ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0067

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
15 november 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00209
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in bestuursstrafzaak wegens onjuiste zekerheidstelling

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een bestuursstrafzaak. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene niet tijdig zekerheid had gesteld voor de betaling van de sanctie.

Het hof beoordeelde dat de mededelingen van de officier van justitie over de zekerheidstelling niet voldeden aan de wettelijke vereisten, zoals het ontbreken van een juiste aanvangsdatum van de termijn en een onjuist rekeningnummer. Hierdoor was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug met de opdracht een nieuwe termijn voor zekerheidstelling te bepalen en de betrokkene hierover correct te informeren. Tevens gaf het hof het OM de aanbeveling om de huurovereenkomst van de betrokkene te onderzoeken alvorens tot inning over te gaan.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar de kantonrechter voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

WAHV 00/00209
15 november 2000
CJIB 23813728
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Haarlem
van 14 juli 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
zetelend te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich drie mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 15 maart 2000, een brief van 21 mei 1999 en een brief van 14 juni 1999 van de officier van justitie aan de betrokkene. De brief van 15 maart 2000 vermeldt als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de datum van de dagtekening van de brief in plaats van de datum van verzending, terwijl in de beide andere brieven geen datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld. Bovendien bevatten de brieven een onjuist nummer van de rekening waarop het bedrag van de zekerheid dient te worden gestort. Naar het hof ambtshalve bekend is dient het bedrag van de zekerheid door in Duitsland wonende of gevestigde betrokkenen immers te worden gestort op het rekeningnummer van het CJIB in Duitsland, te weten Postscheckconto [nummer] Postbank Niederlassung Saarbrücken, Bankleitzahl [nummer] (met vermelding van het CJIB-nummer). De brieven voldoen daardoor niet aan alle voorschriften die aan een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV moeten worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en dat het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.1. en 3.2. overwogene.
3.5. Het hof geeft met het oog op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het openbaar ministerie in overweging alvorens tot inning van de opgelegde sanctie over te gaan te bezien of de door de betrokkene overgelegde huurovereenkomst aanleiding vormt de inleidende beschikking te vernietigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Haarlem ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 november 2000.