ECLI:NL:GHDHA:2026:59

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.349.223/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:658 BWArt. 668 lid 3 onderdeel b BWArt. 682 lid 1 sub c BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en vorderingen werknemer

Werknemer is na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontslagen met toestemming van het UWV. Hij vordert een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, maximale transitievergoeding, nabetaling van salaris, bonussen, vakantiebijslag en juridische kosten. De kantonrechter wees de billijke vergoeding en juridische kosten af, maar kende overige vorderingen deels toe.

In hoger beroep vermeerdert werknemer zijn eis en stelt dat de werkgever onvoldoende heeft gereageerd op zijn medische klachten en re-integratieverplichtingen heeft verwaarloosd. De werkgever betwist dit en stelt dat zij de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd en dat de aandoening niet werkgerelateerd is.

Het hof oordeelt dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat de medische aandoening niet door het werk is veroorzaakt en de re-integratieverplichtingen niet ernstig zijn geschonden. De billijke vergoeding wordt daarom afgewezen. Ook is geen grond voor schadevergoeding op basis van art. 7:658 of Pro 7:611 BW. De jubileumvergoeding wordt niet toegekend wegens gebrek aan juridische grondslag.

Wel wijzigt het hof de proceskostenveroordeling: de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de eerste aanleg aan werknemer, en werknemer wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep aan werkgever, met verrekening van de bedragen. De overige vorderingen worden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst de billijke vergoeding af, bekrachtigt de overige vorderingen en wijzigt de proceskostenveroordeling met verrekening van bedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.349.223/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11080561 EJ VERZ 24-82024
Beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.J.W. Feddes, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. B.J. Bloemendal, kantoorhoudend in Bergeijk.
Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en [verweerder] .

1.De zaak in het kort

1.1
Werknemer is na twee jaar arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV ontslagen. Hij vordert in deze procedure een billijke vergoeding, omdat hij [verweerder] verwijt dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij niet adequaat op zijn medische klachten heeft gereageerd en hem onvoldoende heeft begeleid. Verder maakt werknemer aanspraak op de maximale transitievergoeding, uitbetaling van zijn verlofsaldo en vakantiebijslag, gefixeerde vergoeding wegens niet in acht genomen opzegtermijn, onbetaald gelaten bonussen en volledige vergoeding van juridische kosten.
1.2
De kantonrechter heeft de billijke vergoeding afgewezen en de overige vorderingen (deels) toegewezen, met uitzondering van de volledige proceskosten. De werknemer is het met de afwijzing van de billijke vergoeding en volledige proceskostenveroordeling niet eens en vermeerdert in hoger beroep zijn eis en grondslag van zijn vorderingen.
1.3
Het hof bekrachtigt de uitspraak van de kantonrechter grotendeels.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift met producties 30 t/m 37, ter griffie ingekomen op 18 december 2024 is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van 4 juli 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag en van diens eindbeschikking van 17 september 2024. Bij akte van 18 november 2025 heeft [verzoeker] zijn verzoek gewijzigd en producties 38 t/m 45 overgelegd.
2.2
[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat op 29 oktober 2025 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.3
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 18 november 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De kantonrechter heeft in de bestreden tussenbeschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zijn de relevante feiten de volgende.
a. [verweerder] ontwikkelt en produceert met name RVS centrifugaalpompen en drukverhogingsinstallaties voor (drink- en proces)watertoepassingen. [verweerder] maakt sinds 2003 deel uit van het Duitse KSB, dat in meer dan 100 landen actief is met circa 16.000 medewerkers.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 19 maart 1984 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) [verweerder] in de functie van Verkoper Buiten, tegen een salaris van laatstelijk € 6.761,33 bruto per maand, excl. vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Metalektro van toepassing.
Voor (het team van) [verzoeker] gold een bonusregeling. In het kader daarvan heeft [verweerder] jaarlijks voor het team ( [verzoeker] en twee binnendienstmedewerker) een target vastgesteld. De target was gelijk aan de in het voorgaande jaar behaalde omzet, vermeerderd met de prijsindex. De hoogte van de bonus was afhankelijk van de mate waarin de target was behaald. De maximaal te behalen bonus was gelijk aan drie maandsalarissen. [verzoeker] heeft in de jaren 2019 t/m 2021 bonussen ontvangen van respectievelijk € 8.640,92 bruto, € 14.691,53 bruto en € 6.011,77 bruto.
[verzoeker] is omstreeks 2000 gediagnosticeerd met polyneuropathie, een onbehandelbare, progressieve spieraandoening, die zich uit in ontstekingen en pijn. Deze aandoening leidt op termijn tot aantasting van zowel motorische als gevoelszenuwen, hetgeen kan leiden tot krachtsverlies in spieren en in handen en voeten en tot oogproblemen.
