ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0049

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00198
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Vellinga
  • Kalsbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige zekerheidstelling WAHV

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid binnen de wettelijke termijn zoals vereist door art. 11 WAHV Pro.

Het hof beoordeelde dat de mededeling van de officier van justitie over de termijn voor zekerheidstelling onjuist was omdat de termijn werd gerekend vanaf de datum van de brief in plaats van de verzenddatum, wat niet voldeed aan de wettelijke vereisten.

Desondanks oordeelde het hof dat de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang was geschaad door deze onjuiste informatie en dat het niet stellen van zekerheid niet gecompenseerd hoefde te worden met een nieuwe termijn.

Daarom bevestigde het hof het vonnis van de kantonrechter dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

WAHV 00/00198
27 september 2000
CJIB 24401733
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Dordrecht
van 1 maart 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 2 augustus 2000 en een brief van 15 september 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Zowel de brief van 2 augustus 2000 als die van 15 september 2000 vermeldt als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de datum van de dagtekening van de brief in plaats van de datum van verzending. Geen van beide brieven voldoet daardoor aan alle voorschriften, die aan een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, moeten worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is.
3.4. In antwoord op een schrijven van de griffier van het kantongerecht d.d. 19 januari 2000, waarbij betrokkene werd uitgenodigd ter zitting en nogmaals werd gewezen op het verzuim zekerheid te stellen, heeft hij bij brief van 21 januari 2000, binnengekomen ter griffie van het kantongerecht d.d. 25 januari 2000 doen blijken de informatie omtrent de zekerheidstelling te hebben begrepen, maar niet van plan te zijn te voldoen aan de voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter door de wet gestelde voorwaarde, welk standpunt hij bij zijn beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter handhaaft.
3.5. Nu betrokkene blijkens het vorenoverwogene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge artikel 11, derde lid, WAHV aan betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat betrokkene met vernietiging van het vonnis van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Dijkstra, vice-president als voorzitter, Vellinga, vice-president, en Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2000.