ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0144

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00274
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 11, derde lid, WAHVArt. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep tegen administratieve sanctie snelheidsovertreding

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van ƒ60 opgelegd voor het overschrijden van de maximumsnelheid op de Rijksweg A2 in 's-Hertogenbosch op 30 mei 1998. Tegen deze sanctie werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, die het beroep ongegrond verklaarde. Betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof Leeuwarden.

Per 1 januari 2000 trad een wetswijziging in werking die het mogelijk maakt om hoger beroep in te stellen tegen beslissingen van het kantongerecht in verkeerszaken, mits de sanctie meer bedraagt dan ƒ150. Omdat de sanctie van betrokkene lager was dan deze grens, is hoger beroep niet toegestaan. Betrokkene voerde aan dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van deze wijziging en dat deze niet retroactief toegepast mocht worden, mede omdat de Hoge Raad al eerder arrest had gewezen in deze zaak.

Het hof oordeelde dat artikel 14, eerste lid, WAHV niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro en dat de wetswijziging ook geldt voor lopende procedures. Noch het eerdere arrest van de Hoge Raad, noch het ontbreken van kennisgeving aan betrokkene, leidt tot een uitzondering. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd die een schending van het recht op een eerlijk proces opleveren. Daarom verklaart het hof betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep vanwege de appelgrens van ƒ150 in de WAHV.

Uitspraak

WAHV 00/00274
18 april 2001
CJIB 21888863
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch
van 14 juni 2000
betreffende
[naam] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),
zetelend te [plaatsnaam],
voor wie als gemachtigde optreedt [naam gemachtigde], wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
[Gemachtigde] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[Gemachtigde] heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 60,= opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); t/m 10 km per uur“, welke gedraging zou zijn verricht op 30 mei 1998 op de Rijksweg A2, Oostbaan, in de gemeente '‘s-Hertogenbosch.
3.2. Op 1 januari 2000 is in werking getreden de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna te noemen: de Wet), strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (Stb. nr. 469).
3.3. Vanaf voormelde datum kan ingevolge artikel 14 , eerste lid, WAHV tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden, op de in dat artikel vermelde gronden.
3.4. Op grond van eerdergenoemd artikel kan echter alleen dan hoger beroep worden ingesteld wanneer de sanctie meer bedraagt dan ƒ 150,=, of in de in de betrokkene met toepassing van het bepaalde in artikel 11, derde lid, WAHV, niet –ontvankelijk is verklaard. De wet voorziet derhalve niet in hoger beroep van de onderhavige uitspraak van de kantonrechter.
3.5. De betrokkene stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat er inmiddels een wijziging van de appelgrens heeft plaatsgevonden. Betrokkene is van mening dat hij van voornoemde wijziging op de hoogte had dienen te worden gesteld door de verantwoordelijken, zodat hij zo nodig tijdige maatregelen had kunnen treffen. Zijns inziens kan een dergelijke wijziging niet van toepassing zijn op een eenmaal lopende procedure, zeker niet nadat de Hoge Raad in een eerder stadium arrest heeft gewezen in de onderhavige zaak.
3.6. Te dezen dient te worden vooropgesteld, dat art. 14, eerste lid, WAHV, welk artikel het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een administratieve sanctie is opgelegd van niet meer dan ƒ 150,=, uitsluit, niet strijdig is met art. 6 EVRM Pro (Hof Leeuwarden, 14 juni 2000, VR 2000, 161). Dat wordt in zijn algemeenheid niet anders ten aanzien van gevallen (zoals dat van betrokkene), waarin het bij de kantonrechter ingestelde beroep nog aanhangig was op het moment van inwerkingtreding van de onder 3.3 genoemde Wet.
3.7. Het laatste kan onder omstandigheden anders zijn. Noch de omstandigheid dat de Hoge Raad reeds in een eerder stadium arrest heeft gewezen in de onderhavige zaak, noch de omstandigheid dat de betrokkenen niet voor 1 januari 2000 op de onderhavige wijziging van de wet is gewezen, levert echter een dergelijke omstandigheid op. Van de zijde van de betrokkene zijn overigens geen omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel zouden moeten leiden dat in de onderhavige zaak niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 14, eerste lid, WAHV leidt tot schending van het bepaalde in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier.