ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0159

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00219
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek
  • Vellinga
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter inzake administratieve sanctie verkeersvoorschriften

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Amsterdam van 1 mei 2000, waarbij het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond werd verklaard. De betrokkene, vertegenwoordigd door een gemachtigde, heeft hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De gemachtigde heeft verzocht om een behandeling ter zitting, waarop de advocaat-generaal een verweerschrift heeft ingediend. De zaak is meerdere keren aangehouden, onder andere vanwege medische redenen van de gemachtigde van de betrokkene. Uiteindelijk is de zaak behandeld op 1 juni 2001, waarbij de gemachtigde van de advocaat-generaal, mr. J.G. Brontsema, aanwezig was, maar de betrokkene en haar gemachtigde niet verschenen.

Het hof heeft vastgesteld dat de gemachtigde van de betrokkene tijdig en op de juiste wijze was opgeroepen voor de zitting. De gemachtigde heeft geklaagd over het niet ontvangen van een oproeping voor de zitting van de kantonrechter, maar het hof oordeelt dat er geen sprake is van schending van fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging. De opgelegde sanctie van ƒ 5,-- is onder de drempel van ƒ 150,-- die hoger beroep mogelijk maakt, en het hof concludeert dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. De beslissing van het hof is dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.

Uitspraak

WAHV 00/00219
15 juni 2001
CJIB 20706083
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Amsterdam
van 1 mei 2000
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [naam gemachtigde], wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Partijen zijn opgeroepen voor de zitting van 7 december 2000. Op verzoek van de gemachtigde van de betrokkene is de zaak aangehouden.
Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor de zitting van 12 april 2001. Aangezien de gemachtigde van de betrokkene om medische gronden niet mocht reizen, is de zaak wederom aangehouden.
De zaak is behandeld ter zitting van 1 juni 2001. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J.G. Brontsema. Noch de betrokkene noch haar gemachtigde is verschenen.
Op 8 juni 2001 heeft het hof een faxbericht van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Voormeld bericht is voorts voorzien van bijlagen per post verzonden en op 12 juni 2001 door het hof ontvangen.
Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 5,--.
3.2. De gemachtigde van de betrokkene klaagt erover, dat hij ten onrechte geen oproeping voor de zitting van de kantonrechter van 1 mei 2000 heeft ontvangen.
3.3. Het hof is van oordeel dat (een beroep op) schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, zoals schending van het beginsel van hoor en wederhoor, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV wettigt. Indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
3.4. Nu de opgelegde sanctie fl 5,-- bedraagt en de gemachtigde van de betrokkene erover klaagt dat hij niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 1 mei 2000, dient het hof, gelet op het in 3.3 overwogene, te onderzoeken of de gemachtigde van de betrokkene inderdaad niet behoorlijk is opgeroepen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.5. Blijkens het tot de gedingstukken behorende proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 22 februari 2000 is de gemachtigde van de betrokkene aldaar verschenen en heeft hij het beroep toegelicht. Voorts houdt voormeld proces-verbaal in dat de kantonrechter heeft besloten om de zaak aan te houden tot de zitting van 1 mei 2000 om 9.30 uur. Dit proces-verbaal is voorzien van een stempel, waarin staat aangegeven: datum verzending 8 maart 2000. Bij de gedingstukken bevindt zich voorts een brief van de griffier van het kantongerecht van 8 maart 2000 aan de gemachtigde van de betrokkene, waarin is vermeld: “Dit wordt u zonder verder begeleidend schrijven toegezonden.”. Het hof gaat ervan uit dat door middel van deze brief een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 22 februari 2000 aan de gemachtigde van de betrokkene is gezonden.
Voormelde brief is gericht aan het door de gemachtigde van de betrokkene in het beroepschrift aan de kantonrechter vermelde adres, te weten [adres + woonplaats]. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de desbetreffende brief als onbestelbaar is teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat die brief de gemachtigde van de betrokkene niet heeft bereikt, gaat het hof ervan uit dat de gemachtigde van de betrokkene meergenoemde brief en het daarbij gevoegde afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2000 heeft ontvangen en dat hij derhalve op de hoogte was van plaats, datum en tijd van de verdere behandeling ter zitting.
3.6. Gelet op het vorenoverwogene is in dit geval geen sprake van het niet behoorlijk oproepen van de gemachtigde van de betrokkene en derhalve is er geen grond om het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV te doorbreken.
3.7. Op grond van bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
3.8. Met betrekking tot de na de zitting van 1 juni 2001 binnengekomen schriftelijke stukken van de gemachtigde van de betrokkene overweegt het hof het volgende.
De uitnodiging om in deze beroepszaak ter zitting van het hof te verschijnen is op 17 mei 2001 verzonden naar het door gemachtigde opgegeven adres en niet als onbestelbaar geretourneerd. Het hof is derhalve van oordeel dat de gemachtigde tijdig en op de juiste wijze is uitgenodigd voor de te houden zitting. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde van de betrokkene stelt omtrent het aantreffen van de uitnodiging in zijn brievenbus geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om de gemachtigde van de betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen het beroep nader toe te lichten.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs Kalsbeek, als voorzitter, Vellinga en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr Vellinga buiten staat dit arrest te ondertekenen.