ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0039

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juli 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00039
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid WAHV

Betrokkene had beroep ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie, maar stelde niet binnen de wettelijke termijn zekerheid voor de betaling van een opgelegde administratieve sanctie. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege het niet voldoen aan deze zekerheidstelling.

Betrokkene werd per brief gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling en kreeg een tweede kans om alsnog zekerheid te stellen, maar reageerde niet. Ter zitting voerde betrokkene aan dat hij niet reageerde omdat er nog een procedure liep over een gerelateerde sanctie en dat hij financieel niet in staat was zekerheid te stellen.

Het hof oordeelde dat deze omstandigheden geen reden zijn om niet-ontvankelijkheid achterwege te laten. Betrokkene had op de brieven moeten reageren en zijn financiële draagkracht moeten aantonen. Omdat hij dit niet deed, bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van de administratieve sanctie.

Uitspraak

WAHV 00/00039
26 juli 2000
CJIB 24823164
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Utrecht
van 8 maart 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 juli 2000. De betrokkene, vergezeld door zijn echtgenote, is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J. Dijkstra.
3. Beoordeling
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. Bij brief van 24 september 1999 is de betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van de op de beschikking vermelde sanctie. Bij brief van 18 november 1999 is hij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen. Op geen van beide brieven is door betrokkene gereageerd.
3.3. De kantonrechter heeft vastgesteld, dat door betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld, dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.
3.4. De betrokkene heeft ter zitting erkend voormelde brieven te hebben ontvangen. De betrokkene heeft als reden voor het niet reageren op deze brieven aangevoerd, dat er nog een procedure met betrekking tot het opleggen van een sanctie ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder is geen keuringsbewijs afgegeven” liep en dat hij daarom in de veronderstelling verkeerde dat het niet nodig was om op meergenoemde brieven te reageren. Naar het oordeel van het hof is het door de betrokkene aldus aangevoerde echter geen omstandigheid op grond waarvan niet-ontvankelijkheid wegens het niet betalen van de zekerheid achterwege dient te blijven.
3.5. De betrokkene heeft eerst ter zitting in hoger beroep aangevoerd financieel niet in staat te zijn om de zekerheid te betalen.
3.6. In beginsel is de uitspraak in eerste aanleg het onderwerp van het hoger beroep. Indien betrokkene in reactie op (een van) de hem toegezonden brieven met redenen omkleed zou hebben aangegeven, dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij zekerheid zou stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, had de kantonrechter, tenzij hij het aangevoerde reeds aanstonds onaannemelijk zou hebben geacht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Nu de betrokkene niet in antwoord op de hem gezonden brieven te kennen heeft gegeven onvoldoende draagkracht te hebben heeft de kantonrechter er terecht van afgezien betrokkene op te roepen en derhalve op juiste gronden beslist.
3.7. Het hoger beroep dient er weliswaar (tevens) toe om partijen in de gelegenheid te stellen hun eigen verzuimen te herstellen, maar wanneer zonder meer niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarde waaronder de zaak aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd is het - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in appel voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brief (of - in geval van verzuim - brieven) wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan. Daarbij komt, dat betrokkene desgevraagd ter zitting heeft aangegeven evenmin een zekerheidstelling ter hoogte van f. 150,-- te hebben kunnen voldoen, hoewel het ervoor moet worden gehouden, dat bij de huidige stand van zaken een zekerheidstelling ter hoogte van dat bedrag niet in de weg staat aan de toegang tot de rechter (HR 28 juni 1994, NJ 1994, 657).
3.8. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof het verweer, dat betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen passeren en de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juli 2000.