ECLI:NL:GHLEE:2002:AD8136
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Drion
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering aftrek levensonderhoud dochter en kleinzoon in inkomstenbelasting 1998
Belanghebbende werd voor het jaar 1998 aangeslagen in de inkomstenbelasting met een belastbaar inkomen van f. 93.720. Zij had bezwaar gemaakt tegen de aanslag, waarbij zij stelde dat zij f. 7.200 had bijgedragen aan het levensonderhoud van haar dochter en kleinzoon. De inspecteur handhaafde de aanslag omdat onvoldoende schriftelijk bewijs was geleverd van deze betalingen.
Het geschil betrof de vraag of de gestelde bijdragen tot een bedrag van f. 6.400 (na aftrek van de drempel van f. 800) als aftrekbare buitengewone lasten konden worden toegelaten volgens artikel 46, eerste lid, letter a, ten tweede van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het hof overwoog dat de wet vereist dat betalingen aantoonbaar zijn met schriftelijke bescheiden, zoals bankoverschrijvingen, vanwege de fraudegevoeligheid van deze aftrekpost.
De belanghebbende kon niet aantonen dat de betalingen daadwerkelijk aan haar dochter en kleinzoon waren gedaan op een controleerbare wijze. De door haar overgelegde stukken en toelichting boden geen zekerheid dat de bijdragen waren voldaan. Daarom werd niet voldaan aan de wettelijke bewijsvereiste en werd het beroep ongegrond verklaard.
Het hof wees proceskostenveroordeling af en zond de uitspraak op 16 januari 2002 aan partijen. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 oktober 2001 te Assen, waarbij de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van betalingen.