar Nederland. In die procedure heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels afgewezen; zij kreeg alleen een bezoekregeling van driemaal per week één uur toegewezen. [geïntimeerde] is in reconventie veroordeeld om het paspoort van moeder aan [appellant 4] en zijn echtgenote af te geven. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen met de navolgende motivering:
“4.9 De omstandigheid dat de moeder naar alle waarschijnlijkheid in een mate van dementie verkeert, maakt haar kwetsbaar en beïnvloedt haar vermogen om zelf keuzes te maken over haar omgang met derden en haar verblijfplaats. Gebleken is dat de moeder in Suriname specialistische medische zorg ontvangt. Hoewel [geïntimeerde] heeft gesteld dat het voor de medische verzorging van de moeder noodzakelijk is dat zij naar Nederland afreist, is zulks niet aannemelijk geworden. Hoewel de moeder waarschijnlijk dementerend is, is zij niet onder curatele gesteld, waardoor verplaatsing naar Nederland zonder haar instemming een ernstige inbreuk zou zijn op haar persoonlijke autonomie. Bovendien is het op grond van de medische verklaringen die in het geding zijn gebracht, aannemelijk geworden dat het medisch niet verantwoord is de moeder op dit moment te verplaatsen naar Nederland. Het belang van de moeder weegt zwaar: stabiliteit, veiligheid en continuïteit van zorg zijn cruciaal. De gevorderde machtiging om toegang te verkrijgen tot de moeder teneinde haar mee te nemen naar Nederland, wordt daarom afgewezen.”
2.6.
[geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Surinaamse kantonrechter.
2.7.
Moeder verblijft momenteel nog steeds in Suriname in het huis van [appellant 4]. [geïntimeerde] beschikt niet meer over het paspoort van moeder, het is zoekgeraakt. [geïntimeerde] heeft hiervan aangifte gedaan.
2.8.
[appellanten] hebben in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter – kort samengevat en voor zover in dit hoger beroep van belang – gevorderd:
(1) opschorting van de aan [geïntimeerde] verleende volmacht;
(2) vervangende toestemming aan [appellanten] om met moeder naar Nederland af te reizen om haar in staat te stellen medische behandelingen te ondergaan; en
(3) veroordeling in de proceskosten;
Ook hebben [appellanten] verzocht de gevorderde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.9.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd – kort samengevat –
  • a) veroordeling van [appellanten] hun medewerking te verlenen aan terugkeer van moeder naar Nederland uiterlijk op 18 oktober 2025 op straffe van een dwangsom;
  • b) overdragen van moeder (met haar reisbagage) aan [geïntimeerde], uiterlijk op 16 oktober 2025 in Paramaribo te Suriname, en verder [appellanten] te veroordelen al datgene te doen dat voor de reis van moeder naar Nederland noodzakelijk dan wel wenselijk is;
  • c) veroordeling in de proceskosten.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] jegens [geïntimeerde] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter als volgt toegewezen:
“2.6. veroordeelt [appellant 4] en [appellant 5] hun medewerking te verlenen aan de terugreis van moeder naar Nederland op 18 oktober 2025 door moeder met haar reisbagage uiterlijk op 16 oktober 2025 om 12.00 uur plaatselijke tijd bij hotel Ramada (Kleine Waterstraat 19) te Paramaribo (Suriname) over te dragen aan [geïntimeerde], op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom ineens van telkens € 2.500,-;
2.7.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; (…)”

3.Beoordeling in hoger beroep

3.1.
