Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/689765 / KG ZA 25-792
1.[appellant 1],
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
1.De procedure
- het proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 10 oktober 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, en het herstel proces-verbaal van 16 oktober 2025 (hierna tezamen genoemd: het bestreden vonnis),
- de spoedappeldagvaarding (met producties), ter griffie van het hof ontvangen op 24 oktober 2025,
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel houdende wijziging van eis (met producties) van [geïntimeerde],
- het e-mailbericht van mr. Winter met als bijlagen de volmacht en een verklaring van 1 december 2025 van drs. R. Doerga, klinisch geriater,
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarbij zijn verschenen:
2.Feiten, vorderingen en oordeel van de voorzieningenrechter
- a) veroordeling van [appellanten] hun medewerking te verlenen aan terugkeer van moeder naar Nederland uiterlijk op 18 oktober 2025 op straffe van een dwangsom;
- b) overdragen van moeder (met haar reisbagage) aan [geïntimeerde], uiterlijk op 16 oktober 2025 in Paramaribo te Suriname, en verder [appellanten] te veroordelen al datgene te doen dat voor de reis van moeder naar Nederland noodzakelijk dan wel wenselijk is;
- c) veroordeling in de proceskosten.
3.Beoordeling in hoger beroep
geenvervangende toestemming meer om moeder naar Nederland over te brengen. [appellanten] hebben, voor zover in dit hoger beroep nog van belang, vijf grieven aangedragen tegen het bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft deze grieven (voor zover tegen haar gericht) gemotiveerd bestreden.
- medewerking van [appellanten] aan terugkeer van moeder naar Nederland binnen een door het hof te bepalen datum en/of termijn, op straffe van een dwangsom,
- met de bepaling dat [geïntimeerde] bevoegd is om maatregelen ter repatriëring te nemen en [appellanten] de terugkeer niet mogen tegenwerken;
- een en ander afhankelijk van de medische situatie van moeder, en
- met de bepaling dat indien repatriëring op grond van de medische situatie van moeder niet binnen korte termijn mogelijk blijkt, [geïntimeerde] bevoegd is om moeder tijdelijk in Suriname te verzorgen en te huisvesten voor de duur van maximaal één maand ter voorbereiding op de terugreis naar Nederland; en
- met de bepaling dat [geïntimeerde] als gevolmachtigde voor medische en zorgbeslissingen (op basis van de bestaande volmacht) voor moeder optreedt en in die hoedanigheid bevoegd is om, in het belang van moeder, haar verblijfplaats en medische verzorging te bepalen, inclusief repatriëring naar Nederland;
- met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de repatriëring van moeder, welke kosten mede bestaan uit de reis- en verblijfkosten die [geïntimeerde] voor de repatriëring van moeder moet maken, kosten rechtens.
[moeder]” (moeder) op 23 november 2019 vanuit Nederland naar Paramaribo is gevlogen en op 12 februari 2020 is teruggevlogen naar Amsterdam. Anderzijds omdat de handtekening van moeder op haar identiteitsbewijs niet lijkt op de handtekening onder de volmacht.
“(…) alle medische zorg, haar medisch dossier te beheren, afspraken te maken bij de huisarts, ziekenhuis en andere instanties, haar bij te staan bij alle medische behandelingen (…)”.In dit hoger beroep dient het hof vooralsnog uit te gaan van niet alleen de geldigheid van de volmacht aan [geïntimeerde], maar ook de reikwijdte zoals deze door de voorzieningenrechter is vastgesteld. Immers, niet is gegriefd tegen het oordeel van voorzieningenrechter – samengevat weergegeven – dat [geïntimeerde] op grond van die volmacht het recht heeft te verlangen dat [appellanten] wordt bevolen om medewerking te verlenen aan de terugkeer van moeder naar Nederland (als zij dat zelf ook wil en kan) om [geïntimeerde] in staat te stellen om te faciliteren dat moeder (die geen partij is in deze procedure) de medische zorg krijgt die zij nodig heeft. Ook het hof zal daarvan uit (moeten) gaan. Op dit moment staat dan ook niet ter discussie dat het [geïntimeerde] is die moeder begeleiding moet bieden in medische zaken. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat er geen goede reden is gesteld en evenmin is gebleken, dat [geïntimeerde] in de vervulling van haar taak als begeleider van haar moeder tekort zal schieten.
Patiënte is bekend met ernstige dementie, is totaal zorgafhankelijk en ligt overwegend in bed. Voor optimale zorg is het ideaal dat patiënte in haar vertrouwde omgeving blijft met haar vertrouwde mantelzorgers”.Het hof leidt uit dit bericht af dat de fysieke en mentale gezondheid van moeder onder druk staat en in de loop van de tijd is verslechterd. Op basis van het korte video-gesprek met het hof, valt niet af te leiden wat de wensen van moeder zijn. Het is naar het oordeel van het hof – gezien de vooralsnog rechtsgeldige volmacht – aan [geïntimeerde] om samen met moeder te bepalen welke medische zorg zij krijgt en of dat in Nederland of in Suriname is.
over te dragen’ aan [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom. Dat zou, in het licht van rov. 3.10 in strijd komen met de autonomie van moeder en haar zelfbeschikkingsrecht. In dit kortgeding staat immers vast dat moeder naar juridische maatstaven zelf in staat moet worden geacht te bepalen waar zij wil verblijven, waar zij wordt verzorgd, en naar welke arts zij wil gaan in welk land; zij mag dit dus zelf bepalen. Een beroep op de geneeskundige behandelovereenkomst van artikel 7:465 BW Pro gaat evenmin op; [geïntimeerde] kan hieraan geen (verdergaande) bevoegdheden ontlenen. In zoverre slagen grief 3 en grief 5 van [appellanten], namelijk dat zij niet worden veroordeeld om moeder ‘
over te dragen’.
4.De beslissing
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
alleen voor wat betreft de in 2.6 gegeven veroordelingen bekrachtigt het vonnis (en herstelvonnis) voor het overige;