ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0007

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juni 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00060
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring beroep bestuursrecht

Betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een bestuursrechtelijke sanctie op grond van de WAHV. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat betrokkene niet tijdig zekerheid had gesteld voor betaling van de sanctie.

Het hof beoordeelde dat de mededelingen van de officier van justitie aan betrokkene over de zekerheidstelling niet voldeden aan de eisen van art. 11 WAHV Pro, omdat zij geen duidelijke aanvangsdatum van de termijn voor zekerheidstelling bevatten. Hierdoor was de niet-ontvankelijkverklaring onjuist.

Het gerechtshof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling, waarbij een juiste termijn voor zekerheidstelling moet worden vastgesteld en medegedeeld aan betrokkene.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

WAHV 00/00060
14 juni 2000
CJIB 26238153
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Arnhem
van 28 januari 2000
betreffende
[ B.V. ] (hierna te noemen: betrokkene),
zetelend te [vestigingsplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [plaatsnaam]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-
ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten (onder meer) een brief van 20 augustus 1999 en een brief van 20 september 1999 van de officier van justitie aan de gemachtigde van de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat in geen van beide brieven een datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen zekerheid, respectievelijk alsnog zekerheid dient te worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro kan stellen en daarvan moet aan de gemachtigde van de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3 overwogene.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Arnhem ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2000.