[appellanten] hebben vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en – na vermindering van eis – alsnog toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg met uitzondering van de vordering onder (2), zie rov. 2.8 hiervoor, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten. Zij vorderen in hoger beroep
geenvervangende toestemming meer om moeder naar Nederland over te brengen. [appellanten] hebben, voor zover in dit hoger beroep nog van belang, vijf grieven aangedragen tegen het bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft deze grieven (voor zover tegen haar gericht) gemotiveerd bestreden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft incidenteel appel ingesteld, tevens houdende wijziging van eis en (samengevat) gevorderd:
  • medewerking van [appellanten] aan terugkeer van moeder naar Nederland binnen een door het hof te bepalen datum en/of termijn, op straffe van een dwangsom,
  • met de bepaling dat [geïntimeerde] bevoegd is om maatregelen ter repatriëring te nemen en [appellanten] de terugkeer niet mogen tegenwerken;
  • een en ander afhankelijk van de medische situatie van moeder, en
  • met de bepaling dat indien repatriëring op grond van de medische situatie van moeder niet binnen korte termijn mogelijk blijkt, [geïntimeerde] bevoegd is om moeder tijdelijk in Suriname te verzorgen en te huisvesten voor de duur van maximaal één maand ter voorbereiding op de terugreis naar Nederland; en
  • met de bepaling dat [geïntimeerde] als gevolmachtigde voor medische en zorgbeslissingen (op basis van de bestaande volmacht) voor moeder optreedt en in die hoedanigheid bevoegd is om, in het belang van moeder, haar verblijfplaats en medische verzorging te bepalen, inclusief repatriëring naar Nederland;
  • met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de repatriëring van moeder, welke kosten mede bestaan uit de reis- en verblijfkosten die [geïntimeerde] voor de repatriëring van moeder moet maken, kosten rechtens.
[appellanten] hebben de vorderingen gemotiveerd weersproken.
3.3.
De vereiste spoedeisendheid is in dit kort geding voldoende gebleken. Het hof zal hierna het principaal en incidenteel appel zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Daarbij stelt hof voorop dat in eerste aanleg en bij het indienen van het appelschrift, steeds uitgangspunt was voor zowel [appellanten] als [geïntimeerde] dat moeder zo snel mogelijk naar Nederland afreist om (adequate) medische zorg en behandeling te krijgen voor haar voortschrijdende dementie. De vorderingen over en weer in hoger beroep waren zo ingesteld dat ook [appellanten] vorderden (naast vernietiging van het bestreden vonnis) toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg, waaronder vervangende toestemming om met moeder naar Nederland af te reizen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellanten] de vordering in die zin verminderd dat het afreizen van moeder naar Nederland niet meer wordt gevorderd. [appellanten] heeft toegelicht dat het (blijkens de verklaring d.d. 1 december 2025 van de geriater in Suriname, drs. R. Doerga) in het belang van moeder is om in de vertrouwde omgeving bij [appellant 4] te blijven, en dat dit ook in overeenstemming is met de wens van moeder; namelijk om in de laatste fase van haar leven in Suriname te verblijven. [geïntimeerde] heeft dit bestreden.
Volmacht
3.4.
Het hof beoordeelt hierna allereerst de grieven van [appellanten] die zijn gericht tegen de geldigheid van de volmacht en de vordering tot opschorting hiervan. [geïntimeerde] heeft die grieven gemotiveerd weersproken.
3.5.
[appellanten] hebben in hoger beroep gesteld dat de handtekening op de volmacht niet van moeder kàn zijn. Enerzijds omdat moeder op de datum van de verstrekte volmacht, 1 januari 2020, in Suriname was en niet in [woonplaats], zoals is vermeld op de volmacht. [appellanten] hebben twee foto’s van moeder overgelegd van die periode (29 december 2020 en 7 februari 2020) en een uitdraai van de Surinaamse luchtvaartmaatschappij. Hieruit volgt dat “
[moeder]” (moeder) op 23 november 2019 vanuit Nederland naar Paramaribo is gevlogen en op 12 februari 2020 is teruggevlogen naar Amsterdam. Anderzijds omdat de handtekening van moeder op haar identiteitsbewijs niet lijkt op de handtekening onder de volmacht.
3.6.
Het hof is, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat een kort geding procedure zich niet leent voor een onderzoek ter verificatie van een handtekening en dat de betwisting van de handtekening van moeder binnen het bestek van een kort gedingprocedure niet nader op juistheid kan worden getoetst. Bovendien acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat moeder – hoe dan ook – aan [geïntimeerde] een (stilzwijgende) volmacht heeft verleend. Immers is tussen partijen niet in geschil dat [geïntimeerde] al lange tijd de zorg (in brede zin) voor moeder draagt in Nederland en de afgelopen jaren ook op basis van die volmacht heeft gehandeld, onder in contacten met de huisarts. Het hof gaat dan ook vooralsnog uit van de rechtsgeldigheid van de volmacht totdat een bodemrechter in een andere procedure tussen partijen beslist dat de volmacht ongeldig is. De vordering tot opschorting van de volmacht wordt reeds hierom dan ook afgewezen.
