ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0145

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00285
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Kalsbeek
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 9 WAHVArt. 10 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in administratief beroep verkeersboete

De betrokkene was door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De kantonrechter baseerde deze niet-ontvankelijkverklaring op het feit dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend.

Het hof stelde vast dat op 27 december 1999 een schrijven van de betrokkene bij de officier van justitie was binnengekomen, waarin zij bezwaar maakte tegen de opgelegde sanctie. Dit was binnen de beroepstermijn, die begon op 17 november 1999 na verzending van de beslissing op 16 november 1999. Daarmee was het beroep tijdig ingesteld.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte de betrokkene niet-ontvankelijk had verklaard. Het beroepschrift had volgens artikel 10 WAHV Pro door de officier van justitie aan het bevoegde kantongerecht moeten worden doorgezonden. Het arrest vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing op het bestaande beroep.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de kantonrechter voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

WAHV 00/00285
18 april 2001
CJIB 27525063
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Eindhoven
van 6 juni 2000
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft, op verzoek van het hof, nadere stukken ingediend.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven naar aanleiding van de door de betrokkene ingediende nadere stukken, en daarbij een kopie van een door het arrondissementsparket te ’s-Hertogenbosch op 27 december 1999 van de betrokkene ontvangen beroepschrift gevoegd.
3. Beoordeling
3.1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep, omdat het beroepschrift niet binnen de termijn, welke afliep op 28 december 1999, op het parket van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch is ingekomen.
3.2. Ingevolge het in art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:7 en Pro 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij het kantongerecht te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.
3.3. Uit het thans voorliggende dossier blijkt, voor zover van belang, het volgende.
- bij beslissing van 5 november 1999 heeft de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard;
- de kennisgeving, inhoudende de beslissing van de officier van justitie, is op 16 november 1999 aan de betrokkene verzonden;
- op 27 december 1999 is bij de officier van justitie ingekomen een ongedateerd schrijven van de betrokkene, inhoudende dat zij bezwaar maakt tegen de haar opgelegde administratieve sanctie;
- bij brief van 27 december 1999 heeft de officier van justitie de betrokkene aangeschreven dat zij beroep heeft ingesteld tegen een beschikking en de betrokkene verzocht binnen 14 dagen een afschrift over te leggen van de beschikking, waarop het beroep betrekking heeft;
- bij brief van 4 januari 2000, met als kenmerk “2e beroep”, heeft de officier van justitie de betrokkene de brief (het hof verstaat: de brief, ingekomen op 27 december 1999) retour gezonden, met als toelichting dat deze niet als tweede beroep aangemerkt kan worden, dat indien zulks wel het geval is de beroepsgronden dienen te worden vermeld en dat dat laatste zo spoedig mogelijk dient te gebeuren in verband met de termijn van zes weken;
- bij brief van 5 februari 2000, ingekomen bij de officier van justitie d.d. 8 februari 2000, heeft de betrokkene onder vermelding van de gronden de beslissing van de officier van justitie aangevochten.
3.4. Gelet op de omstandigheid, dat binnen de beroepstermijn, te weten op 27 december 1999, een schrijven van de betrokkene is binnengekomen bij de officier van justitie, inhoudende een beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 16 november 1999, is het hof van oordeel dat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie en mitsdien in haar beroep kan worden ontvangen. Op de voet van het bepaalde in artikel 10 WAHV Pro had de officier van justitie dat beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis behoren te brengen van het volgens dat artikel bevoegde kantongerecht.
3.5. Gelet op het hiervoor sub 3.4. overwogene heeft de kantonrechter de betrokkene derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
3.6. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd. Na terugwijzing dient de kantonrechter de zaak op het bestaande beroep verder te behandelen en af te doen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Eindhoven ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, vice-president, als voorzitter, Kalsbeek, raadsheer en Huisman, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra, als griffier.