Aanvankelijk heeft [verzoeker] ondanks zijn klachten (toenemende vermoeidheid, krachtverlies en een sensibiliteitsstoornis) zonder relevant ziekteverzuim door kunnen werken, maar vanaf 2014 namen zijn gezondheidsproblemen toe. In dat jaar heeft hij zich voor het eerst tot een bedrijfsarts gewend. In de Rapportage Arbeidsomstandighedenspreekuur van 27 oktober 2014 schrijft de bedrijfsarts:
“(…) Er spelen gezondheidsissues, al geruime tijd, en in toenemende mate. Hiernaar wordt onderzoek gedaan door de neuroloog, (…) Ik beluister dat [verzoeker] de problemen die hij bemerkt steeds weet te compenseren. Hierdoor is
uitval t.a.v. werk niet aan de orde. Echter de hoeveelheid klachten neemt wel toe
(…) Misschien is het goed n.a.v. de uitslag eens met z'n allen om tafel te gaan.
Naast de medische problematiek hoor ik dat er sprake is van een hoge werkdruk. Dat heeft over het algemeen een negatieve invloed op medische aandoeningen. Is het mogelijk om e.e.a. te objectiveren en te bespreken?”
[verzoeker] maakte naar aanleiding van het functioneringsgesprek in 2016 de volgende opmerking:
“(…)ik mis in je rapportage de door mij gemaakte opmerkingen mbt
(…)
- te klein laptop scherm,
- geen oog voor thuiswerksituatie,
(…)”
In een rapport verzuimbegeleiding van 23 mei 2019 schreef de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] ivm zijn ziekmelding per 20 mei. De emmer was even overgelopen en hij ver(w)
acht dat hij na volgende week, waar al verlof gepland stond, het werk weer kan hervatten.
Ik denk dat dat haalbaar is.
Uiteraard heb ik wel de zorg over de redenen van uitval, waarbij zijn medische situatie een grote rol speelt. Zijn medische situatie is er een die grote gevolgen heeft die aan de buitenkant niet te zien zijn en wellicht ernstig worden onderschat.
(…)
Wij gaan ervan uit dat onderstaand advies besproken wordt tussen werkgever en werknemer.”
In een rapport verzuimbegeleiding van 21 juni 2019 schrijft de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] weer en [naam](hoofd HR, hof)
schoof aan. (…) Een ziekmelding is reeel als er een verminderde prestatie is agv medische beperkingen. [verzoeker] geeft aan dat hij met verdelen van het werk afhankelijk van zijn wisselende functioneren, kan voldoen aan een normale productie. Om die reden denkt hij dat een ziekmelding nu niet aan de orde is. Om dat moment uit te stellen en hem het werken fysiek makkelijker te maken is hij aangewezen op een ergonomische verantwoorde werkplek een daarbij hoort onder ander een normaal beeldscherm. Veelvuldig werken met een laptop is niet verstandig.”
i. In november 2019 heeft [verweerder] aan haar medewerkers buitendienst ten behoeve van de thuiswerkplek naast een laptop een groot beeldscherm inclusief nieuw toetsenbord en muis verstrekt.
In het verslag van het functioneringsgesprek van 9 januari 2020 is genoteerd:
“In verband met zijn gezondheid heeft [verweerder] aangegeven dat hij zelf zijn tijd mag en moet indelen. Luister dus naar je lichaam, [verzoeker] .”
Op 9 juni 2020 meldde [verzoeker] zich ziek.
Op 23 juni 2020 spraken [verzoeker] , het hoofd verkoop buitendienst ( [hoofd verkoper buitendienst] ) en het hoofd Human Resources elkaar bij [verzoeker] thuis en in het bijzijn van de echtgenote van [verzoeker] . In het verslag van dat gesprek staat onder meer het volgende:
“Al 20 jaar weet [verzoeker] dat hij een progressieve spieraandoening heeft die zich uit in ontstekingen en pijn. Luisterend naar het verhaal van [verzoeker] maakt duidelijk dat deze situatie onomkeerbaar is en aanpassingen zal vragen in het dagelijks leven, maar ook in het werk. Tot voorkort heeft [verzoeker] altijd 40 uur gewerkt. De uren heeft hij anders ingevuld en anders besteed dan hij van zichzelf gewend is (meer telefonisch contact met de klant, meer gebruik maken van pauzes verspreid over de dag), maar dit alles zonder dat de klant er
hinder van ondervonden heeft. Los van bovenstaande invulling, gebaseerd op de fysieke situatie van [verzoeker] , maakt ook Covid-19 dat de werkdag anders ingedeeld moet worden.
Op het moment van het gesprek heeft [verzoeker] een andere aandoening waardoor hij (gedeeltelijk) is uitgevallen. Een vervelende situatie die ook wel zorgt voor ongemakken en daarom wordt tijdens het gesprek besloten om niet meer dan 50% te werken en [verzoeker] dus voor 50% arbeidsongeschikt te registreren. [verzoeker] ligt toe dat hij de ziekmelding ziet als een combinatie van en fysieke aandoening en de druk op het werk. [verzoeker] merkt daarbij direct op dat hij zijn werk nog steeds leuk vindt en benoemd specifiek het klantcontact. De gestelde targets worden als zwaar ervaren. [verzoeker] spreekt [hoofd verkoper buitendienst] specifiek aan op de targets voor de contracten waarop [hoofd verkoper buitendienst] aangeeft dat er door hem zo goed mogelijk gekeken is naar de definitie van de targets en dat daar geen wijzigingen in doorgevoerd kunnen worden. (…)”
Afgesproken werd zodra het mogelijk is een afspraak in te plannen met de bedrijfsarts om een inzetbaarheidsprofiel op te stellen ter voorbereiding op een gesprek met de arbeidsdeskundige.
