ECLI:NL:GHLEE:2001:AB0418
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.S. Pruiksma
- F.J.W. Drion
- H.H.A. Fransen
- Rechtspraak.nl
Vermindering legesheffing voor ontgrondingsvergunning na formele vernietiging uitspraak
Belanghebbende, gebruiker van een perceel landbouwgrond met een niet meer als waterkering gebruikte dijk, verzocht om een ontgrondingsvergunning voor het verwijderen en egaliseren van het dijklichaam. De provincie Groningen weigerde de vergunning en bracht leges in rekening. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de leges, waarna Gedeputeerde Staten (GS) het bezwaar ongegrond verklaarden maar het legesbedrag ambtshalve verlaagden naar het tarief van 1996.
Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Leeuwarden. Het geschil betrof onder meer de wettelijke basis voor legesheffing, de rechtmatigheid van leges bij weigering van een vergunning, willekeur in toepassing van het vergunningvereiste, en de rechtmatigheid van de tariefprogressie. Het hof overwoog dat de legesheffing gebaseerd is op een goedgekeurde provinciale verordening en dat het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare feit vormt.
Verder oordeelde het hof dat het provinciebestuur niet willekeurig heeft gehandeld bij het opnemen van vrijstellingen in de Ontgrondingenverordening en dat de tariefdifferentiatie niet onrechtmatig is. De klacht over het niet toepassen van de hardheidsclausule kon niet leiden tot vermindering van de leges. Het beroep werd inhoudelijk ongegrond verklaard, maar het hof vernietigde de uitspraak omdat het legestarief correct moest worden toegepast volgens het jaar van indiening van de aanvraag. GS werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De uitspraak wordt vernietigd en het geheven legesbedrag verminderd tot het tarief van 1996 met vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.