3.7.
De grieven 1 en 2 van [appellanten] falen; het hof ziet geen aanleiding tot schorsing van de volmacht.
3.8.
De aan [geïntimeerde] verstrekte volmacht heeft volgens de tekst en inhoud betrekking op onder meer medische zaken van moeder:
“(…) alle medische zorg, haar medisch dossier te beheren, afspraken te maken bij de huisarts, ziekenhuis en andere instanties, haar bij te staan bij alle medische behandelingen (…)”.In dit hoger beroep dient het hof vooralsnog uit te gaan van niet alleen de geldigheid van de volmacht aan [geïntimeerde], maar ook de reikwijdte zoals deze door de voorzieningenrechter is vastgesteld. Immers, niet is gegriefd tegen het oordeel van voorzieningenrechter – samengevat weergegeven – dat [geïntimeerde] op grond van die volmacht het recht heeft te verlangen dat [appellanten] wordt bevolen om medewerking te verlenen aan de terugkeer van moeder naar Nederland (als zij dat zelf ook wil en kan) om [geïntimeerde] in staat te stellen om te faciliteren dat moeder (die geen partij is in deze procedure) de medische zorg krijgt die zij nodig heeft. Ook het hof zal daarvan uit (moeten) gaan. Op dit moment staat dan ook niet ter discussie dat het [geïntimeerde] is die moeder begeleiding moet bieden in medische zaken. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat er geen goede reden is gesteld en evenmin is gebleken, dat [geïntimeerde] in de vervulling van haar taak als begeleider van haar moeder tekort zal schieten.
3.9.
Verder wordt het volgende overwogen. Op dit moment is de (medische) situatie van moeder kwetsbaar; ter zitting heeft de voorzitter van het hof via een online videoverbinding kort met moeder gesproken. Zij verbleef op dat moment in het huis van [appellant 4], en was niet opgenomen in het ziekenhuis. Volgens de verklaringen van [appellanten] wordt moeder 24 uur per dag verzorgd door haar (in Suriname verblijvende) kinderen en een medewerker van de thuiszorg. Onduidelijk is gebleven in hoeverre moeder passende medische zorg of behandeling voor haar voortschrijdende dementie krijgt in Suriname. Uit de verklaring van drs. R. Doerga, klinisch geriater in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, van 1 december 2025, volgt dat moeder vanaf januari 2025 door het team Geriatrie wordt gezien, en verder: “
Patiënte is bekend met ernstige dementie, is totaal zorgafhankelijk en ligt overwegend in bed. Voor optimale zorg is het ideaal dat patiënte in haar vertrouwde omgeving blijft met haar vertrouwde mantelzorgers”.Het hof leidt uit dit bericht af dat de fysieke en mentale gezondheid van moeder onder druk staat en in de loop van de tijd is verslechterd. Op basis van het korte video-gesprek met het hof, valt niet af te leiden wat de wensen van moeder zijn. Het is naar het oordeel van het hof – gezien de vooralsnog rechtsgeldige volmacht – aan [geïntimeerde] om samen met moeder te bepalen welke medische zorg zij krijgt en of dat in Nederland of in Suriname is.
3.10.
[geïntimeerde] heeft voldoende belang bij het gevorderde om voor moeder adequate medische behandeling en zorg in Nederland te krijgen, met dien verstande dat dit geldt voor zover moeder ook zelf de wens uit om naar Nederland te gaan, en moeder (fysiek en mentaal) in staat is om te reizen. Volgens [appellanten] heeft moeder de wens om in Suriname haar laatste jaren door te brengen, wat door [geïntimeerde] wordt bestreden. De wens van moeder zelf, haar welzijn en fysieke gezondheid zijn dus bepalend bij de beoordeling van de vorderingen over en weer; dit is tussen de familieleden ook niet in geschil. Niet is gesteld of gebleken dat moeder haar eigen wil niet meer kan bepalen, zij is niet onder bewind of curatele gesteld naar Nederlands recht. Evenmin is mentorschap ingesteld op grond waarvan moeder tijdens het mentorschap onbevoegd zou zijn om rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (vergelijk art. 1:453 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)) of is sprake van het equivalent van bewind, curatele of mentorschap naar Surinaams recht.