Op 30 september 2020 vond een vervolggesprek plaats. Het verslag hiervan vermeldt:
“(…) Helaas is er ten tijde van dit gesprek nog steeds sprake van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Tijdens het gesprek wat op 23 juni heeft plaatsgevonden heeft [verzoeker] duidelijk aangegeven dat hij de ziekmelding ziet als een combinatie van zijn fysieke(het hof leest: aandoening)
en de druk op het werk. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat [verzoeker] 50% werkt aangevuld met een arbeidsongeschiktheid van tevens 50%.
[verzoeker] vertelt tijdens dit gesprek meer over zijn beperkingen. Deze beperkingen (…) maken dat het steeds lastiger wordt voor [verzoeker] om zijn functie te kunnen uitoefenen. Besloten wordt om opnieuw een afspraak in te plannen met de bedrijfsarts om zo een advies te ontvangen over het vervolgtraject.
Tijdens dit gesprek uit [hoofd verkoper buitendienst] zijn zorg over de balans tussen werk en privé. [verzoeker] luistert naar de zorg, maar is vooralsnog van mening dat hij zijn volledige functie (op termijn) weer kan verrichten zonder beperkingen.
Samenvattend zijn de volgende afspraken gemaakt:
• [verzoeker] bouwt het aantal uren per dag verder op en houdt [hoofd verkoper buitendienst] op de hoogte van het verloop.
• Op 1 oktober 2020 vindt er een persoonlijk gesprek plaats tussen [verzoeker] en de
bedrijfsarts om zo een goed advies te ontvangen over de opvolging.
In de rapportage Verzuimbegeleiding van 1 oktober 2020 schreef de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] voor het eerst ivm de ziekmelding per 9 juni.
Inmiddels werkt hij gemiddeld minimaal 7 uur per dag en haalt 120% van zijn target.
Hij staat nog 50% ziek gemeld.
Of er nu sprake is van arbeidsongeschiktheid is de vraag. Er is sprake van ziekte of gebrek en van beperkingen.
Of die beperkingen resulteren in loonverlies is niet een eenzijdig medisch verhaal. Hierbij lijkt een arbeidskundige inbreng van belang.
lig is duidelijk dat 50% ongeschikt niet klopt. Na overleg met de arbeidsdeskundige zal besloten of het opstellen van een IZP nodig is.”
Tijdens gesprekken tussen [verzoeker] , het hoofd verkoop buitendienst en het hoofd Human Resources in november en december 2021 maakte [verzoeker] melding van een verslechtering van zijn medische situatie. In het verslag van dit gesprek staat:
“(…) Tijdens het gesprek op 12 november neemt [verzoeker] het woord en neemt hij [hoofd verkoper buitendienst] en [naam] mee in zijn zorgen van de afgelopen jaren. [verzoeker] spreekt uit dat zijn gezondheidssituatie ernstiger is dan wij weten. Vooral de afgelopen 2
jaren ervaart [verzoeker] veel achteruitgang in zijn gezondheid en om die reden heeft hij de medici geraadpleeg(d).
[verzoeker] is open over zijn medische situatie, maar dergelijke informatie zal vanuit privacy redenen niet in het verslag worden opgenomen. (…)
[verzoeker] heeft in eerdere gesprekken uitgesproken dat het zijn ambitie is om te stoppen met werken in de zomer van 2024, het moment waarop ook zijn vrouw oorspronkelijk van haar pensioen zou gaan genieten. Tijdens dit gesprek maakt [verzoeker] echter bespreekbaar dat hij, tevens na het raadplegen van zijn huisarts, per 1 januari 2022 wil stoppen met werken omdat het niet langer gaat (zijn gezondheid laat het niet langer toe). [verzoeker] wenst de komende weken (in een aangepast ritme en zo goed als mogelijk) zijn werk af te ronden en over te dragen. Ook de vrouw van [verzoeker] heeft haar pensioendatum aangepast naar augustus 2023. (…)”
Op 3 januari 2022 heeft [verzoeker] zich opnieuw ziek gemeld.
In een rapportage Verzuimbegeleiding van 17 januari 2022 schreef de bedrijfsarts:
“Met medewerker is uitvoerig telefonisch gesproken over zijn verzuimsituatie sinds 3 januari.
Zoals bij werkgever(bekend, hof),
kampt hij al lange tijd met medische klachten.
Uit het gesprek is op te maken dat deze klachten de afgelopen 3 jaar in ernst zijn toegenomen. Zijn fysieke draagkracht is steeds verder afgenomen met duidelijke impact op de kwaliteit van zijn dagelijks functioneren. (…) Er is inmiddels veel twijfel ontstaan over de haalbaarheid van een duurzame terugkeer naar arbeid. (…)”
In een rapportage verzuimbegeleiding van 24 oktober 2022 schreef de bedrijfsarts:
“Zoals bekend kampt hij al lange tijd met medische klachten (…) Helaas is behandeling niet mogelijk.
