Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 4 januari 2024, waarmee de Staat in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2023;
- de memorie van grieven van de Staat;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Staat.
3.Feitelijke achtergrond
trial by mediageen (herkenbare) beeldopnames worden gemaakt van verdachte personen of rechtspersonen en dat de documentaire niet zal worden uitgezonden voor de uitspraak in de desbetreffende strafzaak.
ware het niet dat het openbaar ministerie de integriteit van het geding in gevaar heeft gebracht door te trachten de verdediging te weerhouden van het voeren van verweren omtrent de documentaire (…)”. Gezien deze gevaarzetting en vanwege een aantal andere strafverminderende omstandigheden (de rechtbank noemt daarbij in het geval van [geïntimeerde 1] (1) het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, (2) het feit dat hij samen met [geïntimeerde 2] de door de Sumo-vennootschappen verschuldigde belasting alsnog heeft betaald vermeerderd met een boete van € 1,5 miljoen, (3) het feit dat hij hard is getroffen door de Bibob-procedures en de daarmee gepaard gaande negatieve aandacht in de (Chinese) media en (4) de overschrijding van de redelijke termijn) is aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Het OM en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn beide in hoger beroep gegaan.
viewingstelkenmale aanpassingen te eisen, waardoor de uitgezonden documentaire geen geheime tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbare gegevens bevatte, aldus het hof.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
grief 1). De rechtbank heeft ten onrechte verwezen naar de schadestaatprocedure, nu de mogelijkheid van schade ten gevolge van de medewerking van de Staat aan de documentaire volgens de Staat niet voldoende aannemelijk is (
grief 2). De Staat heeft zijn
derde griefgericht tegen de proceskostenveroordeling.
6.Beoordeling in hoger beroep
Inzet van het (principaal) appel
Door het laten meelopen van de documentairemaker en de filmploeg met het opsporingsonderzoek werden deze bekend met informatie uit de opsporing in de zaken tegen de verdachte natuurlijke personen en rechtspersonen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat men bekend werd met naam, adres, woon- of vestigingsplaats, aard van de verdenkingen en herkenbare beelden van de verdachte natuurlijke personen, werknemers van de verdachte rechtspersonen en locaties van de restaurants.”
geblurd’, respectievelijk zijn ‘weggepiept’. Uit de door de Staat genoemde wijzigingsvoorstellen in de e-mail van 28 juni 2019 blijkt dat in de ‘ongekuiste’ versie van de documentaire het logo van de sushiketen (nog) in beeld was gebracht, de naam van de keten (nog) zichtbaar was op het jasje van personeelsleden, het adres van de keten in Breda (nog) werd genoemd, de naam [geïntimeerde 2] (nog) niet overal goed was ‘weggepiept’, personeelsleden van Sumo (nog) “behoorlijk zichtbaar” waren en niet waren ‘
geblurd’ en ook verder sprake was van (“te”) herleidbare details. Blijkens (de transcriptie behorende bij) de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde fragmenten van de uitgezonden documentaire zijn de namen van (de sushiketen van) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op diverse momenten ‘weggepiept’ en zijn de beelden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] of hun sushiketen op meerdere plaatsen ‘
geblurd’. Zo luidt de transcriptie bij het beeldfragment op pagina 19: “
Meneer [weggepiept] heeft zijn woning in april gekocht voor 1,3 miljoen 50 duizend gulden, euro. Zonder hypotheek.”, op pagina 20: “…
dan moet die ook eerst naar het pand waar de grootste hit op geld, en dat is bij [weggepiep]”,op pagina 31:
“[weggepiept] is om 22.10 uur thuis. (…) Nou dan zijn ze bijna thuis allebei. (…) En [ weggepiept] zit op 10 kilometer.”, op pagina 35:
“(…) [naam] zit in het pand van meneer [weggepiept] en achter een schot: zakken met geld (…)”, op pagina 45:
“(…) ik sta in Breda in het [weggepiept] restaurant”, op pagina 47:
“(…) beschikt meneer [ weggepiept] over codes en/of sleutels van die kluizen (…)” en op pagina 60: ”
(…) doorzoekingen gedaan in de woningen. En bij [ weggepiept] vinden we in een doos allemaal losse kasstaten (…)”.
