Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:654

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.355.158/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RspogArt. 72 lid 1 PbwArt. 17 lid 1 Pbw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen plaatsing op GVM-lijst en AIT-afdeling onder gewijzigde regelgeving

Appellant, gedetineerd op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT), stond sinds 2023 op de GVM-lijst in de categorie 'hoog'. Hij vorderde verwijdering van deze lijst of afschaling van zijn risicoprofiel. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af. Tijdens het hoger beroep trad per 1 november 2025 nieuwe regelgeving in werking, waarbij de GVM-status werd gewijzigd in hoogrisicogedetineerde (HRG) gekoppeld aan AIT-plaatsing.

Het hof oordeelde dat appellant niet-ontvankelijk is omdat tegen de AIT-plaatsing beroep openstaat bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), die een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt. Appellant betoogde dat deze procedure te lang duurt en dat de beslissing van 23 december 2025 tot AIT-plaatsing onrechtmatig was, maar het hof verwierp deze argumenten.

Inhoudelijk stelde het hof vast dat de selectiefunctionaris (SF) in redelijkheid kon oordelen dat appellant voldeed aan de criteria voor plaatsing op de GVM-lijst, met name criterium B (voortgezet crimineel handelen). Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant terecht op de GVM-lijst en AIT-afdeling is geplaatst en wijst zijn vorderingen af wegens niet-ontvankelijkheid en inhoudelijke ongegrondheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.158/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/682893 / KG ZA 25-283
Arrest in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant],
verblijvend in de P.I. te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. T.S. van der Horst, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.J. Crom, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is gedetineerd op een AIT-afdeling (Afdeling Intensief Toezicht). Hij staat sinds 2023 op de zogeheten GVM-lijst (lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico). Dat was aanvankelijk in de categorie ‘hoog’. [appellant] vindt dat zijn plaatsing op deze lijst onrechtmatig is omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. [appellant] vordert dat hij van de lijst wordt verwijderd, of dat zijn plaatsing in elk geval wordt afgeschaald van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’. De voorzieningenrechter [1] heeft deze vorderingen afgewezen.
1.2
De regelgeving is gedurende het hoger beroep gewijzigd (per 1 november 2025). [appellant] wordt nog steeds aangemerkt als een GVM-gedetineerde, maar nu in de categorie ‘HRG’ (hoogrisicogedetineerde). [appellant] heeft zijn vorderingen gehandhaafd (waarbij het hof de subsidiaire vordering zo leest dat hij afschaling vordert van ‘HRG’ naar ‘RG’). Omdat ervan uit moet worden gegaan dat de HRG-status en de plaatsing op een AIT onder de nieuwe regelgeving met elkaar zijn verbonden en tegen een AIT-plaatsing kan worden opgekomen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), is het hof met de Staat van oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk is. Inhoudelijk slagen de vorderingen ook niet. Het hof concludeert daarom dat het vonnis van kracht moet blijven.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 22 mei 2025 (met bijlagen), waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025, en waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen;
  • de memorie van antwoord van de Staat, met bijlage;
  • de bijlage (productie 2) die de Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de hierna onder 2.2 genoemde stukken.
2.2
Op 28 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Ter zitting is aan de orde gekomen dat de regelgeving per 1 november 2025 is gewijzigd (zie 3.9. hierna) en dat op 23 december 2025 een beslissing werd verwacht over de vraag of [appellant] op een AIT-afdeling zou moeten blijven. Besproken is welke consequenties dit zou kunnen hebben voor de vorderingen van [appellant] . De zaak is vervolgens aangehouden tot 27 januari 2026, voor akte uitlaten partijen. Op die datum hebben beide partijen een akte (met producties) genomen, waarin zij ook zijn ingegaan op het nadere standpunt van de ander (zoals kenbaar uit een eerder aan elkaar toegestuurde conceptakte). Hierna is arrest bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] is op 20 mei 2022 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten in Servië aangehouden in verband met een tegen hem gerezen verdenking van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne naar Nederland. In april of mei 2023 is [appellant] uitgeleverd aan Nederland. Na zijn aankomst in Nederland is hij geplaatst in de PI Leeuwarden. Op een later moment is hij overgeplaatst naar de PI Arnhem.