Geconstateerd wordt dat zijn medische situatie zich steeds verder verslechterd heeft de afgelopen 9 maanden. Hij staat nog steeds op de wachtlijst voor revalidatie; dit zal gericht zijn op zoveel mogelijk functiebehoud en niet op het verhogen van zijn belastbaarheid.
Heden hebben we samen geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om duurzaam terug te keren in arbeid. Hij wil zich op de kwaliteit van zijn leven richten en niet meer op betaalde arbeid. Ondergetekende onderschrijft deze visie.
Geadviseerd wordt een vervroegde IVA aan te vragen. De benodigde medische documenten worden volgende week opgesteld en rechtstreeks naar het UWV gestuurd (…)
x Geen of marginaal duurzaam benutbare mogelijkheden”
[verzoeker] is per 19 januari 2023 (vervroegd) in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten).
[verweerder] heeft in het tweede ziektejaar de IVA-uitkering van [verzoeker] aangevuld tot 100%. In oktober 2023 heeft [verweerder] aan [verzoeker] meegedeeld dat ontslag zou worden aangevraagd.
Bij brief van 23 januari 2024 heeft [verweerder] aan [verzoeker] bericht dat na 104 weken ziekte, dus per 3 januari 2024, de loondoorbetalingsplicht van [verweerder] is gestopt en [verweerder] het UWV heeft verzocht om een ontslagvergunning wegens duurzame arbeidsongeschiktheid. In de brief stond verder dat [verweerder] de transitievergoeding heeft berekend op € 94.527,92 bruto en dat deze zal worden uitbetaald als de ontslagvergunning wordt toegekend.
Bij brief van 7 februari 2024 heeft het UWV [verweerder] toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.
Bij brief van 15 februari 2024 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 1 maart 2024. In de brief was verder vermeld dat de eindafrekening zou plaatsvinden in maart 2024. Dan zou niet alleen de transitievergoeding van € 94.527,92 bruto worden betaald, maar tevens een bedrag van € 6.150,01, ter zake van het saldo vakantiedagen van 145,98 uur.
Bij brief van 4 maart 2024 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de onregelmatige opzegging en aanspraak gemaakt op een vergoeding bestaande uit vier maanden salaris en vakantiebijslag ad € 29.208,95 en een transitievergoeding van € 101.408,24. [verweerder] heeft hierop niet meer buiten rechte gereageerd en ook niets meer uitgekeerd, ook niet de eerder toegezegde bedragen.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Bij verzoekschrift van 30 april 2024 – en nadien vermeerderd – heeft [verzoeker] de kantonrechter in de rechtbank verzocht, [verweerder] te veroordelen tot betaling van
  • € 107.569,89 bruto aan transitievergoeding;
  • € 331.127,- bruto aan billijke vergoeding;
  • € 29.208,94 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
  • € 14.165,40 aan resterend (vakantie en ADV)verlof;
  • € 37.290,33 bruto vermeerderd met wettelijke verhoging aan achterstallige bonussen;
  • € 5.949,97 bruto vermeerderd met wettelijke verhoging aan vakantiebijslag;
  • € 14.244,37 excl. BTW aan juridische kosten;
alles vermeerderd met wettelijke rente.
4.2
De kantonrechter heeft in de bestreden eindbeschikking het verzoek om een billijke vergoeding en juridische kosten afgewezen, de overige vorderingen grotendeels toegekend (te weten € 107.569,89 bruto aan transitievergoeding; € 21.906,72 bruto aan gefixeerde schadevergoeding; € 21.193,06 bruto vermeerderd met 10% wettelijke verhoging aan onbetaald gelaten bonussen; € 14.165,40 bruto aan resterende vakantie/verlofdagen en € 4.327,35 bruto vermeerderd met 10% wettelijke verhoging aan vakantiebijslag, alles vermeerderd met rente) en de proceskosten gecompenseerd.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
[verzoeker] verzoekt in zijn beroepschrift – zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis/grondslag – de eindbeschikking deels te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarbij de billijke vergoeding en de proceskostenveroordeling zijn afgewezen) en
te verklaren voor recht dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] ;
[verweerder] te veroordelen tot betaling van
- € 331.127,- bruto aan billijke vergoeding;
- (subsidiair) € 220.580,54 aan schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW Pro dan wel 7:611 BW;
- € 30.643,64 + PM aan juridische kosten en € 219,- aan medische kosten;
- € 81.129,99 aan resterende (op grond van de bestreden eindbeschikking verschuldigde) betaling, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging;
- € 1.000,- aan jubileumbedrag;
- de wettelijke rente over voornoemde bedragen een en ander onder last van een dwangsom;
[verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke specificaties van voornoemde betalingen
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [verzoeker] tegen de beslissing van de kantonrechter op het volgende: de kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de verzochte billijke vergoeding niet zal worden toegewezen, omdat niet, althans niet voldoende, is komen vast te staan dat [verzoeker] zich door toedoen van [verweerder] definitief ziek heeft moeten melden (grief 1), en dat de juridische kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [verweerder] (grief 2). Verder heeft [verzoeker] zijn eis vermeerderd met een verzoek tot betaling van de naar zijn stelling door [verweerder] mondeling toegezegde jubileumvergoeding van € 1.000,- netto.