3.11.
Het hof is op basis van het voorgaande voorshands van oordeel dat de aan [geïntimeerde] verstrekte volmacht in elk geval niet toereikend is om [appellanten] te veroordelen om moeder ‘
over te dragen’ aan [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom. Dat zou, in het licht van rov. 3.10 in strijd komen met de autonomie van moeder en haar zelfbeschikkingsrecht. In dit kortgeding staat immers vast dat moeder naar juridische maatstaven zelf in staat moet worden geacht te bepalen waar zij wil verblijven, waar zij wordt verzorgd, en naar welke arts zij wil gaan in welk land; zij mag dit dus zelf bepalen. Een beroep op de geneeskundige behandelovereenkomst van artikel 7:465 BW Pro gaat evenmin op; [geïntimeerde] kan hieraan geen (verdergaande) bevoegdheden ontlenen. In zoverre slagen grief 3 en grief 5 van [appellanten], namelijk dat zij niet worden veroordeeld om moeder ‘
over te dragen’.
Medewerking verlenen aan terugkeer moeder naar Nederland
3.12.
Wel zal het hof [appellanten] veroordelen tot het niet belemmeren van de terugkeer van moeder naar Nederland, als moeder dat wil en kan. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] in het incidentele appel onder I in deze zin verstaan omdat een vordering tot het verlenen van medewerking aan terugkeer naar het oordeel van het hof te ruim en onbepaald is om te kunnen toewijzen.
3.13.
Anders dan [appellanten] betoogt staat aan toewijzing van het gevorderde (zoals door het hof verstaan) niet in de weg het vonnis van de Surinaamse kantonrechter van 17 juni 2025 (waartegen nog hoger beroep loopt). De Surinaamse kantonrechter heeft in zijn vonnis op basis van de toen bestaande situatie geoordeeld dat [appellant 4] in feite de lokale verzorger van moeder in Suriname is, om die reden in bezit moest zijn van het paspoort van moeder en dat het op dat moment niet medisch verantwoord werd geacht om moeder naar Nederland te vervoeren. Moeder was op 11 april 2025 toen de rechter haar heeft gehoord, opgenomen in het ziekenhuis. Kort daarna is zij uit het ziekenhuis ontslagen en zij verblijft op dit moment niet in een ziekenhuis maar bij [appellant 4] thuis. Alhoewel in het vonnis van 17 juni 2025 is beslist dat moeder, ondanks de verstrekte volmacht aan [geïntimeerde], (i) aan [appellant 4] diende te worden toevertrouwd voor haar verzorging in Suriname en (ii) dat tijdens de afwezigheid van [geïntimeerde] – feitelijk – de medische zorg (ook) aan [appellant 4] moest worden toevertrouwd, doet dit oordeel aan de rechtsgeldigheid van de aan [geïntimeerde] gegeven Nederlandse volmacht niet af. Grief 3 van [appellanten] wordt voor het overige dan ook verworpen.
3.14.
Evenmin komt – zoals [appellanten] in grief 4 betoogt – de gevraagde veroordeling tot medewerking in strijd met de ‘Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende (…) en authentieke akten in burgerlijke zaken van 27 augustus 1976’, hierna: de Overeenkomst. Deze Overeenkomst regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken tussen de twee landen. Het uit te spreken gebod aan [appellanten] (zie in rov. 4.2 van het dictum) om zich te onthouden van handelingen die de terugkeer van moeder naar Nederland te belemmeren, daaronder begrepen het verhinderen van het benodigde contact tussen [geïntimeerde] en moeder – als moeder behandeling in Nederland en terugkeer wil en als zij daartoe medisch in staat wordt geacht op basis van een fit-to-fly-verklaring –, op straffe van een dwangsom, betreft een tenuitvoerleggingshandeling die door de Surinaamse rechter van een exequatur moet worden voorzien. Daarmee is een gebod van het hof, met een daaraan gekoppelde dwangsom niet onmiddellijk uitvoerbaar, maar dat doet aan de rechtsgeldigheid ervan niet af.
Termijn en wijze waarop terugkeer mogelijk is
3.15.
