ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0080

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 december 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00225
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • mr. Vellinga
  • mr. Hiemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van de kantonrechter in verkeersboetezaak

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Groningen, die op 29 juni 2000 het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend, maar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de nadere toelichting van de gemachtigde.

De beoordeling van het gerechtshof richt zich op de vraag of de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het hof stelt vast dat de kantonrechter de wettelijke voorschriften inzake de zekerheidstelling voor de betaling van de sanctie niet correct heeft toegepast. Volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) dient een beroepschrift binnen zes weken na zekerheidstelling te worden ingediend. Het hof concludeert dat de mededelingen van de officier van justitie aan de betrokkene niet voldoen aan de eisen van artikel 11, derde lid, WAHV, omdat de datum van verzending niet correct is vermeld.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Groningen. De kantonrechter dient een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid kan stellen, en moet de betrokkene hierover informeren. Deze uitspraak is gedaan door mr. Vellinga, vice-president, in aanwezigheid van mr. Hiemstra, als griffier, en is uitgesproken op 6 december 2000.

Uitspraak

WAHV 00/00225
6 december 2000
CJIB 28102042
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Groningen
van 29 juni 2000
Betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
[gemachtigde] heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 16 december 1999 en een brief van 4 januari 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene, beide in de Duitse taal. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld telkens de dagtekening van de brief is vermeld in plaats van de datum van verzending.
Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.1. en 3.2. overwogene.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Groningen ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2000.