ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9825

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
404/00
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j AWRArt. 26, eerste lid AWRArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inkomstenbelasting 1997

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting over 1997. De inspecteur had op 23 februari 2000 uitspraak gedaan op het bezwaar, maar het beroepschrift van belanghebbende werd pas op 15 mei 2000 ontvangen, buiten de zeswekentermijn. Daarom verklaarde de voorzitter van de belastingkamer het beroep niet-ontvankelijk.

Belanghebbende kwam hiertegen in verzet en stelde dat hij pas via een brief van de inspecteur van 19 april 2000 kennis had genomen van de uitspraak. De inspecteur stelde dat belanghebbende uit eerdere brieven op de hoogte had kunnen zijn van het tijdstip van de uitspraak, maar het hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de uitspraak tijdig was verzonden of ontvangen.

Het hof overwoog dat de inspecteur het risico draagt van niet of niet tijdig ontvangen van de uitspraak, omdat deze niet aangetekend was verzonden. Er is geen rechtsregel die van belanghebbende verlangt zelf informatie over de uitspraak in te winnen. Daarom is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 Awb Pro, waardoor belanghebbende niet in verzuim was.

Het hof verklaarde het verzet gegrond en herstelde daarmee de ontvankelijkheid van het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 1997. De uitspraak werd gedaan op 2 februari 2001 door mr Drion namens het Gerechtshof Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt gegrond verklaard en het beroep wordt ontvankelijk gesteld.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
UITSPRAAK
Nr. 404/00 2 februari 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op
het verzet gedaan door X te Z tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer
van 26 mei 2000.
De voorzitter heeft bij voormelde beschikking uitspraak gedaan op het door
belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid
ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het
bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting
over het jaar 1997.
Ingevolge de artikelen 22j _in voormelde beschikking d.d. 26 mei 2000 is abusievelijk
vermeld artikel 22a_ en 26, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto de
artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan hij die bezwaar heeft tegen een uitspraak van de inspecteur binnen zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij de rechter tot wiens rechtsgebied de standplaats van de inspecteur behoort.
De uitspraak van de inspecteur is gedagtekend 23 februari 2000 en het beroepschrift is ter griffie van het hof binnengekomen op 15 mei 2000, derhalve niet binnen zes weken na dagtekening uitspraak.
De voorzitter heeft om die reden bij voormelde beschikking het beroep van belanghebbende niet_ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beschikking is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift (met bijlagen) dat door hem is ingediend op 30 juni 2000.
Nadat de inspecteur een verweerschrift heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het verzet plaatsgevonden ter zitting van 14 december 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, belanghebbende zelve alsmede zijn echtgenote, en de inspecteur, vergezeld door een medewerker van zijn inspectie.
De gemachtigde van belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat hij pas door de toezending bij de brief van de inspecteur d.d. 19 april 2000 kennis heeft genomen van de uitspraak op het tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag ingediende bezwaarschrift.
De inspecteur stelt dat belanghebbende bij brief d.d. 26 januari 2000 het voornemen om het bezwaar af te wijzen is meegedeeld en dat een toelichting of aanvulling van het bezwaar binnen twee weken diende te geschieden.
Daarnaast is bij brief d.d. 4 april 2000 het uitstel van betaling van de aanslag ingetrokken als gevolg van de afwijzing van het bezwaar. De inspecteur is van mening dat belanghebbende uit deze brief had kunnen afleiden dat uitspraak op het bezwaar inmiddels was geschied.
Het hof acht niet uitgesloten dat bij de verwerking van de door de inspecteur met dagtekening 23 februari 2000 gedane uitspraak een abuis is opgetreden en dat een afschrift van de uitspraak de gemachtigde van belanghebbende niet eerder heeft bereikt dan als
bijlage van de brief van 19 april 2000. De door de inspecteur gestelde verzending op of kort na 23 februari 2000 heeft niet aangetekend plaatsgevonden.
Ook van een andere registratie van uitgaande post van de inspecteur waaruit de juistheid van het standpunt van de inspecteur zou kunnen worden afgeleid is niet gebleken. Nu de inspecteur er niet voor heeft gekozen de uitspraak op het bezwaar per aangetekende post aan belanghebbende te versturen dient het risico van het niet, dan wel niet tijdig ontvang en van dit stuk door belanghebbende, te komen voor rekening van de inspecteur.
Aan de stelling van de inspecteur dat de gemachtigde uit zijn brief d.d. 26 januari 2000 alsook uit de brief d.d. 4 april 2000 de wetenschap had _van het vermoedelijke tijdstip_ van verzending van de uitspraak gaat het hof voorbij. Er is immers geen rechtsregel op grond waarvan van belanghebbende kan worden gevergd dat hij uit eigen beweging informatie omtrent de uitspraak gaat inwinnen.
Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof sprake is van een situatie als omschreven in art. 6:11, in die zin dat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Op grond van het voren overwogene dient te worden beslist als volgt:
Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet gegrond.
Gedaan op 2 februari 2001 door mr Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2001 te Leeuwarden door mr Drion, raadsheer.
Op 7 februari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.