ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0046

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00167
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WAHVArt. 5 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens door rood licht rijden zonder staandehouding bestuurder

Het Gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep van betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een administratieve sanctie ongegrond verklaarde. De sanctie van 180 gulden was opgelegd wegens het niet stoppen voor rood licht op 24 september 1999.

Betrokkene voerde aan dat de verbalisant de bestuurder had moeten staandehouden of contact opnemen, dat de motieven voor het niet staandehouden gemotiveerd moesten worden en dat het tijdsverloop tussen overtreding en beschikking te lang was om hem nog te kunnen aanspreken. Het hof oordeelde dat volgens art. 5 WAHV Pro de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd als de bestuurder niet direct kan worden aangehouden, tenzij er een reële mogelijkheid tot staandehouding was, wat hier niet het geval was.

Verder is het niet verplicht dat de verbalisant vooraf motiveert waarom de bestuurder niet kon worden aangehouden. De termijn van toezending van de beschikking was binnen de wettelijke vier maanden, waardoor het tijdsverloop geen reden tot vernietiging gaf. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie van 180 gulden wegens niet stoppen voor rood licht aan de kentekenhouder.

Uitspraak

WAHV 00/00167
27 september 2000
CJIB 29503151
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Zwolle
van 27 april 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl. 180,-- opgelegd ter zake van 'niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht ', welke gedraging zou zijn verricht op 24 september 1999 op de Kamperstraatweg in de gemeente Kampen.
3.2. De betrokkene heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat:
a. de verbalisant de bestuurder van het motorrijtuig waarmee voormelde gedraging is verricht op het moment van constateren had moeten staandehouden of in de dagen kort na de constatering van de gedraging contact met de betrokkene als kentekenhouder had moeten opnemen;
b. in de aankondiging van de beschikking door de verbalisant dient te worden gemotiveerd waarom de bestuurder van het motorrijtuig op het moment van constateren van de gedraging niet kon worden staandegehouden;
c. de gedraging is verricht op 24 september 1999, dat de inleidende beschikking eerst op 29 oktober 1999 aan hem is toegezonden en dat hij, gelet op het tijdsverloop tussen beide data, redelijkerwijs niet meer kan mededelen wie de gedraging op eerstgenoemde datum heeft verricht.
3.3. Het hof overweegt ten aanzien van onderdeel a als volgt.
3.4. Art. 5 WAHV Pro bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, 1055-98-V).
3.5. Betrokkene bestrijdt niet, dat er, zoals door de verbalisant is aangegeven, ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om hem staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV Pro is derhalve geen sprake.
3.6. Ingeval van toepassing van art. 5 WAHV Pro kan betrokkene noch aan die bepaling noch aan enige andere rechtsregel het recht ontlenen dat hem onverwijld, nadat de gedraging is geconstateerd, wordt medegedeeld dat hem terzake daarvan een administratieve sanctie wordt opgelegd. Gelet hierop is het feit dat de verbalisant de betrokkene terzake niet heeft geïnformeerd geen reden om de inleidende beschikking te vernietigen.
3.7. Het hof overweegt ten aanzien van onderdeel b, dat het standpunt van de betrokkene geen steun vindt in het recht. Dat de verbalisant eerst naderhand in een aanvullend proces-verbaal motiveert, waarom zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de gedraging werd verricht, heeft voorgedaan, leidt derhalve niet tot vernietiging van de inleidende beschikking.
3.8. Ten aanzien van onderdeel c overweegt het hof dat hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd aldus wordt opgevat, dat tussen de bekendmaking van de beschikking en de gedraging teveel tijd is verstreken.
3.9. Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV dient de bekendmaking van de beschikking te geschieden binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden door toezending van die beschikking aan de betrokkene.
Nu de bekendmaking van de inleidende beschikking in casu binnen de termijn van art. 4, tweede lid, WAHV is geschied, kan het tijdsverloop tussen de gedraging en de bekendmaking op zichzelf geen grond opleveren voor vernietiging van de inleidende beschikking (HR 6 april 1999, nr 622-98-V).
3.10. De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het vorenoverwogene, te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2000.