ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9824

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/00058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.S. Pruiksma
  • F.J.W. Drion
  • J. Huiskes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt heffing forensenbelasting ondanks contractuele bedingen

Belanghebbende is eigenaar van een recreatiewoning in de gemeente Wymbritseradiel en kreeg een aanslag forensenbelasting opgelegd over het jaar 1999. Hij stelde dat de gemeente door contractuele bedingen in notariële akten afstand had gedaan van haar bevoegdheid deze belasting te heffen. Deze bedingen betroffen een jaarlijkse vergoeding die tevens een afkoop van de forensenbelasting zou inhouden.

Na behandeling van het beroep en het horen van partijen heeft het Gerechtshof vastgesteld dat de aanslag in overeenstemming is met de rechtsgeldig tot stand gekomen Verordening forensenbelasting. Het hof oordeelde dat ondanks de contractuele bepalingen geen bindend derdenbeding tot stand is gekomen dat de gemeente verplicht tot afstand van de belastingheffing.

Ook werd overwogen dat de gemeente wellicht beter had kunnen waarschuwen over de onjuistheid van de afkoopbepalingen, maar dat dit niet leidt tot onzorgvuldig of onrechtmatig handelen. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

De proceskosten werden niet aan een van de partijen toegewezen. Het vonnis werd op 24 januari 2001 uitgesproken door het Gerechtshof Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag forensenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 00/00058
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
U I T S P R A A K
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente
Wymbritseradiel (hierna: de heffingsambtenaar of de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de forensenbelasting voor
het jaar 1999.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De onderwerpelijke aanslag bedraagt ƒ 1.024,-- en is met dagtekening 30 september 1999 aan belanghebbende opgelegd ter zake van de recreatiewoning a-straat 46 te L (hierna: de
recreatiewoning), zulks op grond van de Verordening forensenbelasting 1999 van de gemeente Wymbritseradiel (hierna: de Verordening).
1.2. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend dat op 26 oktober 1999 bij de gemeente is ingekomen.
1.3. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 22 december 1999 de aanslag gehandhaafd.
1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen.
Het beroepschrift is op 31 januari 2000 ter griffie van het Gerechtshof ingekomen. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 22 september 2000 nadere stukken ingediend. Een afschrift van deze brief is aan verweerder gezonden.
Bij brief van brief 18 oktober 2000 heeft verweerder nadere stukken ingezonden aan het Hof met afschrift aan belanghebbende.
1.6. Bij brief van 19 oktober 2000 heeft belanghebbende opnieuw stukken aan het Hof gestuurd (met afschrift aan verweerder).
1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 november 2000 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen en gehoord Mr. A, advocaat, als
gemachtigde van belanghebbende, alsmede Mr. B, advocaat, als gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door de heffingsambtenaar en de heer C, hoofd afdeling Financiën.
Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier
ingelast worden aangemerkt.
Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota een aantal bijlagen overgelegd.
2. Feiten
Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.
2.1. Belanghebbende is eigenaar van de recreatiewoning, welke gelegen is in het Waterpark D te L.
2.2. In de notariële akte van levering van dertig juli 1998 waarbij het betreffende bouwkavel werd geleverd van E B.V. (: E) aan belanghebbende staat onder meer vermeld:
"Iedere koper is verplicht om gedurende tien jaren na oplevering van de verblijfsrecreatieve woning jaarlijks aan de vereniging van eigenaars naast de ledenbijdrage een vergoeding
van vijfhonderd gulden (ƒ 500,_) te betalen ten behoeve van door de gemeente Wymbritseradeel uit te voeren toekomstig nderhoud aan de openbare voorzieningen in of ten behoeve van het plangebied. Genoemde bedragen zullen (...) door de coöperatie worden geïnd en ieder jaar voor één december aan de gemeente worden afgedragen (...). Volgens verklaring van E is in voormeld bedrag de afkoop van forenzenbelasting ten behoeve
van de gemeente begrepen. De forenzenbelasting zal derhalve niet meer door de koper casu quo zijn rechtsopvolgers behoeven te worden voldaan."
2.3. Bij notariële akte van levering van 22 december 1997 had F B.V. (: F) het bouwterrein, waarvan bovengenoemd bouwkavel deel uitmaakt, geleverd aan E. E en F zijn niet aan elkaar
gelieerd. In deze akte staat onder meer vermeld (aangeduid als kettingbeding):
"Iedere verkrijger is verplicht om gedurende tien jaren na oplevering van de verblijfsrecreatieve woning jaarlijks aan de vereniging van eigenaars naast de ledenbijdrage een vergoeding van vijfhonderd gulden (ƒ 500,_) te betalen ten behoeve van door de gemeente Wymbritseradeel uit te voeren toekomstig onderhoud aan de openbare voorzieningen in of ten behoeve van het plangebied. Genoemde bedragen zullen (...) door de coöperatie worden geïnd en ieder jaar voor één december aan de gemeente worden afgedragen (...). Volgens verklaring van F is in voormeld bedrag de afkoop van forenzenbelasting ten behoeve van de gemeente begrepen. De forenzenbelasting zal derhalve niet meer door E casu quo haar rechtsopvolgers behoeven te worden voldaan."
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende
vragen:
a. heeft de gemeente contractueel afstand gedaan jegens belanghebbende van haar bevoegdheid forensenbelasting te heffen?
b. heeft de gemeente onzorgvuldig dan wel in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld door de onderhavige aanslag forensenbelasting op te leggen?
Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nadere argumenten toegevoegd.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de aanslag.
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.
4. Overwegingen omtrent het geschil
4.1. Door belanghebbende wordt niet betwist dat de aanslag in overeenstemming met de rechtsgeldig tot stand gekomen Verordening is opgelegd.
4.2. Uit hetgeen door belanghebbende is aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet worden geconcludeerd dat de gemeente contractueel afstand heeft gedaan jegens belanghebbende van haar bevoegdheid forensenbelasting te heffen (zo dit al mogelijk zou zijn). Daaraan doet niet af dat de gemeente zeker niet altijd duidelijk is geweest met betrekking tot de forensenbelasting (zie bijvoorbeeld de aan de pleitnota van belanghebbende gehechte brieven van de gemeente van 11 december en 13 december 1996).
4.3. Naar 's Hofs oordeel kan ook niet gezegd worden dat de gemeente onzorgvuldig dan wel in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de onderhavige aanslag
forensenbelasting op te leggen. Weliswaar was het beter geweest als de gemeente het haar bij brief van de notaris van 28 januari 1998 toegezonden model van de akte van levering
tussen E en de uiteindelijke kopers had bestudeerd en gewaarschuwd zou hebben dat de passage, zoals hierboven weergegeven onder 2.2, inzake de afkoop van de forensenbelasting niet juist was. Nu dat niet is gebeurd, is daarmee, naar 's Hofs oordeel, nog niet een de gemeente bindend derdenbeding inzake afzien van het heffen van de forensenbelasting tot stand gekomen en gaat het voor het Hof toch te ver om de gemeente op grond van de beginselen van
behoorlijk bestuur in het ongelijk te stellen. Ook anderszins ziet het Hof hiervoor geen reden.
4.4. Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als volgt.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 24 januari 2001 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter,
mr. F.J.W. Drion en mr. J. Huiskes, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. K. de Jong-Braaksma, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 7 februari 2001