5.3
[verzoeker] voert daartoe – kort samengevat – aan dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door: (i) haar re-integratieverplichtingen ernstig te veronachtzamen, zij heeft niet voldaan aan de herhaalde adviezen en verzoeken van de bedrijfsarts; (ii) de arbeidsovereenkomst onregelmatig op te zeggen, zonder inachtneming van de opzegtermijn en (iii) ondanks herhaalde sommaties, een aanzegging van de deurwaarder en bankbeslag, tot op heden niet te voldoen aan de beschikking, waardoor [verzoeker] weer op hoge kosten wordt gejaagd. Op grond van deze combinatie van omstandigheden is sprake van ernstig verwijtbaar handelen, zodat een billijke vergoeding dient te worden toegekend. Op grond van deze omstandigheden kan ook worden geconcludeerd dat [verweerder] zich niet als goed werkgever heeft gedragen. [verweerder] had de werkomstandigheden moeten verbeteren door het beschikbaar stellen van een scherm en het niet verder verhogen van de targets. Verder stelt [verzoeker] dat [verweerder] niet aan haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 BW Pro heeft voldaan. Zo heeft zij geen (beleids)maatregelen genomen die zien op de veiligheid van de werkomgeving van [verzoeker] , en bleven een deugdelijke thuiswerkplek en andere maatregelen (zoals een groter scherm) achterwege, ondanks verzoeken van de bedrijfsarts. Ook zijn de targets van [verzoeker] steeds verhoogd, waardoor de al aanwezige druk op [verzoeker] overbelasting is geworden, waardoor hij voortijdig is uitgevallen. Door deze ernstig verwijtbare handelwijze heeft [verzoeker] stress, frustratie, onzekerheid en een gevoel van onmacht ervaren, wat weer van negatieve invloed was op zijn fysieke en mentale staat. [verzoeker] maakt op grond daarvan aanspraak op schadevergoeding.
5.4
[verweerder] is de juridische kosten verschuldigd op grond van art. 7:611 BW Pro, omdat zij zich jegens [verzoeker] niet als een goed werkgever heeft gedragen. [verzoeker] wijst in dit verband niet alleen op de onregelmatige opzegging en het niet tijdig voldoen van de transitievergoeding, maar ook op het niet vrijwillig voldoen aan de beschikking, waardoor hij gedwongen was bankbeslag te leggen op de bankrekening van [verweerder] .
5.5
Bij akte van 23 oktober 2025 heeft [verzoeker] zijn verzoek aldus gewijzigd, dat hij nu een bedrag aan juridische kosten vordert van € 38.609,96 en een bedrag van € 5.703,11 netto aan resterende (op grond van de bestreden beschikking verschuldigde) betaling, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente en € 1.000,- netto aan jubileumvergoeding.
5.6
[verzoeker] stelt daartoe dat de deurwaarder een hoop kosten heeft moeten maken om de bedragen te innen waartoe [verweerder] in eerste aanleg veroordeeld was en dat dit ook tot extra juridische kosten heeft geleid. [verweerder] heeft niet correct aan de veroordeling voldaan, omdat zij vergeten heeft om bedragen te voldoen en bovendien ten onrechte alles bruto heeft uitbetaald, ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Dit alles heeft ertoe geleid dat nog een bedrag van € 5.703,11 openstaat en dat [verzoeker] nadere juridische kosten heeft moeten maken.

6.Beoordeling in hoger beroep

Omvang van het hoger beroep

6.1
[verweerder] heeft om diverse redenen bezwaar gemaakt tegen de door [verzoeker] in hoger beroep vermeerderde eis. Volgens [verweerder] kan in appel niet voor het eerst een vordering worden ingesteld die niet in eerste aanleg aan de orde is geweest, zoals in dit geval schadevergoeding op grond van art. 7:611 BW Pro en/of art. 7:658 BW Pro. Enkel om die reden dient [verzoeker] niet ontvankelijk te worden verklaard in die vorderingen. Omdat het hoger beroep zich richt op het behandelen van geschillen die al in eerste aanleg aan de rechter zijn voorgelegd, is het in strijd met een goede procesorde om de jubileumuitkering voor het eerst in appel aan de orde te stellen. De eiswijziging bij akte van 18 november 2025 is bovendien in strijd met de tweeconclusieregel, aldus [verweerder] .
6.2
Het hof volgt [verweerder] ten aanzien van de strekking van een hoger beroep niet. Een hoger beroep mag immers ook worden gebruikt voor het verbeteren en aanvullen van de eerder in eerste aanleg ingenomen stellingen (vgl. HR 22-1-1999; ECLI:NL:HR:1999:ZC2831). Op grond van het bepaalde in art. 362 Rv Pro is een eiswijziging door een appellant in hoger beroep toegestaan, mits binnen de kaders van een goede procesorde. [verzoeker] mocht zijn verzoek dus uitbreiden met een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 7:611 en Pro/of 7:658 BW en een verzoek om jubileumuitkering. Van strijd met een goede procesorde is niet gebleken.