3.2
Op grond van artikel 22 van Pro de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) stelt de selectiefunctionaris (SF) het risicoprofiel van een gedetineerde vast. De bedoeling is dat een gedetineerde wordt geplaatst in een inrichting of afdeling met de mate van beveiliging die op grond van dat risicoprofiel geïndiceerd is. De SF besluit ook (namens de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Minister) of een gedetineerde op de hierboven onder 1.1. al genoemde GVM-lijst wordt geplaatst.
Regelgeving tot 1 november 2025; beslissingen in die periode
3.3
De voor die plaatsing op de GVM-lijst geldende criteria waren ten tijde van het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg – en ook nog ten tijde van de memoriewisseling in hoger beroep – opgenomen in de Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021 [2] (hierna: de GVM-circulaire 2021). Op basis van die GVM-circulaire 2021 werd een gedetineerde besproken in het zogeheten Operationeel Overleg (hierna: het OO), een landelijk samenwerkingsverband van de bij het gevangeniswezen betrokken partijen, onder wie de SF, een directeur van een penitentiaire inrichting (PI), een operationeel specialist van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) en vertegenwoordigers van het OM. Nadat dit OO een advies had uitgebracht besliste de SF namens de Minister van Justitie en Veiligheid of de gedetineerde op de GVM-lijst werd geplaatst, en zo ja, in welke van de in de GVM-circulaire 2021 vermelde categorieën: extreem, hoog of verhoogd. Gedetineerden met het risicoprofiel ‘verhoogd’ moesten wel door het OO gemonitord worden, maar konden worden geplaatst in elke PI met een normaal beveiligingsniveau. Voor gedetineerden met het risicoprofiel ‘hoog’ gold dat zij een dusdanige dreiging vormden voor de orde en veiligheid van de inrichting dat zij niet alleen gemonitord moesten worden, maar ook in een van de ‘GVM-hoog’ PI’s moesten worden geplaatst.
3.4
[appellant] is voor het eerst besproken in het OO van 9 augustus 2023. Het OO heeft geadviseerd [appellant] op de GVM-lijst te plaatsen in de categorie ‘hoog’, op grond van indicatie A (risico op ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf) en indicatie B ((vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie). De SF heeft dit advies opgevolgd.
3.5
Op 14 februari 2024, 9 oktober 2024 en 12 februari 2025 is [appellant] opnieuw besproken in het OO, waarna de SF telkens heeft besloten om de plaatsing in de categorie ‘hoog’ op basis van de criteria A en B te verlengen voor 6 maanden. De directeur van de P.I. Leeuwarden heeft naar aanleiding van iedere verlengingsbeslissing voor dezelfde duur toezichtmaatregelen aan [appellant] opgelegd.
3.6
In de achtereenvolgens opgemaakte OO-verslagen – waarin wordt verwezen naar GRIP-rapporten (GRIP staat voor Gedetineerden Recherche Informatie Punt) en informatie uit de PI – staat, samengevat en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende:
[appellant] maakt deel uit van het crimineel samenwerkingsverband (CSV) van [betrokkene 1] . Hij is ook een jeugdvriend van hem. [appellant] heeft een belangrijke rol in het CSV van [betrokkene 1] . Hij regelde de financiën en de financiële verrekeningen van ingekochte en verkochte partijen cocaïne. Hierom wordt hij gezien als de financiële man van [betrokkene 1] . Boris ( [appellant] ) ontvangt hiervoor ook een percentage van de gemaakte winst op cocaïne, ook nog na detentie van [betrokkene 1] .
Uit de data van Sky ECC [3] kan afgeleid worden dat [betrokkene 1] na zijn aanhouding de dagelijkse leiding over de criminele organisatie die handelt in verdovende middelen min of meer heeft gedelegeerd aan zijn zoon, [betrokkene 2] , en aan [appellant] en [betrokkene 3]. [appellant] lijkt hierin de rol te vervullen van adviseur voor [betrokkene 2] , die in afwezigheid van zijn vader [betrokkene 1] de eindbeslissingen neemt.