De vraag is vervolgens binnen welke termijn en op welke wijze moeder – als zij dat wenst – kan terugkeren naar Nederland op een medisch verantwoorde manier. [appellanten] hebben in grief 5 gesteld dat moeder niet ‘fit to fly’ is, en hebben gewezen op prod. 14 bij de appeldagvaarding met daarin een verklaring, gedateerd 13 oktober 2025, van drs. R. Khoenkhoen, de huisarts in Suriname, die op huisbezoek is geweest bij moeder. Zijn bevindingen waren – kortweg – moeder kan wegens dementie niet alleen reizen, in een stoel zitten lukt niet wegens slechte mobiliteit, over de fysieke gesteldheid is een advies van de behandelend geriater en/of internist nodig. Volgens deze arts kan moeder wel met behulp van een stretcher worden vervoerd. Uit een latere verklaring van 1 december 2025, van drs. R. Doerga, klinisch geriater, volgt dat het niet te voorspellen is hoe moeder zich, vanwege haar dementie, zal aanpassen en gedragen tijdens een 9-uur durende vliegreis, ook al is dit liggend; het is heel belastend voor moeder, aldus drs. Doerga.
3.16.
Het niet belemmeren van het terugreizen – als moeder dat wil en kan – omvat mede dat [appellant 4] en [appellant 5] niet zullen belemmeren dat [geïntimeerde] (i) het nodige contact kan hebben met moeder om haar in staat te stellen om met haar behandeling in Nederland te bespreken en (ii) al hetgeen nodig is kan doen voor moeder om terug te reizen, als zij dat wil en kan. [appellant 4] en [appellant 5] moeten in dat geval bijvoorbeeld de nodige assistentie verlenen om het [geïntimeerde] mogelijk te maken een ‘fit-to-fly’ verklaring voor moeder te verkrijgen.
3.17.
Hoewel onduidelijk is – zoals hiervoor al toegelicht – of en in hoeverre moeder zelf nog terug wil (en kan) keren naar Nederland, ziet het hof in de door [geïntimeerde] aangevoerde argumenten voldoende grond om een dwangsom op te leggen omdat [appellant 4] en [appellant 5] niet voldoende kenbaar en overtuigend hebben aangegeven vrijwillig te zullen meewerken aan het verlenen van de nodige assistentie om een eventuele repatriëring van moeder naar Nederland in goede banen te leiden. Een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom komt het hof in dat licht geboden voor.
3.18.
Het hof wijst af wat wordt gevorderd door [geïntimeerde] onder II, III, IV en V in haar petitum van haar memorie van (antwoord tevens inhoudende) incidenteel appel, omdat deze vorderingen feitelijk vorderingen betreffen tot ‘verklaringen voor recht’ (in de formulering ‘te bepalen dat’) die zich niet lenen voor een toewijzing bij wijze van een voorlopige voorziening in een kort geding.
3.19.
Grief 4 van [appellanten] slaagt gedeeltelijk, namelijk in zoverre dat geen dwangsom zal worden verbonden aan de veroordeling tot medewerking voor alle in Nederland verblijvende appellanten, nu zij geen concrete of overwegende invloed kunnen uitoefenen op de naleving van die medewerking.
3.20.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.
3.21.
De conclusie luidt dat het principaal hoger beroep wordt afgewezen en de vorderingen in het incidenteel beroep deels worden toegewezen, op de hierna in het dictum vermelde wijze.

4.De beslissing

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.1.
vernietigthet tussen partijen gewezen mondelinge vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2025 (hersteld bij vonnis van 16 oktober 2025),
alleen voor wat betreft de in 2.6 gegeven veroordelingen bekrachtigt het vonnis (en herstelvonnis) voor het overige;
en opnieuw rechtdoende:
4.2.
gebiedt [appellanten] zich te onthouden van handelingen en acties die de terugkeer van moeder naar Nederland belemmeren – als moeder behandeling in Nederland en terugkeer wil, en als zij daartoe medisch in staat wordt geacht op basis van een fit-to-fly-verklaring –, hieronder begrepen het belemmeren van het daartoe benodigde contact tussen [geïntimeerde] en moeder, in alle gevallen op straffe van een hoofdelijk door [appellant 4] en [appellant 5] te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijven en met een maximum van € 50.000,00;
4.3.
compenseert de proceskosten tussen [appellanten] en [geïntimeerde] in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
4.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, A.J.P. Schild en M.C.M. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.