3.1De kantonrechter heeft in de bestreden tussenbeschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zijn de relevante feiten de volgende.
a. [verweerder] ontwikkelt en produceert met name RVS centrifugaalpompen en drukverhogingsinstallaties voor (drink- en proces)watertoepassingen. [verweerder] maakt sinds 2003 deel uit van het Duitse KSB, dat in meer dan 100 landen actief is met circa 16.000 medewerkers.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 19 maart 1984 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) [verweerder] in de functie van Verkoper Buiten, tegen een salaris van laatstelijk € 6.761,33 bruto per maand, excl. vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Metalektro van toepassing.
Voor (het team van) [verzoeker] gold een bonusregeling. In het kader daarvan heeft [verweerder] jaarlijks voor het team ( [verzoeker] en twee binnendienstmedewerker) een target vastgesteld. De target was gelijk aan de in het voorgaande jaar behaalde omzet, vermeerderd met de prijsindex. De hoogte van de bonus was afhankelijk van de mate waarin de target was behaald. De maximaal te behalen bonus was gelijk aan drie maandsalarissen. [verzoeker] heeft in de jaren 2019 t/m 2021 bonussen ontvangen van respectievelijk € 8.640,92 bruto, € 14.691,53 bruto en € 6.011,77 bruto.
[verzoeker] is omstreeks 2000 gediagnosticeerd met polyneuropathie, een onbehandelbare, progressieve spieraandoening, die zich uit in ontstekingen en pijn. Deze aandoening leidt op termijn tot aantasting van zowel motorische als gevoelszenuwen, hetgeen kan leiden tot krachtsverlies in spieren en in handen en voeten en tot oogproblemen.
Aanvankelijk heeft [verzoeker] ondanks zijn klachten (toenemende vermoeidheid, krachtverlies en een sensibiliteitsstoornis) zonder relevant ziekteverzuim door kunnen werken, maar vanaf 2014 namen zijn gezondheidsproblemen toe. In dat jaar heeft hij zich voor het eerst tot een bedrijfsarts gewend. In de Rapportage Arbeidsomstandighedenspreekuur van 27 oktober 2014 schrijft de bedrijfsarts:
“(…) Er spelen gezondheidsissues, al geruime tijd, en in toenemende mate. Hiernaar wordt onderzoek gedaan door de neuroloog, (…) Ik beluister dat [verzoeker] de problemen die hij bemerkt steeds weet te compenseren. Hierdoor is
uitval t.a.v. werk niet aan de orde. Echter de hoeveelheid klachten neemt wel toe
(…) Misschien is het goed n.a.v. de uitslag eens met z'n allen om tafel te gaan.
Naast de medische problematiek hoor ik dat er sprake is van een hoge werkdruk. Dat heeft over het algemeen een negatieve invloed op medische aandoeningen. Is het mogelijk om e.e.a. te objectiveren en te bespreken?”
[verzoeker] maakte naar aanleiding van het functioneringsgesprek in 2016 de volgende opmerking:
“(…)ik mis in je rapportage de door mij gemaakte opmerkingen mbt
(…)
- te klein laptop scherm,
- geen oog voor thuiswerksituatie,
(…)”
In een rapport verzuimbegeleiding van 23 mei 2019 schreef de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] ivm zijn ziekmelding per 20 mei. De emmer was even overgelopen en hij ver(w)
acht dat hij na volgende week, waar al verlof gepland stond, het werk weer kan hervatten.
Ik denk dat dat haalbaar is.
Uiteraard heb ik wel de zorg over de redenen van uitval, waarbij zijn medische situatie een grote rol speelt. Zijn medische situatie is er een die grote gevolgen heeft die aan de buitenkant niet te zien zijn en wellicht ernstig worden onderschat.
(…)
Wij gaan ervan uit dat onderstaand advies besproken wordt tussen werkgever en werknemer.”
In een rapport verzuimbegeleiding van 21 juni 2019 schrijft de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] weer en [naam](hoofd HR, hof)
schoof aan. (…) Een ziekmelding is reeel als er een verminderde prestatie is agv medische beperkingen. [verzoeker] geeft aan dat hij met verdelen van het werk afhankelijk van zijn wisselende functioneren, kan voldoen aan een normale productie. Om die reden denkt hij dat een ziekmelding nu niet aan de orde is. Om dat moment uit te stellen en hem het werken fysiek makkelijker te maken is hij aangewezen op een ergonomische verantwoorde werkplek een daarbij hoort onder ander een normaal beeldscherm. Veelvuldig werken met een laptop is niet verstandig.”
i. In november 2019 heeft [verweerder] aan haar medewerkers buitendienst ten behoeve van de thuiswerkplek naast een laptop een groot beeldscherm inclusief nieuw toetsenbord en muis verstrekt.
In het verslag van het functioneringsgesprek van 9 januari 2020 is genoteerd:
“In verband met zijn gezondheid heeft [verweerder] aangegeven dat hij zelf zijn tijd mag en moet indelen. Luister dus naar je lichaam, [verzoeker] .”
