ECLI:NL:GHDHA:2026:56

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
22-002390-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling en opzettelijke brandstichting met vrijspraak voor opzettelijk veroorzaken van ontploffing

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte is veroordeeld voor mishandeling en opzettelijke brandstichting, maar is vrijgesproken van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing. De feiten dateren van 22 en 23 april 2023, waarbij de verdachte brand heeft gesticht op het balkon van de woning van een slachtoffer, wat leidde tot een ontploffing. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is, mede door zijn jeugdige leeftijd en proceshouding. De opgelegde straf bedraagt 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn grotendeels toegewezen, met inbegrip van schadevergoeding voor immateriële en materiële schade. Het hof heeft ook overwogen dat de verdachte in het verleden al eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, wat de ernst van de zaak onderstreept. De verdachte heeft blijk gegeven van een gebrek aan inzicht in de gevolgen van zijn daden, wat heeft geleid tot de beslissing om de straf te handhaven met bijzondere voorwaarden voor reclassering en behandeling.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002390-24
Parketnummer: 09-333875-23
Datum uitspraak: 21 januari 2026
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
adres: [woonadres], [woonplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tevens zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 23 april 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de aangrenzende en/of omliggende woningen en/of voor in die woningen aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor zich in die woningen bevindende personen te duchten was.
2.
hij op of omstreeks 22 april 2023 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te duwen en/of te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1], het meewerken aan middelencontrole en begeleid wonen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] overeenkomstig het vonnis zullen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, maar zonder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde teweegbrengen van een ontploffing, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van (voorwaardelijk) opzet.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte een deel van het balkon van de woning van [slachtoffer 1] heeft besprenkeld met benzine uit een jerrycan. De geopende en deels gevulde jerrycan heeft hij daarna op het balkon gegooid, gevolgd door een door hem aangestoken schoonmaakdoekje. Vervolgens is er een ontploffing ontstaan op het balkon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij brand wilde stichten, maar geen ontploffing heeft gewild of daarmee rekening heeft gehouden.
Ook als wordt aangenomen dat er naar algemene ervaringsregels op grond van dit handelen een aanmerkelijke kans bestond op een ontploffing, heeft het hof op basis van het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging gekregen dat de verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard.
Het hof acht - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, en met de raadsman - dan ook niet bewezen dat de verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, een ontploffing heeft teweeggebracht. Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks23 april 2023 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk brand heeft gesticht
en/of een ontploffing teweeg heeft gebrachtdoor open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de aangrenzende en
/ofomliggende woningen en
/ofvoor in die woningen aanwezige goederen, en
/of
- levensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor zich in die woningen bevindende personen te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks22 april 2023 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te duwen en
/ofte slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en mishandeling. Een ruzie over geluidsoverlast maanden eerder en een woordenwisseling ‘s avonds op straat met een van de slachtoffers (de onderbuurvrouw van een vriend van de verdachte), hebben er eerst toe geleid dat de verdachte dat slachtoffer die avond, toen zij op straat bij een wasserette wachtte op haar was, meerdere keren heeft geduwd en geslagen. Als gevolg daarvan heeft zij letsel opgelopen aan haar mond en gezicht. De verdachte heeft later die nacht bij een benzinestation een jerrycan met benzine gevuld, een deel van de benzine over het balkon van de woning van dit slachtoffer gesprenkeld, de jerrycan vervolgens op het balkon gegooid en daar een brandend schoonmaakdoekje bij gegooid. Dit resulteerde in een ontploffing en een brand op het balkon van de woning. In die woning waren op dat moment de hoofdbewoonster, haar minderjarige zoon en nog drie andere personen aanwezig, onder wie nog twee minderjarigen. Zij lagen allen op het moment van de ontploffing te slapen, onder meer in een aan het balkon grenzende slaapkamer. Uit hun aangiftes en slachtofferverklaringen volgt dat dit voor hen een zeer beangstigende ervaring is geweest, waarvan zij tot op heden de gevolgen ondervinden. Dat de brand en de ontploffing uiteindelijk niet hebben geleid tot gewonden of dodelijke slachtoffers is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is. Hij koos er immers voor direct na de brandstichting te vluchten.
De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Opmerking verdient daarbij dat de omstandigheid dat de verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing – mede in het licht van de regeling van de eendaadse samenloop - niets afdoet aan de ernst van het bewezenverklaarde, terwijl die deelvrijspraak ook niets verandert aan de gevaarzetting en het leed dat de verdachte met zijn handelen heeft veroorzaakt.
Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van de pro-Justitiarapportage opgemaakt door drs. V.T.G. Arnts, GZ-psycholoog op 16 april 2024. De psycholoog heeft geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. De psycholoog heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van antisociale, dwangmatige en vermijdende trekken. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte gevoelig is voor psychische druk en stress en dat zijn frustratietolerantie tekortschiet. Indien de druk te ver oploopt kan dat uitmonden in impulsief en roekeloos gedrag en tot agressiedoorbraken. De psycholoog heeft bovendien vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in de het gebruik van alcohol en in het gebruik van cannabis. Beide lijken volgens de psycholoog te worden ingezet als manier om om te gaan met lichamelijke klachten en spanningsklachten. Volgens de psycholoog is het aannemelijk dat de genoemde stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Doordat de verdachte ten tijde van het onderzoek van de psycholoog niets of slechts beperkt had verklaard over de periode voorafgaande aan en ten tijde van de tenlastegelegde feiten, heeft de psycholoog niet kunnen vaststellen of en in welke mate de aanwezige problematiek het gedrag en de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedde. Niettemin heeft de psycholoog geconcludeerd dat de verdachte gebaat is bij een behandeling die gericht op de emotieregulatieproblemen en het leren omgaan met de lichamelijke en neurocognitieve klachten. Daarnaast is het volgens de psycholoog van belang dat meer zicht wordt verkregen op de factoren die een rol hebben gespeeld bij de strafbare feiten en daar behandeling en begeleiding op aan te passen. Een ambulante forensische behandeling, bijvoorbeeld bij een forensische polikliniek zoals De Waag, in combinatie met reclasseringscontact is, zo heeft de psycholoog aangegeven, passend bij de beschreven problematiek.
Het hof neemt de conclusie van de psycholoog over dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een psychische stoornis, bestaande in de beschreven persoonlijkheidsproblematiek. Hoewel de psycholoog daarover geen vaststellingen heeft kunnen doen, acht het hof aannemelijk dat deze stoornis mede het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft beïnvloed. Het hof baseert zich mede op de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring over de aanloop naar het bewezenverklaarde, die past bij de door de psycholoog beschreven gevoeligheid voor psychische druk en stress die kan uitmonden in agressiedoorbraken. Dit maakt dat het hof de verdachte de bewezenverklaarde feiten in enigszins verminderde mate toerekent en daarmee bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening zal houden.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 21 mei 2025, waarin wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet het leefgebied psychosociaal functioneren als delictgerelateerd en schat het recidiverisico in als gemiddeld, evenals het risico op letselschade. De reclassering adviseert voorts om bij veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld een meldplicht, de verplichting mee te werken aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener en aan middelencontrole. Tevens wordt een contactverbod geadviseerd.
Tot slot heeft het hof kennisgenomen van een aanvulling van 3 december 2025 op het voornoemde reclasseringsadvies. Naast eerder genoemde bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd om als bijzondere voorwaarde het meewerken aan begeleid wonen op te nemen.
Met de psycholoog en de reclassering en op basis van de door hen genoemde argumenten is het hof van oordeel dat toepassing van het volwassenstrafrecht passend is. Ter terechtzitting oogde de verdachte overigens leeftijdsadequaat en maakte hij een volwassen indruk.
In strafverminderende zin zal het hof rekening houden met de jonge leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte ook in hoger beroep er blijk van heeft gegeven oprecht gemotiveerd te zijn de geadviseerde begeleiding aan te nemen en behandeling te ondergaan en het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen straf de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod. Dat één van de slachtoffers dat contactverbod op prijs stelt en de reclassering de oplegging daarvan (daarom) adviseert volstaat daarvoor niet. Met de bijzondere voorwaarden beoogt het hof enerzijds de verdachte te helpen bij het oplossen van de problematiek in zijn leven en anderzijds een bijdrage te leveren aan het voorkomen van recidive.
