ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0078

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 december 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00222
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WVW 1994Art. 12 WAHVArt. 13 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens snelheidsovertreding nabij wegwerkzaamheden

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van ƒ 280 opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid bij wegwerkzaamheden op de N351. Hij erkende de overtreding maar betwistte de strafwaardigheid, met name omdat er volgens hem geen gevaar was en de werkzaamheden in de berm naast het fietspad plaatsvonden.

Het hof overwoog dat het niet vereist is dat er daadwerkelijk werkzaamheden plaatsvinden om een sanctie op te leggen. Ook valt de berm naast het fietspad onder de definitie van de weg zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. De kantonrechter had het beroep van betrokkene ongegrond verklaard, maar het hof stelde vast dat er geen proces-verbaal van de zitting was opgemaakt, wat een wezenlijk vormverzuim inhoudt.

Het gevolg hiervan is nietigheid van het onderzoek ter zitting, waardoor het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigt. Het hof verklaart het beroep echter alsnog ongegrond, waarmee de administratieve sanctie gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de administratieve sanctie gehandhaafd.

Uitspraak

WAHV 00/00222
6 december 2000
CJIB 29582908
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Beetsterzwaag
van 25 juli 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 280,-- opgelegd ter zake van 'overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen bubekom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1); > 20 en t/m 25 km/h ', welke gedraging zou zijn verricht op 23 september 1999 op de N351in de gemeente Ooststellingwerf.
3.2. Betrokkene heeft erkend de gedraging te hebben verricht. Hij plaatst echter kanttekeningen bij de 'strafwaardigheid' van zijn gedrag, met name omdat naar zijn zeggen niemand in gevaar werd gebracht door zijn wijze van rijden, daar er ten tijde van de gedraging niet werd gewerkt en omdat de werkzaamheden plaatsvonden in de berm naast het fietspad en niet langs de hoofdrijbaan. Hij werpt daarbij de vraag op of de berm van het fietspad aan de niet langs de hoofdrijbaan gelegen zijde wel tot de weg behoort.
3.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
3.4. Dat ten tijde van de gedraging niet werd gewerkt, is in strijd met de constateringen van de verbalisant. Maar ook indien ten tijde van de door de betrokkene begane gedraging niet daadwerkelijk werkzaamheden werden verricht, levert dat geen omstandigheid op, die oplegging van een administratieve sanctie niet billijkt of tot een lager bedrag van de sanctie moet leiden.
Voor een gedraging met feitcode S230d is niet vereist dat er ten tijde van de gedraging ook daadwerkelijk werd gewerkt (vergelijk HR 13 april 1999, nr. 547-98-V).
3.5. Ingevolge artikel 1, eerste lid onder b WVW 1994 wordt onder wegen verstaan: 'alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten'. Daartoe behoort derhalve ook de berm naast het fietspad niet liggende aan de zijde van de hoofdrijbaan. Dit zou slechts dan anders zijn, wanneer de feitelijke situatie ter plaatse zodanig zou zijn, dat van het fietspad niet gezegd zou kunnen worden, dat het “tot de weg behoorde waarvan de hoofdrijbaan deel uitmaakt'. Daaromtrent is echter niets concreets gesteld, terwijl het proces-verbaal hieromtrent inhoudt, dat de wegwerkzaamheden plaatsvonden in de berm aan de zuidzijde van de weg.
3.6. De kantonrechter heeft derhalve terecht het beroep ongegrond verklaard.
3.7. Uit het derde lid van art. 13 WAHV Pro moet, in verband met het tweede lid van evengenoemd artikel en met artikel 12 van Pro die wet, worden afgeleid dat van iedere zitting welke krachtens de WAHV wordt gehouden, een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de aldaar afgelegde verklaringen en van hetgeen verder op de zitting is voorgevallen.
Bij de stukken van het geding bevindt zich niet een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit niet is opgemaakt. Dit verzuim heeft betrekking op een wezenlijke vorm van de procedure, zodat het nietigheid van het - blijkens de stukken van het geding gehouden - onderzoek ter zitting meebrengt, ook al wordt in de WAHV dit gevolg daaraan niet uitdrukkelijk verbonden.
3.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat het hof met vernietiging van de bestreden beslissing zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2000.