ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0073

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00211
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek, mr.
  • Wijma, mr.
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van kantonrechter inzake verkeerssanctie

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Apeldoorn, die op 17 juli 2000 het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zutphen niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, wonende te [woonplaats], heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend, maar de betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om het beroep schriftelijk nader toe te lichten.

De beoordeling van het gerechtshof richt zich op de vraag of de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het hof stelt vast dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een beroepschrift dat bij de officier van justitie is ingediend, binnen zes weken ter kennis moet worden gebracht aan het kantongerecht, nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie. Het hof wijst erop dat de officier van justitie de indiener moet wijzen op de verplichting tot zekerheidstelling en dat deze binnen twee weken na de mededeling moet plaatsvinden.

Het hof concludeert dat de brieven van de officier van justitie aan de betrokkene niet voldoen aan de wettelijke vereisten van artikel 11, derde lid, WAHV. De brieven vermelden niet dat op grond van een wettelijk voorschrift zekerheid moet worden gesteld en geven geen duidelijke aanvangsdatum voor de termijn van zekerheidstelling. Hierdoor is de beslissing van de kantonrechter dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, onjuist. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Apeldoorn voor een nieuwe behandeling, waarbij de kantonrechter een nieuwe termijn moet bepalen voor de zekerheidstelling.

Het arrest is gewezen door mr. Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 november 2000.

Uitspraak

WAHV 00/00211
29 november 2000
CJIB 24984139
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Apeldoorn
van 17 juli 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zutphen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich vier mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 28 september 1999, twee brieven van 4 november 1999 en een brief van 28 februari 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Deze brieven kunnen echter niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. Ten aanzien van de brief van 28 september 1999 geldt onder meer dat daarin niet wordt vermeld dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid moet worden gesteld. Ten aanzien van de overige brieven geldt dat geen datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld. De brieven voldoen daardoor niet aan alle voorschriften die aan een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV moeten worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en dat het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.1. en 3.2. overwogene. Daarbij dient te worden gebruik gemaakt van de bij dit arrest gevoegde in de Duitse taal gestelde brief.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Apeldoorn ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van
mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 november 2000.