Het hof is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daarom zal het hof bevelen dat de op te leggen voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich zonder invoelbare aanleiding schuldig gemaakt aan mishandeling en aan brandstichting. Uit het strafblad van de verdachte leidt het hof voorts af dat hij zich in het verleden ook reeds bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan delicten met een geweldscomponent. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld, terwijl dat ook geldt voor de kans op letselschade. Ook de verdachte begrijpt dat de reclassering een behandeling gericht op agressieregulatie adviseert. Het hof acht het hoogst onwenselijk dat de verdachte na zijn vrijlating mogelijk enige tijd verstoken is van de met het oog op de inperking van het recidivegevaar wenselijk geachte begeleiding en behandeling.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 12.786,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 7.286,- aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.286,- (materiële schade € 7.286,- + immateriële schade € 3.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is voor wat betreft de gevorderde materiële schade door de verdediging deels betwist. De vordering van de benadeelde partij is voor wat betreft het gevorderde immateriële gedeelte van de schade door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Wel is matiging van het gevorderde bedrag verzocht.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 3.693,90 materiële schade is geleden. De schade betreft ‘dermapen behandeling’ ad € 130,-, ‘laminaat’ ad € 2.500,-, ‘raambekleding’ ad € 982,90 en ‘materiaal Hornbach’ ad € 81,-.
Ten aanzien van de eerste schadepost is voldoende komen vast te staan dat de kosten voor de dermapen-behandeling in rechtsreeks verband staan met mishandeling waarvoor de verdachte wordt veroordeeld. De overige schadeposten – die onderbouwd zijn met bankafschriften - betreffen kosten die in verband staan met de (gedwongen) verhuizing van de benadeelde partij. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot genoemd bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de dermapen-behandeling bepalen op de factuurdatum van 2 augustus 2023. Ten aanzien van de overige posten zal het hof de aanvangsdatum telkens bepalen op de betalingsdatum zoals deze uit het dossier blijkt.
De aanvangsdatum van de wettelijke rente over een bedrag van € 2.500,- (laminaat) zal daarom worden bepaald op 9 november 2023. De aanvangsdatum van de wettelijke rente over een bedrag van € 982,90,- (raambekleding) zal daarom worden bepaald op 5 november 2023. De aanvangsdatum van de wettelijke rente over een bedrag van € 81,- (materiaal Hornbach) zal daarom worden bepaald op 14 november 2023.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging is de vordering voor wat betreft de materiële schade naar het oordeel van het hof voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van het materiële deel voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu het aanhouden van deze strafzaak om haar toe te laten tot een nadere onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van dit strafproces zou opleveren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Het hof is van oordeel dat voorts voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij in de woning sliep tijdens de door de verdachte op het balkon van haar huurwoning veroorzaakte ontploffing en brand. Zij heeft midden in de nacht samen met anderen, onder wie haar minderjarige zoon, de woning moeten ontvluchten. Uiteindelijk is zij (op advies van de politie) verhuisd. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dat wordt overigens bevestigd door hetgeen de benadeelde partij ter onderbouwing heeft aangevoerd over de psychische gevolgen van de brandstichting. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,- billijk en zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Naar het oordeel van het hof is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor wat de betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof steeds alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding(en) voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.193,90 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] – in rechte vertegenwoordigd door de wettelijke vertegenwoordiger [slachtoffer 1] - zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Wel is om matiging van het gevorderde bedrag verzocht.
Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat de destijds 14-jarige benadeelde partij in de woning sliep tijdens de door de verdachte veroorzaakte brand en ontploffing. Hij heeft samen met anderen, onder wie zijn moeder, midden in de nacht de woning moeten ontvluchten. Hij is na de brand bij de huisarts geweest in verband met slaapproblemen. Ook kampt hij nog steeds met angstklachten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,- billijk en zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.364,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit bedrag bestaat uit € 864,64 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is wat betreft de gevorderde materiële schade door de verdediging (onder randnummers 36 en 37 van de pleitnota) betwist, waarbij de raadsman erop heeft gewezen dat bij het ontbreken van een brief van de psycholoog het causale verband tussen de gevorderde kosten van de zorgverlener en het tenlastegelegde feit niet kan worden vastgesteld. De vordering van de benadeelde partij is wat betreft de immateriële schade door de verdediging niet betwist.
