ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8705

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01/00407
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Huisman
  • Van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 SvArt. 2 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor gedeeltelijk gebruik verdrijvingsvlak als bestuurder

Betrokkene werd door de officier van justitie een administratieve sanctie van 240 gulden opgelegd wegens het als bestuurder gebruiken van een verdrijvingsvlak op 15 april 1999 op een verbindingsweg in Breda. Tegen deze sanctie stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde betrokkene hoger beroep in bij het gerechtshof Leeuwarden.

Betrokkene voerde aan dat hem geen cautie was gegeven, terwijl dit volgens internationaal recht verplicht zou zijn. Het hof oordeelde dat de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) geen verplichting tot het geven van een zwijgrecht bevat en dat ook internationaal recht dit niet voorschrijft. Verder betwijfelde betrokkene de nauwkeurigheid van de waarnemingen van de verbalisanten en stelde hij dat videobeelden als bewijs waren vernietigd.

Het hof stelde vast dat betrokkene bij de staandehouding en in het beroepschrift zelf had erkend het verdrijvingsvlak gedeeltelijk te hebben gebruikt. Dit was voldoende bewijs voor het hof om de overtreding vast te stellen. De bezwaren over de wijze van waarneming en het ontbreken van videobewijs konden hieraan niet afdoen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om een kostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van 240 gulden voor het gedeeltelijk gebruik van het verdrijvingsvlak en wijst het verzoek om kostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 01/00407
21 november 2001
CJIB 26527936
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Breda
van 19 juli 2000
betreffende
J[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift is verzocht om een kostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 240,- opgelegd ter zake van "als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 15 april 1999 op de Rijksweg A-58-Rijksweg A-16 verbindingsweg in de gemeente Breda.
3.2. De betrokkene voert aan, dat noch door de officier van justitie, noch door de verbalisant de cautie is gegeven, terwijl dit op grond van internationaal recht naar zijn zeggen wel zou moeten.
3.3. Het hof overweegt hieromtrent, dat de verbalisant niet gehouden was om te wijzen op het zwijgrecht van de betrokkene. De Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften kent niet een met art. 29 van Pro het Wetboek van Strafvordering(Sv) overeenkomende bepaling, terwijl art. 29 Sv Pro ingevolge het bepaalde in de laatste volzin van art. 2, eerste lid, WAHV hier toepassing mist. Ook op grond van het internationaal recht bestaat geen verplichting te wijzen op een zwijgrecht.
3.4. De betrokkene voert voorts aan, dat hij betwijfelt of de verbalisanten voordat zij met de controle begonnen aan de hand van hectometerpaaltjes vrij nauwkeurig hebben vastgesteld vanaf welke plaats het verdrijvingsvlak de volle breedte had, dat het zeer ongebruikelijk en onprofessioneel is om als gekwalificeerde verkeersspecialisten met videoapparatuur een specifieke verkeerscontrole te houden, terwijl de verbalisanten zich zodanig hebben opgesteld dat er geen zicht is op het weggedeelte waar gecontroleerd wordt, dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het gegeven dat de rijstrook met de daarnaast gelegen vluchtstrook samen ongeveer 6.50 meter breed zijn en dat twee personenauto's samen ongeveer 3.30 meter breed zijn, waardoor de betrokkene naast een andere auto heeft kunnen rijden zonder gebruik te hebben hoeven maken van het verdrijvingsvlak, dat het enige technische bewijs, te weten videobeelden waarop te zien was dat de betrokkene zich uiterst rechts op de weg bevond, vernietigd is.
3.5. Nu het surveillancerapport inhoudt, zakelijk weergegeven, dat de betrokkene bij de staandehouding heeft verklaard dat hij gedeeltelijk het verdrijvingsvlak heeft gebruikt en dit ook overeenkomt met hetgeen hij in zijn beroepschrift bij de officier van justitie aanvoert, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Hetgeen de betrokkene aanvoert met betrekking tot de wijze van waarneming door de verbalisanten en de mogelijkheid dat het voertuig van de betrokkene naast een ander voertuig heeft kunnen rijden zonder dat gebruik gemaakt hoefde te worden van het verdrijvingsvlak kan hieraan niet afdoen, omdat de betrokkene zowel bij staandehouding als in zijn beroepschrift bij de officier van justitie in essentie de waarneming van de verbalisanten bevestigt. Het feit dat de betrokkene niet het gehele verdrijvingsvlak heeft gebruikt kan ook niet tot een ander oordeel leiden, omdat ook het gedeeltelijk gebruiken van het verdrijvingsvlak al voormelde gedraging oplevert.
3.6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
3.7. Nu de betrokkene in het ongelijk is gesteld, zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst af het verzoek om een kostenvergoeding.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.