Vanuit de organisatie [betrokkene 1] zijn uitbraakpogingen bekend. De CSV wordt verdacht van de voorbereiding van het op gewelddadige wijze bevrijden van [betrokkene 1] uit de EBI. Aangezien verdachte ( [appellant] ) tot die groepering behoort en ook een hoge functie heeft, is dit wel een reëel gevaar.
Vanuit het CSV [betrokkene 1] is er geld, macht en middelen aanwezig.
[appellant] heeft een uitgebreid netwerk en heeft contact met andere (top)criminelen.
3.7
Op 11 juli 2024 heeft de rechtbank Rotterdam [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en een geldboete van € 200.000,-.
3.8
De plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst is meest recent op 13 augustus 2025 verlengd met 6 maanden, nog steeds in de categorie ‘hoog’, en wel op grond van indicatie B. Indicatie A is komen te vervallen gezien de naderende VI-datum, het gedrag van [appellant] en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een bevrijding dan wel ontvluchting.
Nieuwe regelgeving met ingang van 1 november 2025
3.9
Met ingang van 1 november 2025 zijn de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) en de Rspog gewijzigd. Op die datum is ook een nieuwe circulaire in werking getreden. De GVM-circulaire 2021 is op 1 november 2025 vervangen door een deels aangepaste circulaire, gedateerd 23 september 2025 (hierna: de GVM-circulaire 2025 [4] ). Hierin wordt beschreven dat als gevolg van de aanpak van ondermijnende criminaliteit het aantal gedetineerden uit zware georganiseerde criminaliteit is toegenomen, en dat hun macht, middelen en mogelijkheden leiden tot een hoog risico op ontvluchting, voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, liquidaties, ernstige bedreigingen van personeel en andere inbreuken op de cruciale veiligheidsbelangen van DJI (Dienst Justitiële Inrichtingen). Om die dreigingen tegen te gaan heeft DJI een aantal wijzigingen doorgevoerd.
3.1
Een van de wijzigingen ten opzichte van de Circulaire 2021 is dat GVM-gedetineerden voortaan worden onderscheiden in twee categorieën, te weten risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). In die laatste categorie vallen gedetineerden die een dusdanige dreiging vormen voor de orde en veiligheid in de inrichting en/of de samenleving dat zij in/op een van de uitgebreid/extra beveiligde inrichtingen/afdelingen moeten worden geplaatst, zoals de EBI (Extra Beveiligde Inrichting) of een AIT (Afdeling Intensief Toezicht). De criteria A tot en met F zijn gehandhaafd, met dien verstande dat de omschrijving van criterium D iets is gewijzigd, en er is een criterium G aan toegevoegd, maar dat is niet relevant voor deze zaak.
3.11
Gedetineerden die niet in een EBI of op een AIT verblijven worden besproken in het Overleg Risico-gedetineerden (ORG). Dit is een landelijk adviesorgaan, dat evenals voorheen het OO, onder meer de taak heeft de SF te adviseren over de plaatsing dan wel handhaving van een gedetineerde op de GVM-lijst. Het is vervolgens nog steeds de SF die namens de Minister het besluit neemt tot plaatsing of handhaving op de GVM-lijst.
3.12
Voor gedetineerden die in een EBI of op een AIT verblijven gaat het anders. Onder de nieuwe regelgeving is de HRG-status verbonden met de plaatsing in/op een EBI/AIT: als een gedetineerde voldoet aan de criteria van één van de bijzondere inrichtingen of afdelingen, zoals de AIT en EBI, wordt die gedetineerde aangemerkt als HRG en geplaatst in/op zo’n bijzondere inrichting of afdeling [5] . Onder de nieuwe regelgeving is een aantal toezichtmaatregelen voor EBI-en AIT-gedetineerden aangescherpt. De gewijzigde Pbw voorziet in een pakket van generieke toezichtmaatregelen voor deze gedetineerden, waarbij onder meer de duur en frequentie van bezoek en telefoneren zijn beperkt.