Op 9 juni 2020 meldde [verzoeker] zich ziek.
Op 23 juni 2020 spraken [verzoeker] , het hoofd verkoop buitendienst ( [hoofd verkoper buitendienst] ) en het hoofd Human Resources elkaar bij [verzoeker] thuis en in het bijzijn van de echtgenote van [verzoeker] . In het verslag van dat gesprek staat onder meer het volgende:
“Al 20 jaar weet [verzoeker] dat hij een progressieve spieraandoening heeft die zich uit in ontstekingen en pijn. Luisterend naar het verhaal van [verzoeker] maakt duidelijk dat deze situatie onomkeerbaar is en aanpassingen zal vragen in het dagelijks leven, maar ook in het werk. Tot voorkort heeft [verzoeker] altijd 40 uur gewerkt. De uren heeft hij anders ingevuld en anders besteed dan hij van zichzelf gewend is (meer telefonisch contact met de klant, meer gebruik maken van pauzes verspreid over de dag), maar dit alles zonder dat de klant er
hinder van ondervonden heeft. Los van bovenstaande invulling, gebaseerd op de fysieke situatie van [verzoeker] , maakt ook Covid-19 dat de werkdag anders ingedeeld moet worden.
Op het moment van het gesprek heeft [verzoeker] een andere aandoening waardoor hij (gedeeltelijk) is uitgevallen. Een vervelende situatie die ook wel zorgt voor ongemakken en daarom wordt tijdens het gesprek besloten om niet meer dan 50% te werken en [verzoeker] dus voor 50% arbeidsongeschikt te registreren. [verzoeker] ligt toe dat hij de ziekmelding ziet als een combinatie van en fysieke aandoening en de druk op het werk. [verzoeker] merkt daarbij direct op dat hij zijn werk nog steeds leuk vindt en benoemd specifiek het klantcontact. De gestelde targets worden als zwaar ervaren. [verzoeker] spreekt [hoofd verkoper buitendienst] specifiek aan op de targets voor de contracten waarop [hoofd verkoper buitendienst] aangeeft dat er door hem zo goed mogelijk gekeken is naar de definitie van de targets en dat daar geen wijzigingen in doorgevoerd kunnen worden. (…)”
Afgesproken werd zodra het mogelijk is een afspraak in te plannen met de bedrijfsarts om een inzetbaarheidsprofiel op te stellen ter voorbereiding op een gesprek met de arbeidsdeskundige.
Op 30 september 2020 vond een vervolggesprek plaats. Het verslag hiervan vermeldt:
“(…) Helaas is er ten tijde van dit gesprek nog steeds sprake van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Tijdens het gesprek wat op 23 juni heeft plaatsgevonden heeft [verzoeker] duidelijk aangegeven dat hij de ziekmelding ziet als een combinatie van zijn fysieke(het hof leest: aandoening)
en de druk op het werk. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat [verzoeker] 50% werkt aangevuld met een arbeidsongeschiktheid van tevens 50%.
[verzoeker] vertelt tijdens dit gesprek meer over zijn beperkingen. Deze beperkingen (…) maken dat het steeds lastiger wordt voor [verzoeker] om zijn functie te kunnen uitoefenen. Besloten wordt om opnieuw een afspraak in te plannen met de bedrijfsarts om zo een advies te ontvangen over het vervolgtraject.
Tijdens dit gesprek uit [hoofd verkoper buitendienst] zijn zorg over de balans tussen werk en privé. [verzoeker] luistert naar de zorg, maar is vooralsnog van mening dat hij zijn volledige functie (op termijn) weer kan verrichten zonder beperkingen.
Samenvattend zijn de volgende afspraken gemaakt:
• [verzoeker] bouwt het aantal uren per dag verder op en houdt [hoofd verkoper buitendienst] op de hoogte van het verloop.
• Op 1 oktober 2020 vindt er een persoonlijk gesprek plaats tussen [verzoeker] en de
bedrijfsarts om zo een goed advies te ontvangen over de opvolging.
In de rapportage Verzuimbegeleiding van 1 oktober 2020 schreef de bedrijfsarts:
“Vandaag sprak ik [verzoeker] voor het eerst ivm de ziekmelding per 9 juni.
Inmiddels werkt hij gemiddeld minimaal 7 uur per dag en haalt 120% van zijn target.
Hij staat nog 50% ziek gemeld.
Of er nu sprake is van arbeidsongeschiktheid is de vraag. Er is sprake van ziekte of gebrek en van beperkingen.
Of die beperkingen resulteren in loonverlies is niet een eenzijdig medisch verhaal. Hierbij lijkt een arbeidskundige inbreng van belang.
lig is duidelijk dat 50% ongeschikt niet klopt. Na overleg met de arbeidsdeskundige zal besloten of het opstellen van een IZP nodig is.”
