ECLI:NL:GHLEE:2001:AD6289

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01-00256
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 11 WAHVWet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenArt. 14, vijfde lid, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen verkeersboete onder WAHV

Betrokkene was in beroep gegaan tegen een verkeersboete opgelegd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en betrokkene stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Leeuwarden.

De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij de vraag was of het beroep openstond tegen een sanctie van ƒ60,--, aangezien art. 14 WAHV Pro hoger beroep slechts toestaat bij sancties boven ƒ150,--. Betrokkene voerde aan dat het beroep reeds op 19 juli 1999 was ingesteld, vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging, en dat daarom het oude recht van toepassing zou zijn.

Het hof oordeelde dat bepalend is de datum van de beslissing van de kantonrechter, die na de wetswijziging lag, waardoor het nieuwe regime van toepassing is. Het beroep was daarom niet ontvankelijk. Daarnaast verwierp het hof het inhoudelijke verweer van betrokkene omtrent de snelheid en de flitseractivatie, omdat dit niet tot een uitzondering op het wettelijke regime leidt. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens een sanctie van minder dan ƒ150,--.

Uitspraak

WAHV 01/00256
25 juli 2001
CJIB 26739970
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Haarlem
van 19 april 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
3. Beoordeling
3.1. Op 1 januari 2000 is in werking getreden de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna te noemen: de Wet), strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (Stb. nr. 469). Vanaf voormelde datum kan ingevolge artikel 14, eerste lid, WAHV tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV.
3.2. De overgangsbepaling bij de Wet luidt - voor zover hier van belang -:
"Artikel III
1. Voor de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van de kantonrechter die voor of op de dag van inwerkingtreding van deze wet is gedaan, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
2. Voor de behandeling van het beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is
ingesteld, dan wel met toepassing van het eerste lid na de dag van inwerkingtreding is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van toepassing."
3.3. De betrokkene voert in zijn nadere toelichting op het beroep aan dat hij reeds op 19 juli 1999 in beroep is gegaan bij de kantonrechter en dat het beroep daarom ontvankelijk is.
3.4. Ingevolge het onder 3.1 en 3.2 overwogene is niet de dag van in beroep gaan bij de kantonrechter, maar de dag van de beslissing van de kantonrechter het tijdstip dat bepalend is of voor de betrokkene cassatie of beroep bij het hof in Leeuwarden open staat. Nu de beslissing van de kantonrechter is genomen na de dag van inwerkingtreding van de Wet is in het onderhavige geval de WAHV van toepassing zoals deze geldt vanaf 1 januari 2000.
3.5. Blijkens de initiële beschikking bedraagt de aan de betrokkene opgelegde sanctie ƒ 60,--. Daar ingevolge art. 14 WAHV Pro - voor zover hier van belang - alleen hoger beroep openstaat , indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, staat voor betrokkene geen hoger beroep open.
3.6. De betrokkene stelt in zijn beroepschrift dat hij niet te hard heeft gereden. Hij voert aan dat de flitser door een medeweggebruiker geactiveerd zou zijn. Hij beroept zich in zijn nadere toelichting op het beroep op een uitspraak van de kantonrechter in een zaak die vergelijkbaar zou zijn met de onderhavige, die hij heeft aangehaald uit de Telegraaf van 31 augustus 1999, waarin de kantonrechter de administratieve sanctie zou hebben vernietigd, omdat de omgeving erg donker en onduidelijk zou zijn geweest, alhoewel de auto van de bekeurde goed te zien zou zijn geweest op de foto.
3.7. Voor zover de betrokkene daarmee betoogt, dat op grond van het door hem gestelde een uitzondering dient te worden gemaakt op het onder 3.1. weergegeven beginsel, geldt het volgende. In zijn arrest van 14 juni 2000, gepubliceerd in VR 2000/161, heeft het hof overwogen dat art. 14, eerste lid, WAHV, waarin het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan f 150,-- is uitgesloten, niet in strijd is met art. 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en art. 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hetgeen de betrokkene thans aanvoert maakt dat niet anders.
3.8. Op grond van bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr Huisman, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.