voorafgaandaan die uitzending kennis hebben gekregen van (privacygevoelige) politiegegevens, terwijl het OM op grond van art. 7 lid 1 Wpg Pro, bijzondere gevallen daargelaten (waarover hierna meer), tot geheimhouding daarvan was verplicht.
in bijzondere gevallen”, wanneer dat bovendien “
noodzakelijk”is met het oog op een “
zwaarwegend algemeen belang”(hierna: noodzakelijkheidscriterium). Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat met deze formulering wordt aangegeven dat de verstrekking voor de samenleving van méér dan gewone betekenis moet zijn. Dit belang dient dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben [2] .
bijzonder geval’zoals in art. 19 Wpg Pro is bedoeld. Waarin het geval van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich onderscheidt van andere fraudezaken heeft de Staat niet toegelicht. Zelfs als het het OM alleen te doen zou zijn geweest om het aan de kaak stellen van belastingfraude in restaurants valt niet in te zien waarom alle pijlen van het OM juist op (de sushiketen van) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren gericht.
noodzakelijkwas met het oog op het gestelde publieke belang om te worden voorgelicht over strafrechtelijke onderzoeken (onder meer) ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten. De toepassing van het noodzakelijkheidscriterium impliceert dat
voorafeen belangenafweging – in de woorden van art. 19 Wpg Pro:
beslissen- op lokaal niveau moet worden gemaakt. Het belang dat gediend wordt met de verstrekking van de gegevens moet in het concrete geval immers worden afgewogen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie de politiegegevens betrekking hebben. Dat die afweging hier telkens is gemaakt toen de documentairemakers met de FIOD meeliepen is niet gebleken, ook niet in de twee erkende gevallen. Weliswaar heeft het OM de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daadwerkelijk bewaakt door in het kader van het met Selfmade Films afgesloten Mediacontract na de viewings telkenmale aanpassingen te eisen, maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat in elk geval de documentairemakers zonder noodzaak kennis hebben gekregen van politiegegevens over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] die bij uitsluiting tot het domein van de opsporing hadden behoren te blijven. Door de afgesproken controle achteraf kon de schending van de in art. 7 lid 1 Wpg Pro neergelegde geheimhoudingsplicht niet meer ongedaan worden gemaakt.
noodzakelijkis geweest voor het (voorlichtings- en preventie-) doel dat het OM ermee voor ogen heeft gehad.
uitvoeringvan het contract opnames zijn gemaakt waarbij de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in het geding (blijken te) zijn gekomen doet dat aan de geldigheid van het contract zelf niet af, nu dergelijke opnames in het contract nu juist uitdrukkelijk waren verboden. Niet voor niets is daarin bepaald dat geen (herkenbare) beeldopnames mogen worden gemaakt van verdachte personen of rechtspersonen om de privacy te beschermen en
trial by mediate voorkomen (art. 3.4) en dat het OM minimaal één maand voorafgaand aan de eerste openbare vertoning of uitzending van de documentaire gelegenheid moet krijgen om de documentaire te zien ter beoordeling van de vraag of correcties moeten plaatsvinden in verband met, onder meer, de privacy belangen van degenen die bij de documentaire zijn betrokken (art. 4). De stelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat het Mediacontract nietig is omdat op basis daarvan vast stond dat de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zou worden geschonden ontbeert dus een feitelijke grondslag, nog daargelaten dat nergens in het Mediacontract is bepaald dat de documentaire betrekking zou hebben op alleen het FUJI onderzoek.
uitvoeringis gegeven aan het Mediacontract en zij zien dus niet op de inhoud of strekking ervan. De vraag over de rechtmatigheid van het Mediacontract zelf heeft in de strafzaak ook niet ter toetsing voorgelegen.
7.Beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2026 voor het nemen van de in rov. 6.28 en 6.29 omschreven akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
- houdt iedere verdere beslissing aan.