ECLI:NL:GHLEE:2000:AA9165

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
324/98
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Pruiksma
  • Fransen
  • Wolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening onroerend-goedbelastingen 1995Art. 220d GemeentewetArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en niet-ontvankelijkheid bezwaar onroerendezaakbelasting 1995

Belanghebbende, de X, is eigenaar en gebruiker van een recreatiegebied in de gemeente De Marne en kreeg aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd voor 1995. Tegen deze aanslagen werd bezwaar gemaakt, maar het bezwaarschrift werd door B&W ongegrond verklaard. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Gerechtshof Leeuwarden.

Het geschil betrof primair de vraag of het recreatiegebied vrijgesteld was van belastingheffing op grond van de geldende verordening en de Gemeentewet, en subsidiair de hoogte van de heffingsgrondslag. Het hof stelde vast dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk gestelde termijn was ingediend, waardoor het niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard door B&W.

Er werden geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Het hof vernietigde daarom de uitspraak van B&W en verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd omdat de Staat hier niet om had verzocht.

Uitkomst: Het hof vernietigde de uitspraak van B&W en verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 324/98 22 december 2000
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de X (X - regio Groningen) te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Marne (: B&W), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 1995.
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende werden op 31 december 1996 twee aanslagen in de onroerende zaakbelastingen ter zake van de eigendom en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, zijnde het recreatiegebied A gelegen in de gemeente De Marne, opgelegd. Deze aanslagen hebben betrekking op het jaar 1995. Tegen deze aanslagen is belanghebbende in bezwaar gekomen, welk bezwaarschrift, gedagtekend 12 februari 1997, door B&W is ontvangen op 14 februari 1997.
B&W hebben bij uitspraak van 5 februari 1998 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma-beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 3 maart 1998 ter 's hofs griffie is ingekomen. De gronden van het beroep (met bijlagen) zijn op 29 mei 1998 door het hof ontvangen. B&W hebben op 2 november 1998 een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden. Daarna hebben partijen conclusies gewisseld. Belanghebbende heeft op 9 juni 2000 een stuk ingezonden aan het hof, waarvan een afschrift aan B&W is toegezonden met het verzoek om op dit stuk ter zitting te reageren.
Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 juni 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren namens belanghebbende de heer mr. B alsmede de door B&W gemachtigde ambtenaar. Van alle vermelde stukken (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Terstond na de sluiting van de zitting heeft het hof in deze zaak in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 3 juli 2000, aan partijen is verzonden.
Bij schrijven ingekomen op 19 juli 2000 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.
Op 7 augustus 2000 heeft belanghebbende het daartoe
verschuldigde griffierecht ad f 150,= voldaan.
2. Feiten
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat tussen partijen het volgende onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast:
2.1. Belanghebbende, de X, is genothebbende krachtens zakelijk recht en feitelijk gebruiker van het in de gemeente De Marne gelegen recreatiegebied A, waarvan de waarde tot een bedrag van f 29.330.000,- als heffingsgrondslag in de onderhavige aanslagen is begrepen.
2.2. Die twee op ‚‚n aanslagbiljet verenigde aanslagen dragen als dagtekening 31 december 1996.
2.3. Het door belanghebbende tegen die aanslagen ingediende bezwaarschrift dat als dagtekening 12 februari 1997 draagt, is op 12 februari 1997 per fax ter post bezorgd, en, blijkens schrijven van de gemeente De Marne, op 14 februari 1997 door de gemeente ontvangen.
2.4. B&W hebben dat bezwaarschrift ontvankelijk geacht, en vervolgens de aangevoerde bezwaren ten gronde behandeld.
3. Het geschil en standpunten van partijen
3.1. Belanghebbende is primair -kort gezegd- de mening toegedaan dat het onderhavige terrein op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de in het onderhavige jaar geldende Verordening onroerend-goedbelastingen 1995 juncto artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet is vrijgesteld van belastingheffing, hetgeen B&W bestrijden.
3.2. Subsidiair is belanghebbende -kort weergegeven- van mening dat B&W de heffingsgrondslag op een te hoog bedrag hebben vastgesteld.
Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
4. Overwegingen omtrent het geschil
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9 juncto Pro artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) geldt een bezwaarschrift als tijdig ingediend indien het binnen een termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
4.2. Vaststaat dat de aanslagen waren gedagtekend 31 december 1996, en dat het bezwaarschrift eerst op 12 februari 1997 ter post is bezorgd, derhalve niet binnen de door artikel 6:9, tweede lid, Awb, gestipuleerde termijn.
4.3. B&W hadden daarom het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk dienen te verklaren.
4.4. Ten processe zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien vervolgens aannemelijk gemaakt, verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding zouden kunnen opleveren. Met name is daartoe onvoldoende dat een buitendienst van het departement van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (in casu X: X) met de feitelijke behandeling van een in te dienen bezwaarschrift zich diende te belasten, nu volgens een verklaring van een ambtenaar van X ter terechtzitting het bewuste aanslagbiljet reeds begin januari 1997 ten kantore van X was ontvangen, zodat indiening van een (pro forma) bezwaarschrift v¢¢r of op de uiterste datum van 11 februari 1997 ruimschoots tot de mogelijkheden moet hebben behoord.
5. Conclusie
Het hof zal doen hetgeen B&W hebben nagelaten. Daartoe zal de bestreden uitspraak worden vernietigd.
6. Proceskosten
Mede nu de Staat niet om een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken heeft gevraagd, acht het hof geen termen aanwezig voor een zodanige veroordeling.
7. Beslissing
Het hof vernietigt de uitspraak van B&W en verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in het bezwaar, en gelast B&W aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Gedaan op 22 december 2000 door mrs. Pruiksma, vice-president, als voorzitter, Fransen, raadsheer, en Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Op 29 december 2000 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.