ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0043

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 september 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00154
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens zekerheidstelling WAHV niet gegrond

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar het kantongerecht verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van de sanctie, zoals vereist in art. 11 WAHV Pro.

Het hof beoordeelde dat de mededelingen van de officier van justitie over de zekerheidstelling niet voldeden aan de wettelijke eisen. De termijn voor zekerheidstelling werd onjuist gecommuniceerd, waardoor de betrokkene niet adequaat geïnformeerd was over zijn verplichtingen.

Daarom oordeelde het hof dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was en vernietigde de beslissing van de kantonrechter. De zaak werd terugverwezen voor nieuwe behandeling, waarbij de betrokkene inmiddels alsnog zekerheid had gesteld, zodat geen nieuwe termijn nodig was.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de kantonrechter.

Uitspraak

WAHV 00/00154
20 september 2000
CJIB 29700231
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 29 mei 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
zetelend te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige
zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 10 maart 2000 en een brief van 11 april 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat de brief van 10 maart 2000 als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de dagtekening van de brief is vermeld in plaats van de datum van verzending, terwijl in de brief van 11 april 2000 geen datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en dat het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing waarvan beroep vernietigen en de zaak naar de kantonrechter terugwijzen. Nu de betrokkene op 28 juni 2000 alsnog zekerheid heeft gesteld, is het niet nodig om de betrokkene nogmaals in de gelegenheid te stellen om de zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro te voldoen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Rotterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 september 2000.