ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0162

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00/00448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Kalsbeek
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WAHVArt. 26a WAHVArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-stellen van zekerheid bij dwangbevel

De kantonrechter had het verzet van betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het verzet. Betrokkene stelde in hoger beroep dat de termijn was overschreden omdat zij eerst papieren moest verkrijgen om de juistheid van de beschikking aan te vechten.

Volgens art. 26a WAHV is het stellen van zekerheid van het verschuldigde bedrag en griffierecht een vereiste voor ontvankelijkheid in hoger beroep. De griffier had betrokkene verzocht zekerheid te stellen, maar het hof constateerde dat dit niet was gebeurd. Hoewel de griffier niet het bedrag van de zekerheid had vermeld, werd betrokkene niet opnieuw in de gelegenheid gesteld dit te doen omdat het beroep inhoudelijk geen kans van slagen had.

Het hof bevestigde dat het verzet niet gericht kan zijn tegen de beslissing tot oplegging van de administratieve sanctie zelf, en dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen bijzondere reden vormen om niet-ontvankelijkheid achterwege te laten. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet stellen van de vereiste zekerheid.

Uitspraak

WAHV 00/00448
20 juni 2001
CJIB 24651457
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter te Roermond
van 7 juni 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt mr A.C.J. Lina, advocaat te Venlo.
1. De beschikking van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 10 november 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
Mr A.C.J. Lina heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Mr A.C.J. Lina is, als gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstel-ling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.
Bij brief van 27 september 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden aan de griffier van het kantongerecht gedateerd 27 november 2000 blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld.
3.2. Bij Wet van 15 mei 1997, Stb. 212 is bepaald, dat degene die verzet doet tegen een dwangbevel als bedoeld in art. 26, eerste lid, WAHV bij het verzetschrift het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening overlegt. Blijkens de Memorie van toelichting bij genoemde wet is deze verplichting in het leven geroepen teneinde de griffier van het kantongerecht te doen beschikken over de gegevens die hij nodig heeft om de betrokkene, wanneer deze – zoals toen nog het geval was – cassatieberoep mocht instellen, te wijzen op diens verplichting zekerheid te stellen en daarbij het bedrag van de zekerheid te vermelden (vgl. HR 8 december 1998, VR 1999, 180). Hieruit vloeit voort dat de griffier van het kantongerecht die de betrokkene overeenkomstig het bepaalde in art. 26a, tweede lid, WAHV wijst op diens verplichting tot zekerheidstelling, daarbij tevens aangeeft hoe die zekerheidstelling dient te geschieden en voor welk bedrag.
3.3. De griffier van het kantongerecht heeft in zijn brief van 27 september 2000 niet het bedrag aangegeven waarvoor zekerheid dient te worden gesteld. Derhalve zal de betrokkene in beginsel opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld zekerheid te stellen. Desalniettemin zal daartoe in het onderhavige geval niet worden overgegaan, en wel op de volgende gronden.
3.4. De kantonrechter heeft de betrokkene in haar verzet niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzet niet tijdig was gedaan. In het beroepschrift stelt de gemachtigde van de betrokkene, dat de termijn voor het instellen van het verzet tegen het dwangbevel is overschreden omdat de betrokkene eerst papieren moest verwerven waaruit kon blijken dat de inleidende beschikking ten onrechte aan haar was opgelegd. Deze door de betrokkene aangevoerde omstandigheid betreft het verschaffen van middelen waarmee zij beoogt de juistheid aan te vechten van de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Tegen die beslissing kan, zoals art. 26, tweede lid, WAHV bepaalt, het verzet echter niet gericht zijn. Daarom stelt de advocaat-generaal met juistheid dat de door de gemachtigde van de betrokkene genoemde omstandigheid niet een bijzondere omstandigheid kan zijn van zo klemmende aard dat – hoewel art. 6:11 Awb Pro in de onderhavige procedure niet van toepassing is – niet-ontvankelijkverklaring achterwege had moeten blijven.
3.5. Nu uit het vorenoverwogene voortvloeit, dat ook indien de betrokkene in haar beroep wordt ontvangen de beslissing van de kantonrechter slechts kan worden bevestigd, wordt de betrokkene niet in haar belangen geschaad door haar niet opnieuw de gelegenheid te geven zekerheid te stellen.
3.6. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.