Het hof heeft met de raadsman naar aanleiding van zijn verweer ter terechtzitting vastgesteld dat de door de raadsman bedoelde brief zich wel degelijk in het dossier bevindt. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij hiermee voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat voorts aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat immers vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de door de verdachte veroorzaakte brand en ontploffing. Zij heeft samen met anderen, onder wie haar twee kinderen, midden in de nacht de woning moeten ontvluchten. Zij heeft zich na de brand onder behandeling van een psychotherapeut gesteld in verband met herbelevingen, doorslaapproblemen en nachtmerries. Ook kampt zij met angstklachten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 2.500,- billijk en zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.364,64,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de door de verdachte veroorzaakte brand en ontploffing. Hij heeft samen met anderen, onder wie zijn moeder, midden in nacht de woning moeten ontvluchten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 2.500,- billijk en zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 5]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] – in rechte vertegenwoordigd door de wettelijke vertegenwoordiger [slachtoffer 3] - zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de door de verdachte veroorzaakte brand. Hij heeft samen met anderen, onder wie zijn moeder, midden in de nacht de woning moeten ontvluchten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 2.500,- billijk en zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 6]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 37.780,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In eerste aanleg is deze vordering afgewezen. In hoger beroep is deze vordering door [vertegenwoordiger slachtoffer 6] als vertegenwoordiger van [slachtoffer 6] gehandhaafd.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, nu onduidelijk is of de vertegenwoordiger gemachtigd is om de vordering te handhaven, de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de btw van het gevorderde bedrag dient te worden afgetrokken, nu [slachtoffer 6] een onderneming is die de btw kan verrekenen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft geen aanleiding gezien om daarbij een schadevergoedingsmaatregel te vorderen.
Het hof merkt allereerst – in reactie op hetgeen door de raadsman is aangevoerd - op dat een bijzondere volmacht niet is vereist indien de benadeelde partij een rechtspersoon betreft en het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon (zie daarvoor ECLI:NL:HR:2018:2006). Dat dat anders is als het gaat om de vertegenwoordiging ter zitting en de handhaving van de vordering in hoger beroep vindt geen steun in het recht. Daar komt nog bij dat de heer [vertegenwoordiger slachtoffer 6] weliswaar niet degene is die de vordering heeft ingediend, maar al wel in het schaderapport dat ter onderbouwing daarvan is ingebracht wordt genoemd als contactpersoon van [slachtoffer 6]. Dat hij ter zitting aanwezig was als vertegenwoordiger van [slachtoffer 6] is niet betwist door de verdediging. In de onderhavige zaak staat naar het oordeel van het hof het ontbreken van een bijzondere volmacht aldus niet aan een rechtsgeldige handhaving of aan toewijzing van vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij in de weg.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 37.780,96 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6]. Anders dan de raadsman heeft gesteld is de benadeelde partij geen onderneming, maar een stichting. Een stichting is per definitie een organisatie zonder winstoogmerk, gericht op een ideëel, sociaal of maatschappelijk doel. Mede gelet daarop ziet het hof geen aanleiding om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Proceskostenveroordeling
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
38 (achtendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte gedurende de proeftijd:
1) zich meldt binnen drie werkdagen bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. Hij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. Binnen de meldplicht kan door de nog aan te stellen toezichthouder worden bepaald of hij of zij ambulante begeleiding door een jongerencoach daarnaast nog noodzakelijk acht;
2) zich laat behandelen door De Waag of een soortelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is gericht op de behandeling van agressieregulatieproblematiek en delictpreventie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3) meewerkt aan controle van het gebruik van harddrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
4) in een nader te bepalen instelling voor beschermd/begeleid wonen of een kamertrainingscentrum of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig als mogelijk. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 9.193,90 (negenduizend honderddrieënnegentig euro en negentig cent) bestaande uit € 3.693,90 (drieduizend zeshonderddrieënnegentig euro en negentig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.193,90 (negenduizend honderddrieënnegentig euro en negentig cent) bestaande uit € 3.693,90 (drieduizend zeshonderddrieënnegentig euro en negentig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade
voor een bedrag van € 130,- op 2 augustus 2023 en
voor een bedrag van € 2.500,- op 9 november 2023 en
voor een bedrag van € 982,90 op 5 november 2023 en
voor een bedrag van € 81,- op 14 november 2023.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade
voor een bedrag van € 500,- op 22 april 2023 en
voor een bedrag van € 5.000,- op 23 april 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,- (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,- (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.364,64 (drieduizend driehonderdvierenzestig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 864,64 (achthonderdvierenzestig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.364,64 (drieduizend driehonderdvierenzestig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 864,64 (achthonderdvierenzestig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 februari 2024 en van de immateriële schade op 23 april 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 37.780,96 (zevenendertigduizend zevenhonderdtachtig euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 37.780,96 (zevenendertigduizend zevenhonderdtachtig euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderd tweeënzestig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 april 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, en mr. B.W. Mulder en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 januari 2026.
Mr. J.P.L.M. Remmerswaal is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.