Tijdens gesprekken tussen [verzoeker] , het hoofd verkoop buitendienst en het hoofd Human Resources in november en december 2021 maakte [verzoeker] melding van een verslechtering van zijn medische situatie. In het verslag van dit gesprek staat:
“(…) Tijdens het gesprek op 12 november neemt [verzoeker] het woord en neemt hij [hoofd verkoper buitendienst] en [naam] mee in zijn zorgen van de afgelopen jaren. [verzoeker] spreekt uit dat zijn gezondheidssituatie ernstiger is dan wij weten. Vooral de afgelopen 2
jaren ervaart [verzoeker] veel achteruitgang in zijn gezondheid en om die reden heeft hij de medici geraadpleeg(d).
[verzoeker] is open over zijn medische situatie, maar dergelijke informatie zal vanuit privacy redenen niet in het verslag worden opgenomen. (…)
[verzoeker] heeft in eerdere gesprekken uitgesproken dat het zijn ambitie is om te stoppen met werken in de zomer van 2024, het moment waarop ook zijn vrouw oorspronkelijk van haar pensioen zou gaan genieten. Tijdens dit gesprek maakt [verzoeker] echter bespreekbaar dat hij, tevens na het raadplegen van zijn huisarts, per 1 januari 2022 wil stoppen met werken omdat het niet langer gaat (zijn gezondheid laat het niet langer toe). [verzoeker] wenst de komende weken (in een aangepast ritme en zo goed als mogelijk) zijn werk af te ronden en over te dragen. Ook de vrouw van [verzoeker] heeft haar pensioendatum aangepast naar augustus 2023. (…)”
Op 3 januari 2022 heeft [verzoeker] zich opnieuw ziek gemeld.
In een rapportage Verzuimbegeleiding van 17 januari 2022 schreef de bedrijfsarts:
“Met medewerker is uitvoerig telefonisch gesproken over zijn verzuimsituatie sinds 3 januari.
Zoals bij werkgever(bekend, hof),
kampt hij al lange tijd met medische klachten.
Uit het gesprek is op te maken dat deze klachten de afgelopen 3 jaar in ernst zijn toegenomen. Zijn fysieke draagkracht is steeds verder afgenomen met duidelijke impact op de kwaliteit van zijn dagelijks functioneren. (…) Er is inmiddels veel twijfel ontstaan over de haalbaarheid van een duurzame terugkeer naar arbeid. (…)”
In een rapportage verzuimbegeleiding van 24 oktober 2022 schreef de bedrijfsarts:
“Zoals bekend kampt hij al lange tijd met medische klachten (…) Helaas is behandeling niet mogelijk.
Geconstateerd wordt dat zijn medische situatie zich steeds verder verslechterd heeft de afgelopen 9 maanden. Hij staat nog steeds op de wachtlijst voor revalidatie; dit zal gericht zijn op zoveel mogelijk functiebehoud en niet op het verhogen van zijn belastbaarheid.
Heden hebben we samen geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om duurzaam terug te keren in arbeid. Hij wil zich op de kwaliteit van zijn leven richten en niet meer op betaalde arbeid. Ondergetekende onderschrijft deze visie.
Geadviseerd wordt een vervroegde IVA aan te vragen. De benodigde medische documenten worden volgende week opgesteld en rechtstreeks naar het UWV gestuurd (…)
x Geen of marginaal duurzaam benutbare mogelijkheden”
[verzoeker] is per 19 januari 2023 (vervroegd) in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten).
[verweerder] heeft in het tweede ziektejaar de IVA-uitkering van [verzoeker] aangevuld tot 100%. In oktober 2023 heeft [verweerder] aan [verzoeker] meegedeeld dat ontslag zou worden aangevraagd.
Bij brief van 23 januari 2024 heeft [verweerder] aan [verzoeker] bericht dat na 104 weken ziekte, dus per 3 januari 2024, de loondoorbetalingsplicht van [verweerder] is gestopt en [verweerder] het UWV heeft verzocht om een ontslagvergunning wegens duurzame arbeidsongeschiktheid. In de brief stond verder dat [verweerder] de transitievergoeding heeft berekend op € 94.527,92 bruto en dat deze zal worden uitbetaald als de ontslagvergunning wordt toegekend.
Bij brief van 7 februari 2024 heeft het UWV [verweerder] toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.
Bij brief van 15 februari 2024 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 1 maart 2024. In de brief was verder vermeld dat de eindafrekening zou plaatsvinden in maart 2024. Dan zou niet alleen de transitievergoeding van € 94.527,92 bruto worden betaald, maar tevens een bedrag van € 6.150,01, ter zake van het saldo vakantiedagen van 145,98 uur.
Bij brief van 4 maart 2024 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de onregelmatige opzegging en aanspraak gemaakt op een vergoeding bestaande uit vier maanden salaris en vakantiebijslag ad € 29.208,95 en een transitievergoeding van € 101.408,24. [verweerder] heeft hierop niet meer buiten rechte gereageerd en ook niets meer uitgekeerd, ook niet de eerder toegezegde bedragen.