ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0147

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00432
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Kalsbeek
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens onvolledige zekerheidstelling WAHV

Het Gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep van betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter te Amersfoort die het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk had verklaard. Eerder had de Hoge Raad de zaak terugverwezen naar de kantonrechter met instructies over de mededeling en termijn voor zekerheidstelling.

De kantonrechter had een brief van de griffier aan betrokkene gestuurd waarin werd uitgelegd hoe de zekerheid moest worden gesteld, maar deze brief voldeed niet volledig aan de wettelijke eisen omdat essentiële gegevens, zoals het rekeningnummer voor storting, ontbraken. Betrokkene gaf aan de informatie te begrijpen maar weigerde zekerheid te stellen.

Het hof oordeelde dat de onvolledigheid van de mededeling niet leidde tot een schending van een rechtens te respecteren belang van betrokkene en dat daarom geen nieuwe termijn voor zekerheidstelling hoefde te worden gesteld. Het hof bevestigde het vonnis van de kantonrechter dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het niet voldoen aan de zekerheidstelling onder artikel 11 WAHV.

Uitspraak

WAHV 00/00432
18 april 2001
CJIB 18291669
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Amersfoort
van 16 november 2000
betreffende
[naam (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Bij arrest van 14 maart 2000 heeft de Hoge Raad der Nederlanden de zaak teruggewezen naar het kantongerecht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dat arrest. In het arrest is overwogen - kort samengevat-, dat de brieven van de officier van justitie aan de betrokkene, houdende mededeling van de ver-plichting om zekerheid te stellen, niet kunnen worden aangemerkt als mededelingen als bedoeld in artikel 11, derde lid WAHV. Voorts is overwogen, dat de kantonrechter een nieuwe termijn dient te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro kan stellen en dat daarvan door de griffier van het kantongerecht aan de betrokkene mededeling moet worden gedaan met inachtneming van het in het arrest van de Hoge Raad onder 3.5 overwogene.
3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van de griffier van het kantongerecht aan de betrokkene d.d. 28 maart 2000. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, omtrent de wijze waarop de zekerheid dient te worden gesteld, dat de zekerheidstelling dient te geschieden bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden en dat gebruik gemaakt kan worden van de acceptgiro welke de betrokkene door het Centraal Justitieel Incassobureau is toegezonden. Aangezien geen nadere gegevens omtrent het rekeningnummer, waarop de storting dient plaats te vinden, zijn vermeld, voldoet de brief in zoverre niet aan alle voorschriften, die aan een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, moeten worden gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is.
3.3. In zijn brief, d.d. 28 april 2000 bij het kantongerecht binnengekomen, heeft betrokkene doen blijken de informatie omtrent de zekerheidstelling te hebben begrepen, maar niet van plan te zijn te voldoen aan de voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter door de wet gestelde voorwaarde.
3.4. Nu betrokkene blijkens het vorenoverwogene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge artikel 11, derde lid, WAHV aan betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de wijze waarop zekerheid dient te worden gesteld, onvolledig is, vergt die enkele omstandigheid niet dat betrokkene met vernietiging van het vonnis van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.
3.5. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra, als griffier.