6.3
Wel is juist dat een eisvermeerdering – gelet op de tweeconclusieregel – in beginsel plaats dient te vinden in het beroepschrift. Op deze regel zijn uitzonderingen mogelijk, maar [verzoeker] heeft zich hierop niet beroepen. Voor zover in de akte een eisvermeerdering is opgenomen, is [verzoeker] dus niet ontvankelijk in zijn gewijzigde verzoek.
6.4
Het hof stelt verder vast dat [verzoeker] – gelet op zijn grieven – geen bezwaar heeft gemaakt tegen de (hoogte van) de toegekende vorderingen. Dit betekent dat de toegekende bedragen aan transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding, onbetaald gelaten bonussen, vergoeding wegens resterend (vakantie/ADV)verlof en vakantiebijslag geen deel uitmaken van het hoger beroep. In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] geen voldoende kenbare grief gericht tegen de matiging van de wettelijke verhoging tot 10%. Dit betekent dat ook de hoogte van de wettelijke verhoging in dit hoger beroep niet voorligt.
6.5
De bestreden beslissing is – nu ook [verweerder] hiertegen niet is opgekomen – in zoverre onherroepelijk.
6.6
Dit wordt niet anders door het enkele feit dat [verweerder] mogelijk (nog) niet (volledig/correct) aan de bestreden beschikking heeft voldaan. Voor toekenning van de vordering van € 5.703,11 aan resterende (op grond van de bestreden beschikking verschuldigde) betaling bestaat dan ook geen grond. De bestreden beschikking geeft immers al een titel voor deze betalingen. Voor zover [verzoeker] beoogt dat het hof een dwangsom verbindt aan voldoening van de verschuldigde bedragen, staat het bepaalde aan art 611a lid 1 Rv hieraan in de weg.
6.7
Dit leidt tot de vaststelling dat het in dit hoger beroep gaat om:
  • billijke vergoeding;
  • subsidiair schadevergoeding op grond van art. 7:611 dan Pro wel 7:658 BW;
  • volledige vergoeding juridische kosten, en
  • jubileumuitkering.
Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.
Billijke vergoeding
6.8
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzochte billijke vergoeding niet kan worden toegewezen, omdat een medische verklaring ontbreekt op grond waarvan aannemelijk is dat hij - voor zover [verweerder] daartoe verplicht zou zijn geweest – bij een ander of beter arbobeleid langer had kunnen doorwerken. [verzoeker] stelt dat zijn uitval op 3 januari 2022 niet alleen het gevolg was van zijn aandoening, maar dat dit mede te wijten is aan het feit dat [verweerder] haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft verwaarloosd. Zo heeft [verweerder] niet gezorgd voor een ergonomisch verantwoorde (thuis)werkplek, terwijl de bedrijfsarts juist onmiskenbaar had aangegeven dat dit nodig was om een ziekmelding uit te stellen. Dit wordt naar de mening van [verzoeker] bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [revalidatiearts], revalidatiearts en [fysiotherapeut], psychosomatisch fysiotherapeut, beiden werkzaam in het Spaarne Gasthuis, en de huisarts [huisarts], die [verzoeker] heeft geadviseerd zich in het belang van zijn gezondheid ziek te melden. [verzoeker] meent dat hij bij een ander of beter arbobeleid langer had kunnen doorwerken.
6.9
[verweerder] bestrijdt dat [verzoeker] is uitgevallen door werkgerelateerde omstandigheden. Uit de medische informatie kan worden afgeleid dat de medische klachten in 2022 uitsluitend herleidbaar waren tot polyneuropathie, en geen verband hielden met de wijze waarop [verzoeker] zijn werkzaamheden verrichtte. Dit volgt naar de mening van [verweerder] ook niet uit de door [verzoeker] overgelegde schriftelijke verklaringen. Hoewel de bedrijfsarts vanaf 2014 betrokken was, was er volgens deze tot 3 januari 2022 geen sprake van arbeidsongeschiktheid als gevolg van de aandoening van [verzoeker] . [verweerder] heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. [verzoeker] heeft nimmer aanspraak gemaakt op hulpmiddelen in verband met zijn ziekte. Het door [verzoeker] gewenste grotere beeldscherm heeft hij ook gekregen. [verzoeker] heeft ook nooit kenbaar gemaakt dat het handelen van [verweerder] van invloed was op de mate en duur van zijn arbeidsongeschiktheid, aldus nog steeds [verweerder] .