3.13
Vóór 1 november 2025 besliste de vestigingsdirecteur over plaatsing op een AIT, nu doet de SF dat, namens de Minister. Tegen een beslissing van de SF tot plaatsing op een AIT staat beklag open, en vervolgens beroep bij de beroepscommissie van de RSJ (artikelen 72 lid 1 jo. 17 lid 1 onder a Pbw).
3.14
Bij wijze van overgangsrecht is bepaald dat door de directeur onder het oude recht genomen beslissingen tot plaatsing van een gedetineerde op een AIT, gedurende de eerste vier maanden na 1 november 2025 in stand blijven. In lijn daarmee is in paragraaf 5.3. van de Circulaire 2025 bepaald dat gedetineerden die op 1 november 2025 op een AIT verbleven, worden aangemerkt als HRG-gedetineerden. [appellant] verbleef op 1 november 2025 op een AIT.
Beslissing ten aanzien van [appellant] na 1 november 2025
3.15
Op 20 november 2025 heeft de plaatsingscommissie van de PI Arnhem geadviseerd om [appellant] “uit te plaatsen van de AIT”, met andere woorden hem over te plaatsen naar een inrichting/afdeling met een lager beveiligingsniveau. Volgens de plaatsingscommissie was er onvoldoende onderbouwing voor een AIT-plaatsing. Wel zag de commissie nog steeds risico’s en de noodzaak tot monitoring van [appellant] . Daarom heeft zij [appellant] voorgedragen tot bespreking in het ORG.
3.16
Op 9 december 2025 heeft de selectieadviescommissie AIT en EBI (SAC AIT/EBI) de Staatssecretaris geadviseerd om [appellant] op de AIT te plaatsen voor 12 maanden.
3.17
Op 23 december 2025 heeft de SF namens de Minister besloten om [appellant] , conform het advies van de SAC AIT/EBI en in afwijking van het advies van de PI Arnhem, voor 12 maanden op de AIT te plaatsen. Voorafgaand daaraan is [appellant] gehoord.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd:
  • primair: verwijdering van de GVM-lijst;
  • subsidiair: afschaling van het toegekende risicoprofiel van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’.
4.2
[appellant] heeft daartoe samengevat aangevoerd dat de Staat onrechtmatig handelt door hem op de GVM-lijst te plaatsen, en die plaatsing te handhaven. Volgens hem was noch aan criterium A noch aan criterium B voldaan en was er in elk geval onvoldoende grond voor het risicoprofiel ‘hoog’. Hij heeft groot belang bij afschaling omdat een lager risicoprofiel gepaard gaat met minder vergaande toezichtmaatregelen.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en heeft [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de SF in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat voldaan is aan criterium A en dat dit de plaatsing en handhaving op de GVM-lijst al rechtvaardigt. De vraag of indicatie B ook van toepassing is, heeft de voorzieningenrechter daarom onbeantwoord gelaten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter, met dien verstande dat het hof uit de akte van 27 januari 2026 onder 12 afleidt dat de subsidiaire vordering in het licht van de gewijzigde regelgeving aldus moet worden gelezen dat zijn GVM-status HRG moet worden aangepast naar een GVM-status RG.
5.2
De grieven (bezwaren) houden samengevat en zakelijk weergegeven het volgende in:
  • Grief 1 luidt dat de SF niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat voldaan is aan criteria A en B. Aan criterium A is niet voldaan gelet op het beperkte strafrestant en de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling vanaf mei 2028. Bovendien heeft het OM aangegeven dat hij niet zal worden onderworpen aan een andere strafrechtelijke vervolging en is er ook geen actuele informatie bekend die wijst op een (“hoog”) risico op vluchtgevaar. Aan criterium B is evenmin voldaan. Uit de stukken blijkt dat hij zich buitengewoon goed gedraagt en zich aan de afspraken en regels houdt.
