ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0044

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 september 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00166
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • V. Vellinga
  • A. Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de beslissing van de kantonrechter inzake administratieve sanctie voor verkeersovertreding

Op 20 september 2000 heeft het Gerechtshof Leeuwarden uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Arnhem van 25 februari 2000. De zaak betreft een administratieve sanctie die aan de betrokkene was opgelegd voor het niet voor laten gaan van tegemoetkomend verkeer bij het afslaan op 11 januari 1999. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, waarop de betrokkene hoger beroep heeft ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend, maar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om het beroep schriftelijk nader toe te lichten.

In de beoordeling heeft het hof vastgesteld dat de betrokkene niet was geïnformeerd door de politie over de gedraging en niet was staande gehouden. Het hof heeft artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in overweging genomen, dat bepaalt dat de sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken is ingeschreven, tenzij er een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was. Het hof concludeert dat er geen reële mogelijkheid was om de betrokkene staande te houden, waardoor de sanctie niet op hem van toepassing is.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat de inleidende beschikking niet binnen de wettelijke termijn van vier maanden aan de betrokkene was toegezonden. Echter, de betrokkene heeft niet aangetoond dat hij door deze termijnoverschrijding in zijn belangen is geschaad. Het hof oordeelt dat de rechtsgeldigheid van de beschikking niet in het geding is, ondanks de overschrijding van de termijn.

Tenslotte heeft het hof de argumenten van de betrokkene over de verklaringen van de verbalisanten verworpen. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter, waarbij de sanctie aan de betrokkene is opgelegd, en concludeert dat de betrokkene de verkeersregels heeft overtreden door het tegemoetkomend verkeer niet voor te laten gaan.

Uitspraak

WAHV 00/00166
20 september 2000
CJIB 26696939
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Arnhem
van 25 februari 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1 Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl. 180,-- opgelegd ter zake van 'bij het afslaan niet het tegemoetkomend verkeer voor laten gaan', welke gedraging zou zijn verricht op 11 januari 1999 op de Klapstraat in de gemeente Arnhem.
3.2 De betrokkene heeft aangevoerd, dat hij niet telefonisch of schriftelijk door de politie is geïnformeerd over de gedraging en dat hij niet is staande gehouden door de politie, nadat de gedraging is geconstateerd.
3.3 Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, 1055-98-V).
3.4 Betrokkene bestrijdt niet, dat er, zoals door één der verbalisanten is aangegeven, ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om hem staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake.
3.5 Ingeval van toepassing van art. 5 WAHV kan betrokkene noch aan die bepaling noch aan enige andere rechtsregel het recht ontlenen dat hem onverwijld nadat de gedraging is geconstateerd wordt medegedeeld dat hem terzake daarvan een administratieve sanctie wordt opgelegd. Gelet hierop is het feit dat de politie te Arnhem de betrokkene terzake, hoewel te doen gebruikelijk in een dergelijke situatie, niet heeft geïnformeerd geen reden om de inleidende beschikking te vernietigen.
3.6 De betrokkene heeft verder aangevoerd, dat tussen de bekendmaking van de beschikking en de gedraging bijna vijf maanden zijn verstreken.
3.7 De inleidende beschikking, waarbij ter zake van de op 11 januari 1999 geconstateerde gedraging aan de betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd, is aan de betrokkene toegezonden op 5 juni 1999.
3.8 Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV, zoals dit artikel sedert 30 juni 1997 luidt, dient de bekendmaking van de beschikking te geschieden binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden door toezending van die beschikking aan de betrokkene. Gelet op het voorgaande is de inleidende beschikking niet binnen de wettelijke termijn aan de betrokkene toegezonden.
3.9 Overschrijding van de in art. 4, tweede lid, WAHV voorgeschreven termijn behoort slechts dan tot vernietiging van de inleidende beschikking te leiden als de betrokkene door die overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang, waarvan sprake zal zijn indien de inleidende beschikking de betrokkene eerst bereikt op een zodanig tijdstip dat hij redelijkerwijs niet meer geacht kan worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking heeft, dan wel de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden (HR 10 mei 1994, NJ 1994, 672, VR 1994, 194, HR 6 april 1999, nr. 622-98-V)
3.10 Betrokkene heeft niet aangegeven dat hij door de termijnoverschrijding in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, terwijl van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM geen sprake is. De omstandigheid, dat de inleidende beschikking pas na vijf maanden is bekendgemaakt staat derhalve niet aan de rechtsgeldigheid van die beschikking in de weg.
3.11 Tenslotte heeft de betrokkene aangevoerd, dat de verbalisanten in eerste instantie hebben verklaard, dat zij voor de betrokkene moesten remmen om een aanrijding te voorkomen en pas nadien hebben verklaard, dat zij krachtig voor de betrokkene dienden te remmen. De betrokkene stelt zich dan ook op het standpunt, dat de bewoordingen 'krachtig remmen' de basis vormen voor de vaststelling van de overtreding en dat dit niet correct is.
3.12 Het hof ziet in het voorgaande geen aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen. Immers, ook indien een bestuurder, die linksaf slaat, dit doet op zodanige wijze dat de bestuurder van een hem tegemoetkomend voertuig genoodzaakt is te remmen, hindert eerstgenoemde bestuurder laatstgenoemde bestuurder en heeft eerstgenoemde bestuurder bij het afslaan het tegemoetkomend verkeer niet voor laten gaan als bedoeld in art. 18 lid 1 RVV1990.
3.13 De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het voorgaande, te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 september 2000.