ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0109
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- mr. Vellinga
- mr. Hiemstra
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beschikking kantonrechter inzake niet-ontvankelijkheid verzet
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter te Utrecht, die op 25 juli 2000 het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een kennisgeving van verhaal niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, wonende te [woonplaats], heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend en de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De beoordeling van het gerechtshof is gebaseerd op artikel 27, zesde lid, in samenhang met artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Het hof stelt vast dat de betrokkene slechts ontvankelijk kan zijn in het hoger beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het verschuldigde bedrag en betaling van het griffierecht. De griffier van het kantongerecht heeft de betrokkene in een brief van 22 augustus 2000 in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen, maar uit een latere brief blijkt dat dit niet is gebeurd binnen de gestelde termijn.
Daarom concludeert het hof dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. De reactie van de betrokkene op het verweerschrift is te laat ingediend en kan derhalve niet in de beoordeling worden meegenomen. De beslissing van het gerechtshof is op 21 februari 2001 uitgesproken door mr. Vellinga, vice-president, in aanwezigheid van mr. Hiemstra als griffier.