  • Grief 2 houdt in dat ten onrechte het risicoprofiel ‘hoog’ is toegekend, terwijl de PI Leeuwarden al op 11 september 2024 heeft aangegeven dat een afschaling voor de hand lag en er daarna niet is gebleken van redenen om het risicoprofiel ‘hoog’ te handhaven. Er bestaat belang bij afschaling omdat bij risicoprofiel ‘verhoogd’ (i) plaatsing in een gunstigere inrichting mogelijk wordt, (ii) er in de regel ook minder ingrijpende toezichtmaatregelen worden opgelegd en (iii) verwijdering van de GVM-lijst eerder mogelijk wordt omdat het beleid is dat verwijdering moet worden voorafgegaan door afschaling van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’.
5.3
Tijdens de zitting van 28 november 2025 en in zijn akte van 27 januari 2026 heeft de Staat aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat, samengevat, de GVM-status HRG inherent is aan de AIT-plaatsing en tegen die plaatsing kan worden opgekomen bij de RSJ.
5.4
[appellant] is het daarmee niet eens en heeft in zijn akte van 27 januari 2027 het volgende aangevoerd. Het beroep op niet-ontvankelijkheid is ontoelaatbaar, omdat de beslissing van 23 december 2025 moet worden gezien als belangenverstrengeling en een schending van het verbod op ‘detournement de pouvoir’. De beslissing is totaal niet te rijmen met eerdere uitlatingen van het OM in juni 2024, en van de Staat ter zitting van 28 november 2025. De beslissing is ook niet conform het advies van de P.I., terwijl meestal veel gewicht wordt toegekend aan dat advies. De RSJ-procedure duurt bovendien te lang en kan gezien zijn spoedeisend belang (hij heeft zijn vrouw en kinderen al sinds 1 november 2025 niet meer gezien of gesproken) dus niet worden aangemerkt als met voldoende waarborgen omkleed. Daarom moeten de vorderingen inhoudelijk worden beoordeeld. Subsidiair heeft [appellant] aangevoerd dat de behandeling van de vorderingen moet worden aangehouden tot de uitspraak van de RSJ. [appellant] gaat ervan uit dat de beslissing van 23 december 2025 zal worden vernietigd, waarna het hof volgens hem bevoegd zal zijn om inhoudelijk te oordelen over zijn vorderingen. Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat het in elk geval niet redelijk en billijk is om hem in de proceskosten te veroordelen omdat de (appel)dagvaarding van ver voor de wijziging van de wet- en regelgeving dateert en voor hem niet voorzienbaar was dat het hof niet al eerder arrest zou hebben kunnen wijzen.

6.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid

6.1
Vaststaat dat tegen een beslissing van de Minister tot plaatsing van een gedetineerde op een AIT kan worden opgenomen bij de RSJ (artikel 72 lid 1 in Pro samenhang met artikel 17 lid 1 Pbw Pro). In de Circulaire 2025 staat dat een gedetineerde die voldoet aan de criteria voor plaatsing op een AIT wordt aangemerkt als HRG. Daaruit lijkt te volgen dat, zoals de Staat aanvoert, de AIT-plaatsing en de HRG-status onlosmakelijk zijn verbonden en dat een beroep tegen een AIT-plaatsing dus automatisch een beroep tegen die status inhoudt. Popopvic heeft dat als zodanig overigens ook niet betwist. Het hof gaat er dan van uit dat de bezwaren die [appellant] in dit geding aanvoert tegen het aannemen van indicatie B en tegen de toekenning van een HRG-profiel kan voorleggen aan de RSJ.