6.1
Het hof overweegt dat uit art. 682 lid 1 sub c BW Pro volgt dat indien, zoals hier aan de orde, de arbeidsovereenkomst is opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (art. 668 lid 3 onderdeel Pro b) de rechter de werkgever kan veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding indien het ontslag wegens ziekte het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het ernstige verwijt kan het ontstaan van de ziekte betreffen, maar ook betrekking hebben op het niet voldoen aan de verplichting de werknemer te re-integreren waardoor de opzegging in beeld is gekomen. In deze procedure staat vast dat het ontstaan van de aandoening in geen enkel verband staat met de werkzaamheden. Een billijke vergoeding kan dus slechts aan de orde zijn, als zou moeten worden geoordeeld dat de werkgever ernstig verwijtbaar tekort is geschoten ten aanzien van zijn re-integratieverplichtingen. Het woord “ernstig” geeft aan dat de drempel hoog is. Van ernstig verwijtbaar schenden van de re-integratieverplichtingen is niet al sprake als kan worden geoordeeld dat de werkgever niet altijd optimaal heeft gehandeld. Met andere woorden: de omstandigheid dat de werkgever sommige dingen in het re-integratietraject beter anders had kunnen/moeten aanpakken, is daarvoor niet voldoende.
6.11
Voor het oordeel dat [verweerder] ten aanzien van [verzoeker] die hoge drempel gehaald heeft, is door [verzoeker] onvoldoende gesteld. Ook als het standpunt van [verzoeker] juist is, dat zijn uitval had kunnen worden uitgesteld als [verweerder] bepaalde zaken in het re-integratietraject anders had aangepakt, leidt dat nog niet onmiddellijk tot de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [verweerder] steeds het advies van de bedrijfsarts heeft ingewonnen en gevolgd. De bedrijfsarts heeft nooit aan [verweerder] laten weten dat [verzoeker] – vanwege zijn aandoening – andere (en zo ja welke) hulpmiddelen nodig had dan zijn collega’s. De bedrijfsarts heeft alleen in algemene termen gesproken over een ergonomisch verantwoorde werkplek en een normaal beeldscherm. Dat [verzoeker] – gelet op zijn aandoening – een ander beeldscherm nodig had dan zijn collega’s (die naar het hof veronderstelt ook over een “normaal” beeldscherm moeten kunnen beschikken) blijkt daaruit niet. Wat onder normaal beeldscherm is te verstaan is niet nader gedefinieerd. Ook treft het hof in het dossier geen aanwijzingen dat [verzoeker] zelf ooit concreet heeft aangegeven wat er – gelet op zijn aandoening – schortte aan zijn thuiswerkplek, en wat er aan extra hulpmiddelen nodig was. Weliswaar was de koninklijke weg geweest dat [verweerder] – na het advies van de bedrijfsarts – expliciet bij [verzoeker] had geïnformeerd of zijn thuiswerkplek voldeed, maar dat [verweerder] dit heeft nagelaten kan niet als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt.
6.12
[verzoeker] behaalde de targets. Achteraf, met de kennis van nu, kan worden geoordeeld, dat niemand – ook de bedrijfsarts niet – heeft bemerkt hoezeer [verzoeker] daarbij over zijn grenzen is heengegaan. [verzoeker] heeft dit kennelijk ook zelf niet zo ervaren; hij heeft altijd vol ingezet op het behalen van de targets. Hij heeft althans nooit aan de orde gesteld dat de gestelde targets zoveel stress opleverden dat zijn gezondheid daaronder leed en dat hij daarom een stapje terug deed, totdat het echt niet meer ging. Dit alles is te betreuren, maar hiervan kan [verweerder] geen ernstig verwijt worden gemaakt. Voor een billijke vergoeding is daarom geen plaats.
Schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW Pro en/of 7:611 BW
6.13
Uit het vorenstaande volgt, dat art. 7:658 BW Pro evenmin een grond kan vormen voor de door [verzoeker] gevorderde vergoedingen. Immers, niet gebleken is dat de aandoening van [verzoeker] samenhangt met/het gevolg is van de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [verweerder] . De situatie dat [verzoeker] schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden doet zich dus niet voor. Art. 7:658 BW Pro is niet van toepassing.
6.14
Nu niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] ernstig haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoeker] heeft geschonden, kan evenmin worden geoordeeld dat [verweerder] zich ter zake geen goed werkgever heeft betoond.
Jubileumvergoeding van € 1.000,-
6.15
[verzoeker] stelt dat hij nog een netto vergoeding van € 1.000,- tegoed heeft, die zijn leidinggevende mondeling had toegezegd vanwege zijn jubileum bij [verweerder] . Hij heeft een skivakantie geboekt en de factuur opgestuurd, maar nooit € 1.000,- ontvangen. [verweerder] heeft betwist dat een dergelijke toezegging is gedaan. Zij heeft ter zitting wel erkend dat binnen [verweerder] gebruikelijk is dat HR desgevraagd voor werknemers bij jubilea (25 jaar/ 35 jaar) en/of pensionering op verzoek een “genietmoment” organiseert (weekend weg in Nederland, of diner), maar door [verzoeker] is nooit een dergelijk verzoek gedaan. Als hij wel een dergelijk verzoek zou hebben gedaan, zou hij voor zo een – door HR georganiseerd – genietmoment in aanmerking zijn gebracht. Het beleid voorziet echter niet in een vrij te besteden cheque. Het is ook om die reden niet aannemelijk dat door zijn leidinggevende (die gaat daar immers niet over) aan [verzoeker] een toezegging is gedaan dat hij € 1.000,- netto zou ontvangen, aldus [verweerder] .
