ECLI:NL:GHLEE:2001:AB2393
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Fransen
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring in beroep waterschapsbelasting
Belanghebbende was niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de aanslagen waterschapsbelasting 1997 en 1998 omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de uitspraak van de ambtenaar was ingediend.
Tijdens de mondelinge behandeling op 23 mei 2001 verscheen belanghebbende, maar niemand namens het waterschap. Het hof constateerde dat het beroepschrift van belanghebbende op 30 oktober 2000 was gedagtekend en op 1 november 2000 bij het hof was ontvangen, wat buiten de termijn viel.
Belanghebbende stelde echter dat het waterschap namens hem tijdig beroep had aangetekend via een faxbericht op 3 oktober 2000, maar het hof kon dit faxbericht niet aantreffen. Het hof kwalificeerde daarom de brief van 30 oktober 2000 als het beroepschrift.
Het hof oordeelde dat het verzuim niet aan belanghebbende kon worden toegerekend omdat hij erop mocht vertrouwen dat het waterschap tijdig beroep zou instellen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bleef een niet-ontvankelijkverklaring achterwege. Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring werd daarom gegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt gegrond verklaard en het beroep wordt ontvankelijk verklaard.