ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0005

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 mei 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WAHVArt. 26a WAHVArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 1:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel wegens termijnoverschrijding

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beschikking van de kantonrechter die zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig indienen van het verzetschrift.

Volgens artikel 26, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) moet het verzetschrift binnen twee weken na betekening van het dwangbevel bij het kantongerecht zijn ingediend. Het verzetschrift van de betrokkene was gedateerd op de laatste dag van de termijn maar werd pas na deze termijn ontvangen door het kantongerecht.

De wetgever heeft geen voorziening getroffen voor verschoonbaarheid van termijnoverschrijding, zodat alleen in bijzondere, klemmende omstandigheden hiervan kan worden afgeweken. In deze zaak zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter dat het verzet niet-ontvankelijk is.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het verzetschrift.

Uitspraak

WAHV 00/00026
24 mei 2000
CJIB 24255871
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter te Tilburg
van 24 januari 2000
betreffende
[betrokkene], (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt H. Kuys, werkzaam bij de Stichting Maatschappelijke Opvang Midden-Brabant te Tilburg.
1. De beschikking van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 23 juni 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
H. Kuys heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling van de bestreden beschikking
3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet, omdat het verzetschrift niet tijdig is ingediend.
3.2. Beoordeeld dient te worden of de kantonrechter het verzet terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof overweegt daartoe het volgende.
3.3. Ingevolge art. 26, derde lid, WAHV wordt het verzetschrift binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij het kantongerecht binnen het rechtsgebied waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd.
3.4.Voorts dient het volgende in aanmerking te worden genomen. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 1:4 Awb Pro zijn de art. 6:9 en Pro 6:11 Awb van toepassing uitgesloten. De wetgever heeft bij de vaststelling van de huidige tekst van art. 26 WAHV Pro in lid 5 van dat artikel wel voorzien in de gelegenheid tot herstel van het verzuim met betrekking tot de bij het verzetschrift over te leggen stukken, doch niet in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26, derde lid, WAHV genoemde termijn. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de wetgever -anders dan in het niet van toepassing zijnde art. 6:11 Awb Pro- in beginsel niet heeft willen voorzien in verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26, derde lid, WAHV genoemde termijn. Daarom kan slechts in bijzondere omstandigheden van klemmende aard worden aangenomen, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzetschrift op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.
3.5. Blijkens de gedingstukken is het dwangbevel op 2 juli 1999 aan de betrokkene betekend. Gelet op het bepaalde in art. 26, derde lid, WAHV dient het verzetschrift op 16 juli 1999 door het kantongerecht ontvangen te zijn. Het verzetschrift is gedateerd 16 juli 1999 en is op 19 juli 1999 door het arrondissementsparket te Breda ontvangen. Het is vervolgens doorgezonden naar het kantongerecht, waar het op 30 augustus 1999 is ontvangen. De kantonrechter heeft derhalve terecht geoordeeld, dat het verzetschrift niet tijdig is ingediend.
3.6. Van de in r.o. 3.4. genoemde bijzondere omstandigheden van klemmende aard is niet gebleken.
3.7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beschikking van de kantonrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2000.