6.16
Het hof overweegt dat [verzoeker] – gelet op bovengenoemde ter zitting gegeven toelichting, die hij niet heeft weersproken – geen juridisch afdwingbare grondslag heeft voor zijn vordering. Dat neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat het passend zou zijn als [verweerder] , nu zij erkent dat [verzoeker] als hij erom had verzocht in aanmerking was gekomen voor een door HR georganiseerd genietmoment, [verzoeker] alsnog vrijwillig tegemoet zou komen. [verzoeker] heeft zich immers gedurende bijna 40 jaar met volle overtuiging voor [verweerder] ingezet.
Volledige vergoeding juridische kosten
6.17
[verzoeker] stelt dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt over de wijze waarop zij zijn verder onberispelijke dienstverband heeft beëindigd. Niet alleen heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd, zij heeft ook de transitievergoeding niet (tijdig) voldaan. Zelfs na ontvangst van de eindbeschikking van 17 september 2024 heeft [verweerder] haar verwijtbare handelwijze voortgezet. Op de sommatiebrief van 25 september 2024 heeft zij niet gereageerd, waarna de deurwaarder op 31 oktober 2024 de beschikking heeft betekend, wederom zonder resultaat. Daarna heeft [verzoeker] op 13 november 2024 beslag laten leggen op de rekening van [verweerder] . Vervolgens heeft [verweerder] op 25 november 2025 twee bedragen overgemaakt, maar nog steeds staat volgens [verzoeker] een bedrag open, omdat – zo begrijpt het hof – netto bedragen, bruto zijn uitbetaald. Als gevolg van dit alles heeft [verzoeker] juridische kosten moeten maken, die hij – op grond van schending van de norm van art. 7:611 BW Pro – integraal op [verweerder] wenst te verhalen.
6.18
Hoewel het verbazing wekt dat [verweerder] , een grote werkgever met een HR-afdeling, niet in staat is gebleken een correcte eindafrekening te maken, terwijl alle fouten die zijn gemaakt (bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding, de duur van de opzegtermijn, de afrekening van de bonus, de afrekening van de verlofdagen) in het nadeel waren van [verzoeker] , is dit enkele feit onvoldoende om de conclusie te trekken dat – zoals [verzoeker] kennelijk veronderstelt – sprake is van kwade opzet. Dit rechtvaardigt daarom niet het oordeel dat geen sprake is van goed werkgeverschap.
6.19
Dit wordt niet anders door het feit dat [verweerder] , nadat [verzoeker] bezwaar had gemaakt tegen de door [verweerder] gemaakte afrekening en zijn inleidend verzoekschrift had ingediend, heeft besloten geen enkele betaling te doen in afwachting van de bestreden beschikking. [verweerder] heeft dit kunnen besluiten, al siert het haar niet dat zij zelfs de niet bestreden bedragen niet bij wijze van voorschot aan [verzoeker] heeft voldaan.
6.2
Door deze houding heeft [verweerder] [verzoeker] gedwongen een procedure te starten, waarbij genoemde posten – grotendeels – zijn toegewezen. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof dat [verweerder] in eerste aanleg heeft te gelden als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij. De omstandigheid dat de gevorderde billijke vergoeding is afgewezen doet hieraan niet af. [verweerder] had dus in de kosten van de procedure in eerste aanleg dienen te worden veroordeeld. Voor een volledige kostenveroordeling zoals door [verzoeker] gevorderd bestaat echter geen grond. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, kan een dergelijke veroordeling alleen aan de orde komen indien [verweerder] zich schuldig zou hebben gemaakt aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is echter niet gebleken. [verweerder] zal daarom alsnog in de kosten van de procedure in eerste aanleg worden veroordeeld conform het liquidatietarief. Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 706,-
salaris gemachtigde € 1.985,-
Totaal € 2.691,-
Conclusie en proceskosten
6.21
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] slechts zeer ten dele slaagt. Daarom zal het hof de bestreden eindbeschikking bekrachtigen, behoudens voor wat betreft de proceskosten van de procedure in eerste aanleg. Omdat in de bestreden tussenbeschikking geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, zal het hof in het dictum geen beslissing opnemen ten aanzien van die beschikking. Het hof zal [verzoeker] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.22
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-
Door verrekening met de aan [verzoeker] verschuldigde kosten van de eerste aanleg, zal [verzoeker] worden veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 3.433,- - € 2.691,- is € 742,-.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda van 17 september 2024, voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure bij de rechtbank, aan de zijde van [verzoeker] tot op 17 september 2024 begroot op € 2.691,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bekrachtigt de beschikking voor het overige;
  • veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 3.433,-;
- bepaalt dat door verrekening van voornoemde proceskostenveroordelingen [verzoeker] een bedrag van € 742,- dient te betalen aan [verweerder] ;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van der Ven, F.J. Verbeek en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.