6.2
De Staat heeft in twijfel getrokken of [appellant] tijdig beroep heeft ingesteld. Dat staat ter beoordeling van de RSJ en kan verder in het midden blijven. In elk geval staat vast dat de gang naar de beroepscommissie van de RSJ openstond. Dit is naar vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. [appellant] kan langs die weg een vergelijkbaar resultaat bereiken als hij in deze procedure nastreeft (of had dat in elk geval kunnen bereiken). Het uiteindelijke doel is immers een lichter regime en om die reden vordert [appellant] primair algehele verwijdering van de GVM-lijst en subsidiair afschaling van zijn status (in de formulering van de oorspronkelijke vordering van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’, maar gezien de nieuwe regelgeving moet dat nu worden begrepen als: van ‘HRG’ naar ‘RG’). Nu de HRG-status is verbonden aan de AIT-plaatsing kan dit resultaat worden bereikt door de AIT-plaatsing met succes aan te vechten en dat kan bij de RSJ.
6.3
[appellant] heeft nog aangevoerd dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat sprake is van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, omdat hij een spoedeisend belang heeft en de ervaring leert, zo stelt hij, dat de RSJ ten minste zes tot twaalf maanden nodig heeft om tot een uitspraak te komen en het, in geval van vernietiging van de beslissing door de RSJ, in de regel vervolgens ten minste drie maanden duurt voordat een gedetineerde wordt overgebracht naar een normaal beveiligde inrichting. Die (door de Staat betwiste) stelling is echter niet onderbouwd. De stelling dat de ervaring dit leert is niet voldoende. De Staat heeft erop gewezen dat de RSJ spoedeisende zaken met voorrang behandelt. [appellant] heeft niet gesteld dat hij hierom heeft gevraagd. Als hij dat niet heeft gedaan komt dat voor zijn risico. Ook kan bij de RSJ worden verzocht om een schorsing van een beslissing.
6.4
Het is begrijpelijk dat de beslissing van 23 december 2025 [appellant] heeft verrast, gezien (met name) het advies van de PI van november 2025. De beslissing is wel in overeenstemming met het advies van de SAC EBI/AIT. Wat daar echter verder ook van zij, [appellant] kan zijn beroep op belangenverstrengeling en schending van het verbod op détournement de pouvoir aan de RSJ voorleggen. Het hof ziet in die argumenten geen aanleiding om te concluderen dat de Staat geen ontvankelijkheidsverweer mag voeren.
6.5
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op niet-ontvankelijkheid slaagt. De Staat heeft geen belang bij een formele vaststelling daarvan in het dictum, omdat, zoals hierna zal worden besproken, de vorderingen inhoudelijk evenmin succes hebben. Een inhoudelijke beoordeling is hoe dan ook op zijn plaats in verband met de vraag of [appellant] de kosten in eerste aanleg en de kosten van het opstellen van de memorie van antwoord moet dragen. Het hof is het met [appellant] eens dat dit niet redelijk zou zijn in het geval de vorderingen onder het oude recht toewijsbaar waren.
Inhoudelijk
6.6
Bij de beoordeling van de beslissing van de SF om [appellant] op de GVM-lijst te plaatsen, en wel in de categorie ‘hoog’, en om deze plaatsing te handhaven, moet het hof zich terughoudend opstellen. De SF heeft namelijk een grote beoordelingsruimte en het gaat erom of de SF in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing. De SF heeft bij beslissingen tot plaatsing respectievelijk handhaving steeds de adviezen van het OO gevolgd. Gelet op die adviezen en de daaraan ten grondslag liggende informatie (zie 3.6. hierboven) heeft de SF naar het oordeel van het hof in redelijkheid kunnen oordelen dat (in elk geval) aan criterium B was voldaan, en dat het goede gedrag van [appellant] tijdens detentie daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal legde.
6.7
De vorderingen zijn dus ook inhoudelijk niet toewijsbaar.
Conclusie en proceskosten
6.8
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het hof zal het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.9
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 3.225,- (2,5 punt × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.241,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • i) bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025;
  • ii) veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 4.241,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • iii) bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 89, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • iv) verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. S.A. Boele en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zo wordt een kort gedingrechter bij de rechtbank genoemd.
2.Met kenmerk 3399954.
3.Sky ECC staat voor Sky Encrypted Communication Client en verwijst naar een versleutelde berichten-app van het bedrijf Sky Global.
4.Met kenmerk 6756965.
5.Circulaire 2025, par. 2.2., p. 7 onderaan.