In artikel 3 lid 1 Faillissementswet (hierna Fw) is bepaald dat de griffier de schuldenaar - nadat een verzoek tot faillietverklaring van de schuldenaar is ingediend en de schuldenaar nog geen verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling - terstond bij brief kennis geeft dat de schuldenaar binnen een verzoekschrift tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen.
Indien de schuldenaar hieraan geen gevolg heeft gegeven kan - overeenkomstig het bepaalde in artikel 15b Fw - een daaropvolgend uitgesproken faillissement totdat de verificatievergadering is gehouden, worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indien - voorzover hier van gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend binnen de termijn bedoeld in artikel lid 1 Fw.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de situatie zoals omschreven in artikel 15b Fw zich niet voordoet, zodat het verzoek van X. diens faillissement op te heffen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, dient te worden afgewezen.
X. komt hiertegen op, zonder een expliciet geformuleerde grief aan te voeren, en stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet heeft ingediend binnen de in artikel 3 Fw gestelde termijn nu hij deze termijn heeft laten verstrijken omdat er reëel uitzicht bestond dat hij met de aanvragers van zijn faillissement tot een minnelijke betalingsregeling zou komen.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken: Bij verzoekschrift d.d. 27 november 1998 heeft de besloten vennootschap (te noemen GNK) GNK verzocht X. in staat van faillissement te verklaren. X. is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 1 Fw bij brief van 14 december 1998 van de rechtbank gewezen op de mogelijkheid een verzoekschrift tot toepassing van de van de schuldsaneringsregeling in te dienen. X. heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De behandeling van het op 27 november 1998 ingediende faillissementsverzoek is vervolgens herhaaldelijk aangehouden teneinde P in de gelegenheid te stellen een minnelijke betalingsregeling te treffen met de aanvragers van de faillissement. Bij vonnis van 4 maart 1999 is X. in staat van faillissement verklaard. X. is bij de behandelingen van het faillissement verklaard. X. is bij de behandelingen van het faillissement - de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
X. heeft erkend dat hij tijdens de aanvraagtermijn van faillissement uitdrukkelijk is gewezen op de mogelijkheid een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen en dat hij van deze mogelijkheid welbewust geen gebruik heeft gemaakt.
Hoewel X. heeft aangegeven zich te hebben gericht op het tot stand brengen van een betalingsregeling met zijn crediteuren, heeft hij ter zitting dienaangaande verklaard dat hij door persoonlijke omstandigheden - zijn moeder bleek ernstig ziek te zijn - (het overleg omtrent) het tot stand brengen van een betalingsregeling met zijn crediteuren althans met de aanvragers van het faillissement heeft laten "lopen" waardoor uiteindelijk op 4 maart 1999 zijn faillissement is uitgesproken.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het X. kan worden aangerekend dat hij niet binnen de in artikel 3 lid 1 Fw gestelde termijn dan wel op een ander moment tijdens de behandeling van het faillissementverzoek - zijnde de periode vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoek te weten 27 november 1998 tot de datum van het uitspreken van het faillissement te weten 4 maart 1999 - een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
De omstandigheid dat X. ten tijde van de ontvangst van de brief van de rechtbank en bij de behandeling van het faillissementsverzoek geen juridische bijstand had, brengt het hof niet tot een ander oordeel nu X. - zoals hij ter zitting heeft verklaard - korte tijd na de ontvangst van de brief rechtbank bij zowel een accountantskantoor als een advocatenkantoor advies heeft ingewonnen omtrent de schuldsaneringsregeling.
Het hof heeft bij zijn beslissing voorts in aanmerking genomen dat X. hoewel hij - zoals hij ter zitting heeft aangegeven - enige tijd na het uitspreken van het faillissement rechtsbijstand heeft verkregen, een periode van 19 maanden heeft laten verstrijken alvorens alsnog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. De omstandigheid dat X. in deze periode vergeefs heeft getracht gelden voor een sanering van zijn schulden te verkrijgen rechtvaardigt deze zeer late indiening niet.
Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.
De beslissing