ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0100

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 januari 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00/00368
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring in bestuursstrafzaak

Het gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Meppel, die het beroep van betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van een sanctie.

Volgens art. 11 WAHV Pro moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift duidelijk informeren over de verplichting tot zekerheidstelling, het bedrag daarvan, de wijze en termijn van betaling, en de gevolgen van het uitblijven van tijdige zekerheidstelling. De brieven van de officier van justitie aan betrokkene voldeden niet aan deze vereisten, met name ontbrak een duidelijke aanvangsdatum van de termijn.

Daarom oordeelt het hof dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht is en vernietigt het de beslissing van de kantonrechter. De zaak wordt terugverwezen zodat de kantonrechter een nieuwe termijn kan bepalen voor zekerheidstelling en betrokkene correct kan informeren, waarna de zaak opnieuw kan worden behandeld.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor correcte afhandeling.

Uitspraak

WAHV 00/00368
24 januari 2001
CJIB 30898825
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Meppel
van 25 september 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Assen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededaling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 29 augustus 2000 en een brief van 12 september 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, onder meer omdat noch in de brief van 29 augustus 2000 noch in de brief van 12 september 2000 een datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.1 en 3.2 overwogene.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Meppel ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2001.