ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0080
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- mr. Vellinga
- mr. Hiemstra
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van de kantonrechter in verkeersboetezaak
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Groningen, die op 29 juni 2000 het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend, maar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de nadere toelichting van de gemachtigde.
De beoordeling van het gerechtshof richt zich op de vraag of de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het hof stelt vast dat de kantonrechter de wettelijke voorschriften inzake de zekerheidstelling voor de betaling van de sanctie niet correct heeft toegepast. Volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) dient een beroepschrift binnen zes weken na zekerheidstelling te worden ingediend. Het hof concludeert dat de mededelingen van de officier van justitie aan de betrokkene niet voldoen aan de eisen van artikel 11, derde lid, WAHV, omdat de datum van verzending niet correct is vermeld.
Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Groningen. De kantonrechter dient een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid kan stellen, en moet de betrokkene hierover informeren. Deze uitspraak is gedaan door mr. Vellinga, vice-president, in aanwezigheid van mr. Hiemstra, als griffier, en is uitgesproken op 6 december 2000.