ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9171

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01-00079
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Huisman
  • Van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 RVV 1990Art. 79 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens door rood licht rijden ondanks betwisting

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd met een boete van 180 gulden wegens het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 7 augustus 1999 op de Utrechtseweg te Zeist. Betrokkene, die het voertuig bestuurde, voerde aan dat hij bij het passeren van het verkeerslicht groen licht had en slechts kort stil stond vanwege een voorligger die linksaf wilde slaan en het verkeer moest laten voorgaan.

De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het Gerechtshof Leeuwarden. Het hof ontving aanvullend bewijs in de vorm van foto's en een proces-verbaal van een politiebrigadier, waaruit bleek dat het voertuig van betrokkene de stopstreep passeerde terwijl het verkeerslicht al rood was.

Het hof oordeelde dat de afstand tot de voorligger zodanig was dat deze geen belemmering vormde voor betrokkene om door te rijden en dat de situatie zoals door betrokkene beschreven niet aannemelijk was. Ook de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder zijn leeftijd, rechtvaardigden geen vermindering of afzien van de sanctie.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en legde de administratieve sanctie ongewijzigd op.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de boete van 180 gulden voor het niet stoppen voor rood licht.

Uitspraak

WAHV 01/00079
16 januari 2002
CJIB 28589643
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Utrecht
van 8 januari 2001
betreffende
[betrokkene]
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 20 augustus 2001 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal verzocht foto's van de gedraging over te leggen en enige handgeschreven gegevens van de verbalisant te doen opnemen in een proces-verbaal.
Bij brief van 1 oktober 2001 heeft de advocaat-generaal de gevraagde foto's, alsmede een proces-verbaal van H.M. Schrieken, brigadier van politie, van 3 september 2001, overgelegd.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, waarvan gebruik is gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 7 augustus 1999 om 15.14 uur op de Utrechtseweg in de gemeente Zeist.
3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging het betrokken voertuig bestuurde en 77 jaar oud was, voert - samengevat - het volgende aan. Op datum, tijd en plaats voormeld reed ik als laatste voertuig van een rij personenauto's toen wij een kruising voorzien van verkeerslichten naderden. Op dat moment stond het verkeerslicht op groen en toen wij het verkeerslicht passeerden straalde het nog steeds groen licht uit. Direct na het passeren van het verkeerslicht stopte een voor mij rijdende auto nog voor het kruisingsvlak, die linksaf wilde slaan. Dat was op dat moment niet mogelijk , omdat de bestuurder van die auto tegemoetkomend verkeer voor moest laten gaan. Daardoor blokkeerde die bestuurder het doorgaande verkeer achter hem. Ik stond vlak achter hem en kon mijn weg dus niet vervolgen. Ik was enigszins verbaasd over de wijze van rijden van die bestuurder en om mijn weg te kunnen vervolgen moest ik mij ter plaatse even goed op het verkeer oriënteren. Gedurende de korte tijd dat ik genoodzaakt was om op het kruisingsvlak stil te staan, zijn er foto's gemaakt. Op die foto's is de door mij geschetste situatie duidelijk te zien. Omdat ik vlak achter het stilstaande voertuig stond kon en mocht ik dit niet passeren. Dat ik op mijn leeftijd even tijd nodig heb om mij opnieuw op de verkeerssituatie te oriënteren, mag men toch niet als een strafbaar feit beschouwen.
3.3. Uit art. 68, eerste lid, aanhef en onder c, RVV 1990 in verbinding met art. 79 RVV Pro 1990 volgt dat de gedraging "niet stoppen voor rood licht" moet worden geacht te zijn verricht indien komt vast te staan dat het desbetreffende voertuig niet is gestopt vóór de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 94.381).
3.4. Uit de tot de gedingstukken behorende foto's en het ambtsedig proces-verbaal van 3 september 2001 van H.M. Schrieken, brigadier van politie te Utrecht,- in het bijzonder voor zover dit inhoudt dat de camera zo is ingesteld dat voertuigen pas worden gefotografeerd wanneer voertuigen bij 1 sec rood of langer de zich meteen achter de stopstreep bevindende detectielus passeren - kan worden afgeleid dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde op het moment dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep passeerde. Daarom staat naar de overtuiging van het hof vast dat de gedraging is verricht.
3.5. Op de foto's valt te zien, dat op ruime afstand voor het door de gemachtigde bestuurde voertuig op het voor linksafslaand verkeer bestemde weggedeelte een auto staat, waarvan de bestuurder linksaf wil slaan doch moet wachten op tegemoetkomend verkeer. Op de foto's valt eveneens te zien dat deze auto voor de gemachtigde geen enkele belemmering vormt om zijn weg te vervolgen. Voorts is de afstand tussen het door de gemachtigde bestuurde voertuig en die auto zo groot, dat niet aannemelijk is dat deze auto de gemachtigde noopte zich te gedragen zoals door hem beschreven, ook niet als ervan wordt uitgegaan dat deze auto aanvankelijk reed op de rijstrook bestemd voor rechtdoorgaand verkeer. Aldus is niet aannemelijk geworden, dat de gemachtigde op enigerlei wijze door de linksafslaande auto genoodzaakt was vlak nadat hij de stopstreep bij groen licht was gepasseerd te stoppen. In zoverre is derhalve niet gebleken van omstandigheden, die meebrengen dat de gedraging is verricht onder omstandigheden, die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken of tot een lager bedrag van de sanctie moeten leiden.
3.6. De door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde, op zijn persoon betrekking hebbende omstandigheden betekenen niet dat de gedraging is verricht onder omstandigheden, die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken of tot een lager bedrag van de sanctie moeten leiden, en wel reeds daarom niet omdat - gelet op het in r.o. 3.5 overwogene - niet aannemelijk is dat de verkeerssituatie, waardoor de gemachtigde zou zijn overrompeld, zich heeft voorgedaan in de vorm als door de gemachtigde beschreven.
3.7. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beslissing bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.